ECLI:NL:RBNNE:2026:825

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
18/115803-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 5a WVWArt. 7 WVWArt. 8 WVWArt. 175 WVW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag en veroordeling voor roekeloos rijden onder invloed met zwaar letsel

Op 4 november 2024 veroorzaakte verdachte, onder invloed van alcohol en cocaïne, een frontale botsing op de N997 nabij Delfzijl waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep. Verdachte reed met een snelheid tussen 96 en 126 km/u op de verkeerde weghelft en negeerde waarschuwingssignalen van een andere weggebruiker.

De rechtbank sprak verdachte vrij van poging tot doodslag omdat niet kon worden bewezen dat hij opzet had op de dood van het slachtoffer. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte roekeloos heeft gereden in ernstige mate de verkeersregels heeft geschonden, onder invloed was en de plaats van een eerder ongeval heeft verlaten.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het letsel, de recidive van verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden waaronder verslaving en PTSS, en de positieve gedragsverandering na het ongeval. De straf bestaat uit 36 maanden gevangenisstraf waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en een rijontzegging van 4 jaar.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag en veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf waarvan 12 maanden voorwaardelijk en 4 jaar rijontzegging wegens roekeloos rijden onder invloed met zwaar letsel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
Parketnummer 18/115803-25
Vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 96/240480-22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 maart 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L.R. Rommy, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 4 november 2024 te Delfzijl, althans in Nederland, op de N997 ter hoogte van hectometerpaal 4.4, gedurende de nacht (als bedoeld in art. 1 RVV Pro 1990) en/of rijdende in een voertuig, te weten een Audi A3, in de richting Delfzijl, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven,
  • als beginnend bestuurder
  • terwijl hij onder invloed was van alcohol, te weten 1,66 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed en/of cocaïne, te weten 83 microgram per liter bloed, in elk geval hoger dan 10 microgram cocaïne per liter bloed, en/of
  • met een snelheid van ten minste 96km/uur en maximaal 126km/uur, althans een hogere snelheid dan aldaar toegestaan en verstandig was, heeft gereden en/of
  • gedurende 500 meter, althans enige tijd, met zijn, verdachtes, gehele voertuig op de weg van het tegemoetkomende verkeer heeft gereden en/of
  • (vervolgens) geen, althans onvoldoende, rekening heeft gehouden met andere weggebruikers en/of niet, althans te weinig, heeft gedaan om (meerdere) ongevallen te voorkomen en/of (vervolgens) frontaal op het voertuig van voorgenoemde [slachtoffer 1] is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 november 2024 te Delfzijl, althans in Nederland, gedurende de nacht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een Audi A3, daarmede rijdende over de weg, te weten de N997 ter hoogte van hectometerpaal 4.4, in de richting Delfzijl, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
  • als beginnend bestuurder
  • terwijl hij onder invloed was van alcohol, te weten 1,66 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed en/of cocaïne, te weten 83 microgram per liter bloed, in elk geval hoger dan 10 microgram cocaïne per liter bloed, en/of
  • met een snelheid van ten minste 96km/uur en maximaal 126km/uur, althans een hogere snelheid dan aldaar toegestaan en verstandig is, te rijden en/of
  • gedurende 500 meter, althans enige tijd, met zijn, verdachtes, gehele voertuig op de weg van het tegemoetkomende verkeer te rijden en/of
  • (vervolgens) geen, althans onvoldoende, rekening te houden met andere weggebruikers en/of niet, althans te weinig, te doen om (meerdere) ongevallen te voorkomen en/of (vervolgens) frontaal op het voertuig van voorgenoemde [slachtoffer 1] te botsen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur van de linkerknie en/of rechterbeen en/of een gebroken teen en/of (meerdere) gebroken ribben en/of verwondingen op handen en/of hoofd, althans het lichaam, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan zulks terwijl hij verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en/of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
2
hij op of omstreeks 4 november 2024 te Delfzijl, althans in Nederland, gedurende de nacht bestuurder van een voertuig (te weten een auto, Audi A3), daarmee rijdende op de weg, te weten de N997 ter hoogte van hectometerpaal 5.9, in de richting Delfzijl, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door:
