Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 september 2014 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Oost-Brabant
Eiser, een topfunctionaris, werd ontslagen op grond van artikel 8:8 van Pro de CAR-UWO. Verweerder weigerde toepassing te geven aan artikel 10d:4 van de CAR-UWO, dat voorschrijft dat bij ontslag een passende regeling moet worden getroffen. Verweerder beriep zich op de WNT, die een maximale vergoeding van €75.000 voorschrijft voor vergoedingen bij beëindiging van het dienstverband.
De rechtbank stelde vast dat de weigering van verweerder onterecht was en dat een passende regeling moest worden getroffen. De afkoop van uitkeringsrechten werd volledig meegenomen, conform vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. De vergoeding voor gemiste pensioenopbouw en salaris over acht maanden werd gemaximeerd op €75.000 bruto.
De rechtbank kende eiser een totale vergoeding toe van €218.018,24 bruto, bestaande uit de gemaximeerde vergoeding en de afkoop van uitkeringsrechten. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het bestreden besluit werd vernietigd en de uitspraak trad in de plaats daarvan.
Uitkomst: De rechtbank kent een passende regeling toe met een vergoeding van €218.018,24 bruto en vernietigt het bestreden besluit.