ECLI:NL:RBOBR:2014:7465
Rechtbank Oost-Brabant
- Voorlopige voorziening
- J.H.M. Rijken-Lie
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting coffeeshop wegens overtreding Opiumwet
Verzoekster exploiteert een coffeeshop die op 4 juli 2014 werd doorzocht waarbij een grote hoeveelheid softdrugs werd aangetroffen, waaronder 11.595 kant-en-klare joints en 4.713,54 gram wiet en hash, alsmede 60 hashkoekjes. De burgemeester sloot de coffeeshop op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor zes maanden, een besluit dat door verzoekster werd aangevochten.
Verzoekster stelde dat het toegepaste handhavingsbeleid uit 2008 niet meer van toepassing was omdat het B5-beleid van de vijf grote Brabantse gemeenten een mildere maatregel voorschrijft. Ook voerde zij aan dat de drugs in een niet-publiek toegankelijke ruimte waren aangetroffen, zodat sluiting niet gerechtvaardigd zou zijn. De voorzieningenrechter oordeelde dat het oude beleid terecht werd toegepast omdat het B5-beleid niet door de burgemeester was vastgesteld of gepubliceerd.
De rechtbank stelde vast dat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van onverwijlde spoed, zoals een actuele financiële noodsituatie of bedreiging van de continuïteit van de onderneming. Evenmin waren er bijzondere omstandigheden die een afwijking van het beleid op grond van artikel 4:84 Awb Pro rechtvaardigden.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het besluit tot sluiting niet evident onrechtmatig was en dat de burgemeester bevoegd was het besluit te nemen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de coffeeshop wordt afgewezen.