  • als beginnend bestuurder
  • terwijl hij onder invloed was van alcohol, te weten 1,66 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed en/of cocaïne, te weten 83 microgram per liter bloed, in elk geval hoger dan 10 microgram cocaïne per liter bloed, en/of
  • met een hogere snelheid dan aldaar toegestaan en verstandig is, te rijden en/of
  • gedurende enige tijd, met zijn, verdachtes, gehele voertuig op de weg van het tegemoetkomende verkeer te rijden en/of
  • (vervolgens) geen, althans onvoldoende, rekening te houden met andere weggebruikers en/of niet, althans te weinig, te doen om een ongeval te voorkomen, door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
3
hij op of omstreeks 4 november 2024 te Delfzijl, althans in Nederland, een voertuig, te weten een auto (Audi A3), heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en/of alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed (of adem) bij iedere aangewezen stof en/of alcohol
  • 83 microgram per liter bloed cocaïne en/of
  • 1,66 milligram ethanol per milliliter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde;
4
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Delfzijl, althans in Nederland, op de N997 ter hoogte van hectometerpaal 5.9, op of omstreeks 4 november 2024, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer 2] ) schade was toegebracht.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot feit 1 subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als roekeloos. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het onder 1 primair ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde feit. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman hiertoe primair aangevoerd dat verdachte zich niet bewust is geweest van zijn rijgedrag. Verdachte kan zich van de autorit niets herinneren, aangever [slachtoffer 2] verklaart dat het leek alsof verdachte totaal geen aandacht voor hem had en op de plek van het ongeval zijn geen remsporen aangetroffen. Volgens de raadsman is er dan ook kennelijk sprake geweest van bewustzijnsverlies. Nu de oorzaak hiervan niet kan worden vastgesteld, kan ook niet worden vastgesteld of dit bewustzijnsverlies voor verdachte voorzienbaar is geweest. Dit heeft tot gevolg dat verdachte van zijn (onbewuste) rijgedrag geen verwijt kan worden gemaakt, zodat geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 (hierna: WVW). Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte roekeloos heeft gereden, zodat
hij van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het rijgedrag van verdachte niet valt binnen de reikwijdte van artikel 5a WVW, nu verdachte, vanwege het bewustzijnsverlies, geen opzet heeft gehad op zijn rijgedrag en ook niet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Ook de omstandigheid dat verdachte heeft gereden onder invloed van alcohol en cocaïne kan hiertoe niet redengevend zijn, nu niet kan worden vastgesteld wanneer verdachte de alcohol en cocaïne heeft gebruikt. Ook uit de overige omstandigheden van het geval kan niet worden afgeleid dat verdachte roekeloos heeft gereden. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman, onder verwijzing naar het voorgaande, betoogd dat het (onbewuste) rijgedrag van verdachte niet kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW.
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op maandag 4 november 2024 reed verdachte kort na 18:00 uur in zijn Audi A3 op de N997 (de Hogelandsterweg). Verdachte kwam uit de richting van Holwierde en reed in de richting van Delfzijl. 1 Omstreeks 18:10 uur reed in tegengestelde richting (vanuit Delfzijl richting Holwierde) aangever [slachtoffer 2] in een Mercedes bestelbus. Ongeveer 100 meter voor het begin van de middengeleider bij de afslag naar Holwierde zag [slachtoffer 2] twee koplampen op zijn weghelft. Hij liet daarom zijn gas los, knipperde twee keer met groot licht en toeterde gedurende een aantal seconden. [slachtoffer 2] zag dat het voertuig niet op deze signalen reageerde en dat deze met onverminderde snelheid op de (voor dat voertuig) verkeerde weghelft bleef rijden. [slachtoffer 2] bracht daarom zijn snelheid verder terug naar ongeveer 30 kilometer per uur en stuurde zijn bestelbus, enkele tientallen meters voor de middengeleider, de berm in. Kort daarna, ongeveer ter hoogte van hectometerpaaltje 5.9, reed het voertuig hem voorbij. Op dat moment hoorde [slachtoffer 2] een kort bonkend geluid bij de linker achterzijde van zijn bestelbus. [slachtoffer 2] zag dat het voertuig daarna met onverminderde snelheid op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer bleef rijden. Hij heeft daarop 112 gebeld en melding gemaakt van