Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.[gedaagde 1],
[gedaagde 2],
[gedaagde 3],
[gedaagde 4],
[gedaagde 5],
[gedaagde 6],
[gedaagde 7],
[gedaagde 8],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 18 september 2013
- het proces-verbaal van comparitie van 8 oktober 2013
2.De feiten
3.Het geschil in conventie
De vorderingen
4.Het geschil in reconventie
5.De beoordeling
in conventie
noch anderszinsen verlenen zij elkaar terzake over en weer finale kwijting.” (onderstreping door de rechtbank)
alleschade die Servatius vordert. Ook zonder het verwijtbaar handelen van [gedaagde 1] had de beslissing om het project te stoppen immers tot gevolg gehad dat de kosten die zijn gemaakt bij de voorbereiding van het project als nodeloos gemaakte kosten moeten worden beschouwd. En ook zonder het verwijtbaar handelen van [gedaagde 1] had de beslissing om het project te stoppen tot gevolg gehad dat Servatius nog kosten had moeten maken bij de afwikkeling daarvan. Daarom geldt slechts voor een - nog te bepalen - deel van de schade dat een oorzakelijk verband bestaat met het verwijtbaar handelen van [gedaagde 1].
6.Het vervolg van de procedure
in conventie
7.De beslissing
vrijdag 10 januari 2014 van 9:30 uur tot 18:00 uur,
woensdag 4 december 2013voor het nemen door Servatius van een conclusie van antwoord in het incident ex artikel 223 Rv Pro dat is opgeworpen door gedaagden sub 1 en 9.