Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2006:AX4378

Raad van State

Datum uitspraak
17 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200601125/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Troostwijk
  • M. Ottevanger
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet arbeid vreemdelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen

De besloten vennootschap Domino 1 B.V. kreeg op 7 juni 2005 een bestuurlijke boete opgelegd door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op grond van de Wet arbeid vreemdelingen. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat op 22 juli 2005 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde Domino 1 B.V. beroep in bij de rechtbank Haarlem, die op 22 december 2005 het beroep eveneens ongegrond verklaarde.

Daarop verzocht Domino 1 B.V. bij de Raad van State op 7 februari 2006 om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van het besluit van 22 juli 2005 op te schorten tot het hoger beroep is beslist. Tijdens de zitting op 4 mei 2006 werd toegelicht dat inning van de boete tot grote financiële problemen zou leiden, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt.

De Raad van State oordeelde dat het verzoek geen spoedeisend belang had, mede omdat de overgelegde verklaring van een accountant onvoldoende was om een financiële noodsituatie aan te tonen. Daarom werd het verzoek afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot opschorting van de bestuurlijke boete wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

200601125/2.
Datum uitspraak: 17 mei 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
de besloten vennootschap Domino 1 B.V., statutair gevestigd Beverwijk,
verzoekster,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3933 van de rechtbank Haarlem van 22 december 2005 in het geding tussen:
verzoekster
en
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 7 juni 2005 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan verzoekster een bestuurlijke boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen opgelegd.
Bij besluit van 22 juli 2005 heeft de staatssecretaris het daartegen door verzoekster gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 december 2005, verzonden op 28 december 2005, heeft de rechtbank Haarlem het daartegen door verzoekster ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2006, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 7 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 20 maart 2006, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 mei 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. P. Lewandowski, gemachtigde, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. P.H. Grandiek, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van de staatssecretaris van 22 juli 2005 worden opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist.
2.2.    Van de zijde van verzoekster is ter toelichting van haar verzoek ter zitting verklaard dat, indien de haar opgelegde boete hangende het hoger beroep wordt geïnd, dit bij haar tot grote financiële problemen leidt. Aan het verzoek is aldus louter een financieel belang ten grondslag gelegd. Verzoekster heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij door de opgelegde boete in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. De door haar overgelegde verklaring van een accountant leidt niet tot een ander oordeel.
2.3.    Nu het verzoek het voor het inwilligen daarvan noodzakelijke spoedeisende belang ontbeert, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening. Derhalve dient het te worden afgewezen.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Ottevanger, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk    w.g. Ottevanger
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2006
438.