een spookrijder, rijdend in een donkere Audi.2 Omstreeks 18:15 uur reed de heer [slachtoffer 1] in zijn Audi A5 vanaf de kustweg te Delfzijl de Hogelandsterweg op, in de richting van Holwierde. Toen hij voorbij een verkeersbord einde maximumsnelheid 50 reed, zag hij opeens twee koplampen op zijn weghelft. Direct daarna volgde er een klap.3 Om 18:16 uur ontving de politie een melding van een frontale botsing tussen twee voertuigen op de N997, ter hoogte van hectometerpaaltje 4.4. Ter plaatse troffen verbalisanten de Audi A5 van de heer [slachtoffer 1] en de Audi A3 van verdachte aan. Beide voertuigen stonden dwars op de weg en hadden aanzienlijke schade. Beide bestuurders zaten nog in het voertuig. De heer [slachtoffer 1] was zichtbaar gewond, maar aanspreekbaar. Verdachte was echter buiten bewustzijn en had een snurkende ademhaling.4 Nadat verdachte door de brandweer uit zijn voertuig was gehaald, is hij per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. In het ziekenhuis is bloed van verdachte afgenomen.5 In het daaropvolgende bloedonderzoek is in het bloed van verdachte alcohol en cocaïne aangetroffen. Het eindresultaat betrof 1,66 milligram ethanol per milliliter bloed, (bij een grenswaarde van 0,20, bij gecombineerd gebruiken 83 microgram cocaïne per liter bloed (bij een grenswaarde van 0.10 bij gecombineerd gebruik).6
Op de N997 geldt een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur.7 Uit forensisch onderzoek naar de auto van verdachte blijkt dat de aanwijsnaald van de snelheidsmeter, ten tijde van het aantreffen van de auto kort na de aanrijding, een snelheid aanwees van 110 kilometer per uur.8 Uit onderzoek naar (de betrouwbaarheid van) deze snelheidsmeter volgt dat de waarschijnlijke snelheid waarmee verdachte ten
tijde van de (frontale) botsing heeft gereden minimaal (circa) 96 kilometer per uur en maximaal (circa) 126 kilometer per uur is geweest.9 Uit het forensisch onderzoek blijkt voorts dat op de linker achterzijde van de bestelbus van aangever [slachtoffer 2] een veeg-/krasspoor is aangetroffen. De hoogte van dit veeg-/krasspoor komt overeen met de hoogte van de buitenspiegel van de auto van verdachte.10
Aan verdachte is op 11 september 2023 voor het eerst een rijbewijs (categorie AM, B) afgegeven.11 Dit betekent dat verdachte kan worden aangemerkt als beginnend bestuurder.
Verklaring verdachte
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich van de autorit niets meer kan herinneren. Ook kan hij zich niet herinneren dat hij die bewuste dag alcohol en drugs heeft gebruikt. Hij kan zich nog wel herinneren dat hij op de ochtend van 4 november 2024 met zijn auto een vriend heeft weggebracht en dat hij toen nuchter was. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij ten tijde van het ongeval zwaar verslaafd was en dat hij dagelijks behoorlijke hoeveelheden drugs gebruikte, soms in combinatie met alcohol. Bij de politie heeft verdachte tot slot verklaard dat hij goed bekend is met de N997 en met de daar geldende maximumsnelheid.12
Vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde feit
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag op de heer [slachtoffer 1] , zoals primair aan verdachte is ten laste gelegd, is vereist dat verdachte opzet heeft gehad op zijn dood. De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat verdachte de bedoeling heeft gehad om de heer [slachtoffer 1] van het leven te beroven (vol opzet). Van opzet in strafrechtelijke zin kan echter ook sprake zijn als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die [slachtoffer 1] als gevolg van zijn rijgedrag zou komen te overlijden (voorwaardelijk opzet). In het zogeheten Porsche-arrest13 heeft de Hoge Raad een toetsingskader geschetst voor de beoordeling van het voorwaardelijk opzet in verkeerszaken. Zeer gevaarlijke verkeersgedragingen kunnen onder omstandigheden (een poging tot) doodslag opleveren. In het geval, zoals het onderhavige, dat verdachte door zijn rijgedrag zelf ook aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen, dient de rechtbank bij haar oordeel over het voorwaardelijk opzet te betrekken dat behoudens aanwijzingen voor het tegendeel het niet waarschijnlijk is dat verdachte de aanmerkelijke kans dat hij als gevolg van zijn rijgedrag ook zelf het leven zal verliezen, eveneens op de koop toeneemt.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte, door te handelen zoals hierboven weergegeven, de aanmerkelijke kans dat hij zelf het leven zou verliezen, op de koop toe heeft genomen. De drempel die door de Hoge Raad is geformuleerd in het Porsche-arrest wordt daarmee niet gehaald. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van de heer [slachtoffer 1] , zodat hij zal worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.
Bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feitSchuld in de zin van artikel 6 WVW Pro
Om tot een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde artikel 6 WVW Pro te kunnen komen, is vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is geweest. Dat betekent in de eerste plaats dat er een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval.
Causaal verband
Verdachte heeft, onder invloed van alcohol en cocaïne, met overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid gedurende langere tijd op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer gereden. Daarbij is verdachte frontaal op de auto van de heer [slachtoffer 1] gebotst. Van een andere oorzaak voor het ongeval is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht het causaal verband tussen het verkeersgedrag van verdachte en het ongeval derhalve bewezen.
Mate van schuld
In de tweede plaats moet verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro heeft de betekenis van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of sprake is van schuld in deze zin, hangt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Wanneer sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag.
De raadsman heeft in dit kader allereerst aangevoerd dat verdachte in het geheel geen verwijt kan worden gemaakt van zijn rijgedrag omdat kennelijk sprake is geweest van (onvoorzien en verontschuldigbaar) bewustzijnsverlies. Ter onderbouwing van dit verweer zijn door de raadsman omstandigheden genoemd, waaruit zou blijken dat bij verdachte
waarschijnlijksprake is geweest van bewustzijnsverlies. De enkele mogelijkheid van bewustzijnsverlies is echter niet voldoende om het bewustzijnsverlies ook aannemelijk te achten. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de door de raadsman genoemde omstandigheden, dat verdachte zich van de autorit niets kan herinneren, dat aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat het leek alsof verdachte totaal geen aandacht voor hem had en dat op de plek van het ongeval zijn geen remsporen aangetroffen, evenzeer passen bij (aanmerkelijk) onvoorzichtig of roekeloos rijgedrag. Door de verdediging zijn voorts geen (medische) stukken overgelegd, waarmee de aannemelijkheid van het bewustzijnsverlies wordt ondersteund. Ook het procesdossier biedt hiervoor geen aanknopingspunten. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vermoedt dat hij ten tijde van het ongeval in een psychose zat. Hij heeft ter terechtzitting voorts verklaard dat hij voor het ongeval vaker last had van psychoses, dat deze steeds veroorzaakt werden door zijn drugsgebruik en dat hij destijds dagelijks behoorlijke hoeveelheden drugs gebruikte. Gelet op deze verklaring van verdachte is de rechtbank van oordeel dat zo die psychose er al zou zijn geweest deze verdachte niet verontschuldigt.
Verdachte wist immers van de (mogelijke) gevolgen van zijn drugsgebruik en is desondanks toch, onder invloed, in zijn auto gestapt. De rechtbank zal het verweer van de verdediging dan ook verwerpen.
Roekeloosheid
Bij de beoordeling van de mate van schuld heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat per 1 januari 2020 de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten in werking is getreden. In het tweede lid van artikel 175 WVW Pro, waarin de strafbaarstelling van artikel 6 WVW Pro is geformuleerd, is de begripsbepaling van roekeloosheid toegevoegd, waarbij wordt teruggegrepen op artikel 5a WVW. Daarmee is feitelijk het toepassingsbereik van het begrip roekeloosheid verbreed. Van roekeloosheid is nu in ieder geval sprake indien het (verkeers)gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.
De rechtbank dient in dit kader te beoordelen of verdachte met de hiervoor vastgestelde verkeersgedragingen, die tot het ongeval hebben geleid, (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
Schending van verkeersregels
In het eerste lid van artikel 5a WVW zijn onder (a) tot en met (m) verkeersgedragingen benoemd die kunnen worden aangemerkt als het in ernstige mate schenden van verkeersregels. Zo is het overschrijden van de maximumsnelheid opgenomen onder (g) en het tegen de verkeersrichting rijden onder (j).
De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft overschreden en dat hij langere tijd op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer heeft gereden. Verdachte heeft zich derhalve schuldig gemaakt aan een tweetal expliciet in artikel 5a, eerste lid WVW genoemde gedragingen, hetgeen een schending van de verkeersregels oplevert.
