Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:983

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
LEE 25/3553
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:72 AwbArt. 3:41 AwbArt. 5:15 AwbArt. 6:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College verklaart bezwaar tegen bijstandsbesluit ten onrechte niet-ontvankelijk

Eiseres ontving een bijstandsuitkering die per 1 april 2025 werd gewijzigd vanwege de kostendelersnorm, omdat haar ouders bij haar verblijven. Het college verklaarde haar bezwaar tegen deze wijziging niet-ontvankelijk omdat het bezwaarschrift te laat was ingediend. Eiseres stelde dat zij op 13 mei 2025 via e-mail tijdig bezwaar had gemaakt.

De rechtbank oordeelde dat de e-mail van 13 mei 2025 als een pro forma bezwaarschrift moet worden beschouwd, omdat uit de inhoud duidelijk bleek dat eiseres het niet eens was met de hoogte van haar uitkering en het college verzocht de fout te herstellen. Hierdoor was het bezwaar tijdig ingediend.

Verder stelde de rechtbank vast dat de bezwarencommissie onzorgvuldig had gehandeld door in haar advies niet in te gaan op deze e-mail, terwijl dit wel had moeten gebeuren. Het college had ook in het verweerschrift niet inhoudelijk op de e-mail gereageerd.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het college binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen, waarbij het bezwaar inhoudelijk moet worden behandeld. Eiseres werd vrijgesteld van griffierecht en er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het college heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/3553

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Borger-Odoorn, het college

(gemachtigde: J. van den Berg).

Samenvatting

Het gaat in deze uitspraak over de vraag of het college het bezwaar van eiseres terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens het college heeft eiseres te laat bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 april 2025 en is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres krijgt daarom gelijk en het beroep is gegrond.

