Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2016 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
de burgemeester van de gemeente Valkenswaard, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
30 515, nr. 3, blz. 8 en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2) is in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Van dit uitgangspunt mag echter in ernstige gevallen worden afgeweken. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning in ieder geval als een ernstig geval in deze zin kan worden aangemerkt en dat ook bij een eerste constatering hiervan aan artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een bevoegdheid tot sluiting van een woning kan worden ontleend. Een beleid dat hiertoe de mogelijkheid biedt, is dus niet in strijd met de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2388).