In ernstige mate
Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Dat zal doorgaans niet gelegen zijn in de enkele schending van één verkeersregel. Gekeken moet worden naar het samenstel van de gedragingen van verdachte, waarbij alle omstandigheden in ogenschouw worden genomen. Op grond van artikel 5a, tweede lid, WVW wordt hierbij ook de mate waarin verdachte onder invloed verkeerde in aanmerking genomen.
Verdachte heeft op de N997 gereden met een snelheid die hoger was dan toegestaan. Hij is vervolgens op enig moment op de (voor hem) verkeerde weghelft terechtgekomen, waar hij, ondanks waarschuwingssignalen van een andere weggebruiker, langere tijd en met onverminderde snelheid is blijven rijden. Verdachte verkeerde op dat moment onder invloed van een forse hoeveelheid alcohol en cocaïne. Dit rijgedrag heeft voorts plaatsgevonden op een maandagavond tussen ongeveer 18:10 uur en 18:15 uur, een tijdstip waarop op de N997 woon-werkverkeer te verwachten is. Gelet op de verkeerssituatie ter plaatse, een smalle N-weg bestemd voor verkeer in beide richtingen waarbij de rijbaan met het tegemoetkomende verkeer slechts door een dubbele onderbroken streep wordt gescheiden14, is de rechtbank van oordeel dat verdachte met de genoemde combinatie van gedragingen de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden.
Opzettelijk
Artikel 5a WVW vereist dat het opzet van verdachte zowel gericht is op het schenden van de verkeersregels als het in ernstige mate schenden van die regels. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van dergelijk opzet moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze zijn verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Daaruit moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen, in samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht zijn geweest.
Gelet op de aanzienlijke hoeveelheid ethanol en cocaïne in het bloed van verdachte en de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij destijds dagelijks behoorlijke hoeveelheden drugs gebruikte, in combinatie met wat als algemeen bekend mag worden verondersteld over de snelheid waarmee dergelijke producten in het lichaam worden afgebroken, is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte op 4 november 2024 alcohol en cocaïne heeft gebruikt.
Verdachte heeft vervolgens de keuze gemaakt om in zijn auto te gaan rijden. Dat verdachte stelt dat hij zich niet meer kan herinneren hoe hij in de auto is gestapt acht de rechtbank niet aannemelijk, nu hij zich nog wel kan herinneren dat hij kort voordat hij begonnen is aan de rit naar het huis van zijn ouders eerst
een vriend naar huis heeft gebracht. Verdachte was daarnaast (goed) bekend met de verkeerssituatie ter plaatse en de met de aldaar geldende maximumsnelheid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het handelen van verdachte zonder aanwijzingen voor het tegendeel naar hun uiterlijke verschijningsvorm bezwaarlijk anders kunnen worden aangemerkt dan als het willens en wetens in ernstige mate overtreden van de verkeersregels.
Te duchten gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen
In zijn algemeenheid acht de rechtbank het zonder meer voorzienbaar dat gevaarlijke situaties kunnen ontstaan door het hiervoor beschreven verkeersgedrag van verdachte. Met zijn handelen heeft verdachte onaanvaardbare risicos op ernstige gevolgen in het leven geroepen, die zich deels ook hebben verwezenlijkt.
Tussenconclusie
Het voorgaande betekent dat het verkeersgedrag van verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee heeft verdachte zich, als beginnend bestuurder, schuldig gemaakt aan een verkeersongeval waarbij sprake is van de zwaarste vorm van schuld, namelijk roekeloosheid.
Letsel van het slachtoffer
Als gevolg van het ongeval is de heer [slachtoffer 1] ernstig gewond geraakt. Er was (onder meer) sprake van meerdere gebroken ribben en een open onderbeenfractuur aan zowel het rechter- als het linkerbeen. Operatief ingrijpen was noodzakelijk om dit letsel aan de onderbenen te herstellen.15 Gelet op de aard van voornoemd letsel, de noodzaak van medisch ingrijpen en de (geschatte) genezingsduur van twee jaren, is de rechtbank van oordeel dat het letsel dient te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande, acht de rechtbank het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
Bewezenverklaring feit 2
De rechtbank acht op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van feit 1 subsidiair, ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, als beginnend bestuurder, op 4 november 2024 op de N997 ter hoogte van hectometerpaaltje 5.9 (Holwierde) in zijn auto roekeloos heeft gereden in de zin van artikel 5a WVW. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat de afstand tussen hectometerpaaltje 5.9 (feit 2) en hectometerpaaltje 4.4 (feit 1 subsidiair) ongeveer anderhalve kilometer bedraagt, zodat het rijgedrag van verdachte ter hoogte van hectometerpaaltje 5.9 niet wezenlijk anders kan zijn geweest dan het rijgedrag ter hoogte van hectometerpaaltje 4.4.
Bewezenverklaring feit 3
Niet ter discussie staat dat verdachte, als beginnend bestuurder, op 4 november 2024 op de N997 (tussen Delfzijl en Holwierde) in zijn auto heeft gereden onder invloed van alcohol (1,66 milligram ethanol per milliliter bloed) en cocaïne (83 microgram per liter bloed). De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Bewezenverklaring feit 4
Vast staat dat verdachte op 4 november 2024 op de N997 ter hoogte van hectometerpaaltje 5.9 (Holwierde) een verkeersongeval heeft veroorzaakt door (op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer) met zijn auto tegen de linker achterzijde van de bestelauto van de heer [slachtoffer 2] te rijden en dat daardoor schade aan die bestelauto is ontstaan. Gelet op het korte bonkende geluid dat volgens aangever [slachtoffer 2] tijdens de aanrijding te horen was, is de rechtbank van oordeel dat ook verdachte (in ieder geval) redelijkerwijs moest vermoeden dat er een aanrijding had plaatsgevonden. Verdachte heeft desondanks de plaats van het ongeval direct verlaten. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht voornoemde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 4 november 2024 te Delfzijl, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een Audi A3, daarmede rijdende over de weg, te weten de N997 ter hoogte van hectometerpaal 4.4, in de richting Delfzijl, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,
  • als beginnend bestuurder,
  • terwijl hij onder invloed was van alcohol, te weten 1,66 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed en cocaïne, te weten 83 microgram per liter bloed, in elk geval hoger dan 10 microgram cocaïne per liter bloed, en
  • met een snelheid van ten minste 96 km/uur en maximaal 126 km/uur te rijden, en
  • gedurende 500 meter met zijn, verdachtes, gehele voertuig op de weg van het tegemoetkomende verkeer te rijden en
  • (vervolgens) geen rekening te houden met andere weggebruikers en niets te doen om ongevallen te voorkomen en (vervolgens) frontaal op het voertuig van voorgenoemde [slachtoffer 1] te botsen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur van de linkerknie en rechterbeen en een gebroken teen en (meerdere) gebroken ribben en verwondingen op handen en hoofd, werd toegebracht, zulks terwijl hij verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en/of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
2
hij op 4 november 2024 in Nederland, als bestuurder van een voertuig (te weten een auto, Audi A3), daarmee rijdende op de weg, te weten de N997 ter hoogte van hectometerpaal 5.9, in de richting Delfzijl, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door:
  • terwijl hij, als beginnend bestuurder, onder invloed was van alcohol, te weten 1,66 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed en cocaïne, te weten 83 microgram per liter bloed, in elk geval hoger dan 10 microgram cocaïne per liter bloed,
  • met een hogere snelheid dan aldaar toegestaan en verstandig is, te rijden en
  • gedurende enige tijd, met zijn, verdachtes, gehele voertuig op de weg van het tegemoetkomende verkeer te rijden en
  • (vervolgens) geen rekening te houden met andere weggebruikers en niets te doen om een ongeval te voorkomen, door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;
3
hij op 4 november 2024 in Nederland, een voertuig, te weten een auto (Audi A3), heeft bestuurd, na
gebruik van in artikel 2 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed
-83 microgram cocaïne per liter bloed en
-1,66 milligram ethanol per milliliter bloed bedroeg, in elk geval telkens een hoger gehalte dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde;
4
hij, als degene die al als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Nederland, op de N997 ter hoogte van hectometerpaal 5.9, op 4 november 2024, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer 2] ) schade was toegebracht.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1 subsidiair:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet.
feit 2:
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 3
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 4:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een eendaadse samenloop tussen feit 1 subsidiair
en feit 3 en van een eendaadse samenloop tussen feiten 2, 3 en 4. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij het bepalen van (de hoogte van de) straf.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om verdachte geen langdurige gevangenisstraf op te leggen, zoals door de officier van justitie is geëist. Een taakstraf, eventueel in combinatie met een (grotendeels) voorwaardelijke gevangenisstraf, acht de raadsman passend. De raadsman heeft hiertoe gewezen op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is bij het ongeval ernstig gewond geraakt.
