Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 maart 2015 in de zaak tussen
[naam B.V.], te Eindhoven, eiseres
Procesverloop
[persoon 1] en [persoon 2] ([persoon 2]). Aan de zijde van verweerder was tevens aanwezig [persoon 3], werkzaam bij Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ).
Overwegingen
– kort gezegd – verweerder het advies aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen, zal de rechtbank bij de bespreking van die beroepsgronden oordelen.
30 juli 2014, hiervoor aangehaald).
(24 november 2008) is gelegen na de voorzienbaarheidsdatum van het HOV2-project (eind april 2008) en vóór de voorzienbaarheidsdata van de werkzaamheden aan de Orpheuslaan en de Muzenlaan (29 juni 2009 en voorjaar 2011). Om die reden heeft SAOZ bij de schadeberekening van de slijterij bepaald dat de aan het HOV2-project toerekenbare nadelen niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen (blz. 34 van het advies). Eiseres heeft het risico op deze nadelen actief aanvaard, aldus SAOZ. Omdat volgens SAOZ op basis van alle relevante feiten en omstandigheden geen objectiveerbare verdeling van de berekende omzetdaling tussen de drie schadeoorzaken is te maken, heeft SAOZ zelf een verdeling gemaakt en redelijk en billijk geacht dat 1/3 van de berekende omzetdaling als voorzienbaar moet worden aangemerkt. De rechtbank onderschrijft deze redenering en deelt dus niet het standpunt van eiseres dat actieve risicoaanvaarding ten aanzien van het HOV2-project haar wat betreft de slijterij niet kan worden tegengeworpen. Het HOV2-project was ten tijde van de opening van de slijterij zodanig kenbaar dat eiseres daarmee bij die opening rekening moest houden. Weliswaar waren de werkzaamheden aan de Orpheuslaan en de Muzenlaan ten tijde van die opening nog niet bekend, maar ten aanzien van die werkzaamheden heeft SAOZ geen voorzienbaarheid en actieve risicoaanvaarding aangenomen, terwijl bovendien voor het aannemen van risicoaanvaarding niet vereist is dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat of dat deze maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van
20 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3090).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het verzoek van eiseres;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 980,-;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
mr. M. van den Brink, leden, in aanwezigheid van mr. F.A.M.C. Habraken - Hermans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2015.