De zaak betreft het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard tegen de toekenning van een voorschot op een WW-uitkering aan een derde-partij die tussentijds was ontslagen op staande voet wegens een disciplinaire maatregel. Verweerder had op basis van zelfstandig onderzoek geconcludeerd dat onvoldoende bewijs bestond dat de derde-partij verwijtbaar werkloos was geworden, mede omdat het onderzoek naar de plaatsing van een advertentie op Marktplaats niet kon worden afgerond en de politie het onderzoek had geseponeerd.
Eiser stelde dat het voorschot ten onrechte was toegekend omdat de werkloosheid het gevolg was van ontslag wegens een dringende reden. De rechtbank verwees naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep en stelde vast dat de enkele verklaring van de P&O-adviseur onvoldoende was om te concluderen dat de derde-partij de advertentie had geplaatst. Hierdoor was niet aannemelijk dat sprake was van een dringende reden voor ontslag.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover verweerder het bezwaar ten onrechte ontvankelijk had verklaard, verklaarde het bezwaar tegen het besluit van 1 mei 2013 niet-ontvankelijk en verklaarde het beroep voor het overige ongegrond. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.