Daarnaast is bij hem PTSS vastgesteld. Verdachte heeft voorts na het ongeval vrijwillig hulp gezocht voor zijn verslavingsproblematiek en hij is gemotiveerd om de positieve weg die hij is ingeslagen, te blijven bewandelen. Hij heeft zich daarom gemeld bij Het Jongerenpunt070 voor ondersteuning bij het zoeken van passend werk. Verdachte heeft ook niet eerder in detentie verbleven. Tot slot zal de verzekeraar de forse financiële schade van het ongeval op verdachte gaan verhalen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van 5 november 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie (het strafblad) van 12 februari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Op 4 november 2024 heeft verdachte door roekeloos rijgedrag twee verkeersongevallen veroorzaakt. Verdachte reed die avond, onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol en cocaïne, met een te hoge snelheid op de N997 (tussen Holwierde en Delfzijl). Op enig moment is hij op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer terechtgekomen. Op waarschuwingssignalen van een andere weggebruiker reageerde hij niet. Deze weggebruiker is daarop ter hoogte van hectometerpaaltje 5.9 de berm ingereden om een aanrijding te voorkomen. Verdachte heeft desondanks bij het passeren de linker achterzijde van de bestelauto van die weggebruiker geraakt. De bestelauto is daardoor beschadigd geraakt. Verdachte is na deze aanrijding doorgereden en is met onverminderde snelheid op de voor hem verkeerde weghelft blijven rijden. Ter hoogte van hectometerpaaltje 4.4 is hij vervolgens frontaal op de
auto van de heer [slachtoffer 1] gebotst. Met zijn rijgedrag heeft verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht en onaanvaardbare risicos genomen, niet alleen voor hemzelf, maar ook voor zijn medeweggebruikers. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.
Als gevolg van het ongeval heeft de heer [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel opgelopen en tot op de dag van vandaag, vijftien maanden na het ongeval, kan hij zijn normale dagelijkse bezigheden niet (volledig) uitoefenen. Het is op dit moment onduidelijk of hij in de toekomst volledig zal herstellen. Zijn leven is in een split second totaal veranderd. Iets waar hij niet om heeft gevraagd. Uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring blijkt hoe groot de impact is die het ongeval nog dagelijks op hem en zijn naasten heeft.
Het strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een verkeersfeit. De omstandigheid dat de verdachte hieruit geen lering heeft getrokken, en het bewezenverklaarde feit zelfs heeft gepleegd tijdens de proeftijd van die eerdere veroordeling, weegt de rechtbank in zijn nadeel mee bij de strafoplegging.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank stelt voorop dat het ongeval ook grote gevolgen heeft gehad voor verdachte: ook hij is ernstig gewond geraakt. Zo heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij meerdere ribben had gebroken, dat zijn ruggenwervel was verschoven, dat zijn kaak was gebroken en dat zijn tong was gescheurd. Ook kreeg hij last van nachtmerries en angsten. Verdachte heeft ter terechtzitting voorts verklaard dat hij, mede door zijn drugsverslaving en het ongeval, een zware periode achter de rug heeft en dat hij zijn leven thans redelijk op de rit heeft. Hij gebruikt geen alcohol en drugs meer, is behandeld voor PTSS gerelateerde klachten en het contact met zijn familie is hersteld. Verdachte heeft daarnaast geen contact meer met zijn vroegere, negatieve, sociale netwerk en zijn schulden zijn, met behulp van zijn vader, grotendeels afgelost. Verdachte wil graag aan het werk en, op de langere termijn, een eigen woning. Ook uit het reclasseringsrapport volgt niet dat er thans zorgwekkende problematiek op de leefgebieden van verdachte bestaat. De rechtbank zal bij het bepalen van de (hoogte van de) straf daarom rekening houden met de positieve wending die verdachte aan zijn leven lijkt te hebben gegeven.