Inleiding en procesverloop

1. Bij haar beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Eiseres ontvangt van het college bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Nadat zij op een aanvraagformulier voor bijzondere bijstand heeft aangegeven dat haar ouders bij haar verblijven, is op 1 april 2025 een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. Eiseres heeft verklaard dat haar ouders ongeveer sinds zes maanden bij haar logeren, dat haar ouders bij het AZC in [plaats] staan ingeschreven en dat het COa [1] toestemming heeft gegeven aan haar ouders om op het uitkeringsadres te verblijven.
1.2.
Met het besluit van 2 april 2025 heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 1 april 2025 gewijzigd op de grond dat zij de kosten kan delen met haar ouders. [2] Eiseres krijgt per 1 april 2025 een bedrag van netto € 832,90 aan bijstand per maand. Tegen dit besluit heeft zij op 22 mei 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.3.
Met een brief van 19 juni 2025 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres van 22 mei 2025 ter behandeling als bezwaarschrift aan het college doorgezonden. Met een brief van 27 juni 2025 heeft de rechtbank een door eiseres op 16 juni 2025 bij de rechtbank Den Haag ingediende klacht vanwege de samenhang met het besluit van 2 april 2025 ook doorgezonden aan het college.
1.4.
Met een e-mailbericht van 20 juni 2025 heeft eiseres aan de rechtbank laten weten dat zij wel bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 2 april 2025 via het contactformulier van de gemeente Emmen, een e-mail van 13 mei 2025 aan het algemene e-mailadres van de gemeente Emmen en dat zij contact heeft gehad met het sociaal team van de gemeente Borger-Odoorn.
1.5.
Met een e-mailbericht van 14 mei 2025 heeft een medewerker van het Team Uitkeringsverwerking van de gemeente Emmen aan eiseres meegedeeld dat haar uitkering
€ 832,90 per maand is, dat daarvan € 41,65 aan vakantiegeld wordt gereserveerd en dat tevens een bedrag van € 455,83 voor de huur van Lefier wordt ingehouden. Het op de rekening van eiseres overgemaakte bedrag van € 355,42 klopt.
1.6.
Met een brief van 15 juli 2025 heeft het college eiseres gevraagd om vóór 30 juli 2025 aan te geven waarom zij haar bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn heeft ingediend. Eiseres heeft hierop niet gereageerd.
1.7.
Op 25 augustus 2025 heeft de rechtbank een comparitiezitting gehouden. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiseres heeft de rechtbank vooraf laten weten dat zij vanwege haar medische situatie niet naar de comparitiezitting kan komen. Op
12 september 2025 heeft de rechtbank het proces-verbaal van de comparitiezitting aan partijen gezonden.
1.8.
De bezwarencommissie van de gemeente Borger-Odoorn (de commissie) heeft op 10 september 2025 advies uitgebracht aan het college. Met het besluit van 11 september 2025 (bestreden besluit) heeft het college onder overname van het advies van de commissie het bezwaar tegen het besluit van 2 april 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat eiseres het op 22 mei 2025 binnengekomen bezwaarschrift niet tijdig heeft ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
1.9.
De behandeling van het beroep was gepland op de zitting van 17 maart 2026. In een e-mailbericht van 3 februari 2026 heeft eiseres de rechtbank laten weten dat zij vanwege verschillende omstandigheden niet naar de zitting kan komen, en dat ook een schriftelijke behandeling van de zaak een mogelijkheid is. Daarop heeft de rechtbank met een brief van
5 februari 2026 aan eiseres gevraagd of zij schriftelijk toestemming [3] geeft om zonder het houden van een zitting uitspraak te doen in haar zaak. Eiseres heeft op 6 februari 2026 die toestemming aan de rechtbank verleend. Het college heeft dat op 5 maart 2026 gedaan.
1.10.
Met een brief van 5 maart 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat de op
17 maart 2026 geplande zitting geen doorgang zal vinden, dat zij het onderzoek in deze zaak sluit en binnen zes weken na de datum verzending van deze brief uitspraak zal doen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 2 april 2025 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiseres, die hierna zullen worden besproken. Verder heeft de rechtbank besloten dat eiseres in deze zaak het griffierecht niet hoeft te betalen.
Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het wijzigingsbesluit
3. Niet in geschil is dat het besluit van 2 april 2025 op die datum door toezending aan eiseres op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt [4] en dat zij dit besluit heeft ontvangen, zodat de bezwaartermijn van zes weken op 15 mei 2025 is geëindigd. Eiseres heeft in plaats van een bezwaarschrift eerst een beroepschrift ingediend bij de rechtbank dat op 22 mei 2025 door haar is ontvangen. Het beroepschrift is op 19 juni 2025 door de rechtbank als bezwaarschrift doorgezonden aan het college. De datum van ontvangst van het beroepschrift bij de rechtbank is bepalend voor de vraag of het bezwaarschrift tijdig is ingediend. [5] Dat is in dit geval 22 mei 2025.
3.1.
Eiseres voert aan dat zij wel tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van
2 april 2025. Op 13 mei 2025 heeft zij namelijk een e-mail aan de gemeente Emmen gestuurd met een vraag over de hoogte van haar bijstandsuitkering. Het college heeft het bezwaar volgens haar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en had dit inhoudelijk moeten behandelen.
3.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat het op 22 mei 2025 binnengekomen bezwaarschrift van eiseres na de bezwaartermijn van zes weken, die liep tot 15 mei 2025, is ingediend. Daarom is besloten het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college het bezwaar van eiseres van 22 mei 2025 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres heeft op 13 mei 2025 een e-mail gestuurd aan de gemeente Emmen, die de PW voor het college uitvoert, met onder meer een vraag over de hoogte van haar bijstandsuitkering. Hoewel eiseres in haar e-mail van 13 mei 2025 niet het besluit waartegen het bezwaar is gericht heeft omschreven, had het college die e-mail moeten aanmerken als een pro forma bezwaarschrift gericht tegen zijn besluit van
2 april 2025. Hierbij is van belang dat uit de inhoud van de e-mail van 13 mei 2025 voldoende blijkt dat eiseres het niet eens is met de hoogte van haar bijstandsuitkering en zij het college vraagt om de fout te verhelpen. Nu eiseres met de e-mail op 13 mei 2025 (pro forma) bezwaar heeft gemaakt, is dit bezwaar tijdig voor afloop van de bezwaartermijn ingediend. [6]
3.4
Bij het voorgaande weegt mee dat de commissie in haar advies van 10 september 2025 zich niet heeft uitgelaten over de e-mail van eiseres van 13 mei 2025, terwijl de gemachtigde van het college op de comparitiezitting heeft gezegd dat die e-mail wel ter beoordeling aan de commissie is voorgelegd. Verwacht had dan mogen worden dat de commissie in haar advies in het kader van de vraag of tijdig bezwaar is gemaakt inhoudelijk zou zijn ingegaan op de e-mail van 13 mei 2025. Dat zij dat niet heeft gedaan, is niet zorgvuldig. Bovendien is het college in het verweerschrift in het kader van de vraag of eiseres tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 2 april 2025 ook niet inhoudelijk ingegaan op de e-mail van 13 mei 2025. Dat de gemeente Emmen de e-mail van 13 mei 2025 niet aan het college heeft doorgestuurd, maakt het oordeel niet anders.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het college het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Zij ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat deze zaak tot nu toe alleen ging over de ontvankelijkheid van het bezwaar.
4.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw (inhoudelijk) besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Zij geeft het college hiervoor zes weken.
4.2.
Nu eiseres is vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen, hoeft dat niet te worden terugbetaald. Zij heeft verder geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 11 september 2025;
  • draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
2.Op grond van de kostendelersnorm met twee kostendelende medebewoners.
3.Op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.
5.Dit staat in artikel 5:15, derde lid, van de Awb.
6.Op grond van artikel 6:7 van Pro de Awb.