ECLI:NL:RBOBR:2015:2338
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M. van de Brink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting geheel perceel wegens drugslaboratorium
Op 10 maart 2015 werd in een loods op een perceel een handelshoeveelheid harddrugs aangetroffen, waarna verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet het gehele perceel inclusief alle opstallen liet sluiten van 13 maart 2015 tot en met 13 maart 2016. Verzoeker, die gebruik maakt van enkele opstallen op het perceel voor zijn agrarische werkzaamheden, maakte bezwaar tegen deze sluiting en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de sluiting van het gehele perceel gerechtvaardigd was vanwege de samenhang tussen de loods en de overige opstallen, mede doordat het perceel afgesloten is en alleen toegankelijk via een elektrisch bedienbare poort die door verzoeker werd beheerd. De stelling van verzoeker dat hij niet op de hoogte was van het drugslaboratorium deed hieraan niet af, omdat de aanwezigheid van voor verkoop bestemde verdovende middelen op zich voldoende grond is voor bestuursdwang.
Verder werd geoordeeld dat het financiële nadeel dat verzoeker ondervindt niet als bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt die een afwijking van het handhavingsbeleid rechtvaardigt. Verzoeker kon zijn beroepsmaterialen elders opslaan, wat niet gemotiveerd werd weersproken. Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de sluiting van het gehele perceel wordt afgewezen.