Tegelijkertijd kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat verdachte het kwalijke van zijn handelen nog niet (volledig) inziet. Verdachte lijkt zichzelf vooral als slachtoffer te zien. Ook lijkt hij zich niet goed te kunnen inleven in de gevolgen die het ongeval voor de heer [slachtoffer 1] heeft gehad. Dit baart de rechtbank zorgen voor de toekomst.
Oriëntatiepunten
De rechtbank constateert dat voor het veroorzaken van een verkeersongeval door roekeloos rijgedrag geen oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) bestaan. Bij het bepalen van de (hoogte van de) straf heeft de rechtbank daarom gelet op de oriëntatiepunten voor het met een zeer hoge mate van schuld veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij tevens sprake is van fors alcoholgebruik en waarbij het slachtoffer als gevolg van dat ongeval zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De oriëntatiepunten nemen in een dergelijk geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaren tot uitgangspunt. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.
De straf
Gelet op het hiervoor overwogene, waarbij in het bijzonder rekening is gehouden met de aard en ernst van de feiten, de omstandigheid dat sprake is van relevante recidive en het gegeven dat verdachte onderhavige feiten heeft gepleegd tijdens de proeftijd van deze eerdere veroordeling, is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op zijn plaats is. Tegelijkertijd ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, een deel van die gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Dit voorwaardelijke strafdeel dient als stok achter de deur, teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen en om te bevorderen dat verdachte blijft nadenken over zijn verantwoordelijkheid om op een veilige en verantwoorde wijze aan het verkeer deel te nemen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden.
Daarnaast zal de rechtbank verdachte, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur van 4 jaren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 26 september 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een geheel voorwaardelijke hechtenis van vier weken, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 11 oktober 2023. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 12 februari 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Standpunt officier van justitie
Ter terechtzitting van 2 maart 2026 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij toewijzing van de vordering de hechtenis om te zetten in een taakstraf. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat een detentie de positieve weg die verdachte reeds is ingeslagen, zal doorkruisen.
Oordeel van de rechtbank
De hiervoor onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. Nu de veroordeling waarvoor de voorwaardelijke straf is opgelegd een soortgelijk feit betreft als de feiten waarvoor verdachte thans wordt veroordeeld, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
-
Een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
-
Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen - bromfietsen daaronder begrepen - voor de duur van 4 jaren.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

96.240480-22:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 26 september 2023, te weten: vier weken hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.R. Eising, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. S.T. Kooistra, rechters, bijgestaan door mr. K. Bodewes, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 maart 2026.
Mr. Kooistra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde
opsporingsambtenaren opgemaakt. De genoemde paginas bevinden zich - tenzij anders aangegeven in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024304620 d.d. 5 april 2025. Ieder bewijsmiddel is gebruikt voor het feit waar het blijkens zijn inhoud op ziet. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 maart 2026 en het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 5 december 2024, pagina 78.
2 Het proces-verbaal van aangifte d.d. 4 november 2024, pagina 53 en 54.
3 Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 december 2024, pagina 69 en 70.
4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 december 2024, pagina 59.
5 Het proces-verbaal rijden onder invloed, d.d. 25 februari 2025, pagina 45
6 Een deskundigenrapport afkomstig van het Maasstad Ziekenhuis, MaasstadLab, zaaknummer
923240713890, d.d. 23 december 2024, opgemaakt door T.M. Bosch, op de door hem afgelegde algemene belofte, pagina 52.
7 Het proces-verbaal van Forensisch onderzoek plaats delict d.d. 3 maart 2025, pagina 24.
8 Het proces-verbaal van Forensisch onderzoek plaats delict d.d. 3 maart 2025, pagina 35.
9 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 november 2024, pagina 62 en het proces-verbaal van
bevindingen d.d. 11 december 2024, pagina 64.
10 Het proces-verbaal van Forensisch onderzoek plaats delict d.d. 3 maart 2025, pagina 35 en 36.
11 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 5 december 2024, pagina 76.
12 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 5 december 2024, pagina 79.
13 HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:119:ZD0139. Zie ook: HR 5 december 2006,
ECLI:NL:HR:2006:AZ1668, NJ 2006, 663.
14 Het proces-verbaal van Forensisch onderzoek plaats delict d.d. 3 maart 2025, pagina 24.
15 Een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 1] , opgemaakt en ondertekend op 8 januari 2025.