Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
- medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van Pro de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
- medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef Pro en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
- medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef Pro en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef Pro en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
1.De vordering.
2.Het vonnis in de hoofdzaak.
3.De bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4.De redelijke termijn.
LJN:BD2578, r.o. 3.12.2) heeft de Hoge Raad overwogen dat de redelijke termijn in ontnemingszaken begint op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijke verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. In het algemeen zal als aanvangsdatum voor de redelijke termijn aangenomen kunnen worden:
5.De draagkracht van veroordeelde.
€ 120.000,00(zegge: éénhonderd twintigduizend euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen.