De rechtbank Noord-Nederland heeft op 27 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een veroordeelde die medeplichtig was aan meervoudige afpersing, afdreiging en medeplegen van witwassen. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op €5.123,60, verminderd met toegekende materiële schade van €150,00, resulterend in een betalingsverplichting van €4.973,60.
Tijdens de terechtzitting van 13 maart 2026 werden de officier van justitie, veroordeelde en diens raadsman gehoord. De verdediging betwistte de herkomst van de Tikkie-betalingen op de bankrekening van veroordeelde, maar de rechtbank achtte op basis van verklaringen, proces-verbalen en het ontbreken van alternatieve verklaringen bewezen dat het geld uit criminele activiteiten afkomstig was.
De rechtbank stelde vast dat veroordeelde 20% van het totaalbedrag van €25.618,00 aan Tikkie-betalingen had ontvangen, wat neerkomt op €5.123,60. De toegekende materiële schade aan de benadeelde partij werd in mindering gebracht, ondanks dat deze nog niet onherroepelijk was. De redelijke termijn was overschreden, maar dit werd gecompenseerd door matiging van de straf in de hoofdzaak.
De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op om €4.973,60 aan de staat te betalen en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 99 dagen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer onder voorzitterschap van mr. H. van der Werff, samen met mr. M.B.W. Venema en mr. E.P. van Sloten.