ECLI:NL:RBNNE:2026:828

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
C/18/25355l / KG RK 26/153
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek rechter afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid

De wrakingskamer van de rechtbank Noord-Nederland behandelde op 11 maart 2026 het verzoek van een partij tot wraking van mr. T.K. Hoogslag, rechter in een civiele procedure. De verzoeker stelde dat hij onbegrijpelijke weerstand ondervond en onvoldoende gelegenheid kreeg om stukken te betwisten, waaronder het buiten beschouwing laten van een akte en het afzien van het afzonderlijk horen van getuigen.

De rechter gaf aan dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk of ongegrond moest worden verklaard, omdat de aangevoerde procedurele beslissingen gangbaar zijn en niet kunnen leiden tot wraking tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die wijzen op vooringenomenheid. De rechtbank overwoog dat het verzoek zich richtte op een procedurele beslissing die niet als grond voor wraking kan dienen en dat er geen concrete feiten of omstandigheden waren die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen.

De wrakingskamer besloot het verzoek kennelijk ongegrond te verklaren en de procedure voort te zetten zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek. De mondelinge behandeling van het verzoek werd achterwege gelaten. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Wrakingskamer
Locatie Leeuwarden
Zaaknummer: C/18/25355l / KG RK 26/153
Beslissing van 11 maart 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker
strekkende tot de wraking van
mr. T.K. Hoogslag,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 27 februari 2026;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 4 maart 2026.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot de wraking van mr. T.K. Hoogslag, kantonrechter die is belast met de behandeling van de civiele procedure met zaaknummer [zaaknummer] . In voornoemde procedure is de verzoeker gedagvaard door zijn verhuurder, Stichting Elkien.
2.2.
De verzoeker heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek, kort samengevat, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij in de procedure op onbegrijpelijke weerstand stuit en dat hij zich onvoldoende in de gelegenheid voelt gesteld om de dagvaarding te betwisten door het gemis van stukken. Daartoe heeft de verzoeker allereerst aangevoerd dat hij in beginsel geen reactie heeft gekregen op zijn verzoeken van 16 en 29 december 2025 strekkende tot uitstel van de zitting van 6 januari 2026. Pas op 13 januari 2026 - na het indienen van een eerder wrakingsverzoek - werd hem uitstel van de zitting verleend. Verder heeft de verzoeker aangevoerd dat de rechter zonder opgaaf van redenen een aan hem gestuurde akte van 3 februari 2026 buiten beschouwing heeft gelaten. Tot slot heeft de verzoeker aangevoerd dat de rechter heeft afgezien van het afzonderlijk horen van getuigen.

3.Het standpunt van de rechter

3.1.
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking en heeft zijn standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt per e-mail van 4 maart 2026.
3.2.
De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel als ongegrond dient te worden afgewezen.
Daartoe heeft de rechter aangevoerd dat de akte van 3 februari 2026 van de verzoeker een verzoek aan de wederpartij behelst strekkende tot het opvragen van stukken. Indien de wederpartij daaraan niet voldoet, kan de verzoeker dat bij conclusie van antwoord aanvoeren en zal de rechter daar bij vonnis op dienen te reageren. De verzoeker maakt ten onrechte het verwijt dat de rechter partijdig heeft gehandeld door deze akte buiten beschouwing te laten. Verder heeft de rechter aangevoerd dat de griffier aan de verzoeker heeft laten weten dat bij vonnis nog zal worden geoordeeld over het verzoek strekkende tot het afzonderlijk horen van getuigen.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) en artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.
4.2.
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv Pro en artikel 6 EVRM Pro dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening gehouden worden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.
4.3.
De rechtbank overweegt dat het verzoek tot wraking zich onder meer richt op de procedurele beslissing van de rechter mr. T.K. Hoogslag om de akte van de verzoeker van 3 februari 2026 buiten beschouwing te laten. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een gangbare procedurele beslissing, waarover de wrakingskamer geen oordeel toekomt. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt met zich dat een rechterlijke (tussen)beslissing nooit een grond kan vormen voor wraking. [1] Dit is alleen anders indien (de motivering van) die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is in casu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank overweegt dat aan het verzoek tot wraking verder geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit de vooringenomenheid van de rechter, of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. Het vorenstaande geldt ook voor de mededeling van de rechter dat in het te zijner tijd te geven vonnis een oordeel zal worden gegeven over het verzoek van de verzoeker om afzonderlijke getuigen te horen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is.
4.4.
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek, laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Noord-Nederland (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Noord-Nederland, meer regels en procedures, wraking, wrakingsprotocol).

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
5.2.
bepaalt dat de procedure met zaaknummer [zaaknummer] wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond;
5.3.
beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan
- de verzoeker;
- de gewraakte rechter, mr. T.K. Hoogslag;
- de betrokken partij(en).
Deze beslissing is gegeven op 11 maart 2026 door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. H.J. Idzenga en mr. I.F. Clement, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Toussaint als griffier.
- de griffier - de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.