Uitspraak
Inleiding
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van klaagster
Het oordeel van de rechtbank
ongegrond.
Rechtbank Oost-Brabant
Klaagster, advocate verbonden aan twee advocatenkantoren, werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie, witwassen, valsheid in geschrifte en oplichting in een grootschalig opsporingsonderzoek naar illegale gokactiviteiten. Op 10 april 2014 vonden doorzoekingen plaats bij haar kantoren waarbij geschriften werden in beslag genomen. Klaagster diende een klaagschrift in tegen deze inbeslagneming, stellende dat zij handelde binnen haar beroepsuitoefening en dat het verschoningsrecht geschonden werd.
De rechtbank oordeelde dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond jegens klaagster en dat de verdenking ernstige strafbare feiten betrof, waaronder deelname aan een criminele organisatie. Hierdoor waren er zeer uitzonderlijke omstandigheden aanwezig die het belang van waarheidsvinding boven het verschoningsrecht deden prevaleren. De doorzoekingen en inbeslagnemingen waren selectief en gericht, geen ongerichte fishing expedition.
Klaagsters beroep op disproportionaliteit en schending van artikel 8 EVRM Pro faalde. Ook het ontbreken van een rechter-commissarisbeslissing bij de stukken was niet aannemelijk. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond en achtte de inbeslagneming rechtmatig. De beslissing werd uitgesproken door drie rechters op 24 april 2015.
Uitkomst: Het klaagschrift tegen de inbeslagneming van geschriften bij advocatenkantoren wordt ongegrond verklaard en de inbeslagneming als rechtmatig beschouwd.