ECLI:NL:RBNNE:2026:812

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
LEE26/638
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 2 Wegenverkeerswet 1994Art. 130 lid 1 Wegenverkeerswet 1994Art. 131 lid 1 onder b Wegenverkeerswet 1994Art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrechtArt. 134 lid 2 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen ongeldigverklaring rijbewijs wegens alcoholmisbruik

Verzoeker is aangehouden met een alcoholpromillage van 2,346% en het CBR heeft na een psychiatrisch onderzoek het rijbewijs ongeldig verklaard wegens alcoholmisbruik. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening, stellende dat het besluit de belangenafweging in de strafprocedure doorkruist en dat het psychiatrisch rapport niet concludent is.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het CBR zich terecht baseert op het rapport van de psychiater, waarin op zorgvuldige wijze de diagnose alcoholmisbruik is gesteld. Verzoeker heeft onvoldoende onderbouwd dat het rapport gebreken vertoont of niet concludent is, en heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot een tweede onderzoek.

Verder is de ongeldigverklaring een bestuurlijke maatregel die geen ruimte laat voor een afzonderlijke belangenafweging, omdat de verkeersveiligheid zwaarder weegt dan het persoonlijke belang bij het rijbewijs. De voorzieningenrechter ziet geen reden om het bezwaar als kansrijk te beschouwen en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.G.D. Overmars en griffier H.L. Brandes-Boers op 10 maart 2026 te Groningen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de ongeldigverklaring van het rijbewijs wegens alcoholmisbruik wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/638

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[naam 1 uit woonplaats] , verzoeker

en

Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder

(gemachtigde: J.J. Kwant ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de ongeldigverklaring van het rijbewijs van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 4 februari 2026 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard vanaf 11 februari 2026. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het CBR. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit
3. Op 4 december 2025 is verzoeker aangehouden door de politie-eenheid Noord-Nederland als bestuurder van een voertuig dat betrokken was bij een verkeersongeval. Tegen verzoeker is daarna proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw). Het gemeten alcoholpromillage was 2,346%. De politie heeft het rijbewijs ingevorderd [1] en naar de officier van justitie gezonden. Aan het CBR is mededeling gedaan van een vermoeden dat verzoeker niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid en/of geschiktheid. [2] Verweerder heeft daarna een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid opgelegd. [3]
3.1.
Op 20 januari 2026 is naar aanleiding van het onderzoek naar de rijgeschiktheid van verzoeker een rapport opgemaakt. De keurend psychiater heeft in het rapport de diagnose alcoholmisbruik in de zin van de wet vastgesteld zoals omschreven in paragraaf 8.8 van de Regeling eisen geschiktheid 2000.
3.2.
Bij besluit van 4 februari 2026 heeft verweerder het rijbewijs van verzoeker vanaf 11 februari 2026 ongeldig verklaard. De ongeschiktheidsperiode van een jaar geldt vanaf de datum dat het alcoholmisbruik gestopt is. Dat is door de keurend psychiater vastgesteld op
5 december 2025. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 4 februari 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Wat is het standpunt van verzoeker?
4. Verzoeker stelt dat besluit van het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs de belangenafweging door de rechtbank in de strafprocedure doorkruist. Verzoeker heeft namelijk op 5 januari 2026 een klaagschrift ingediend om zijn rijbewijs terug te krijgen dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt. De rechtbank achtte in die procedure de persoonlijke belangen van klager na de duur van drie maanden niet meer ondergeschikt aan het belang van voortduring van de inhouding. Daarom heeft de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaard voor zover de inhouding van het rijbewijs van klager voortduurt na 4 maart 2026 en heeft teruggave van het rijbewijs aan klager met ingang van
4 maart 2026 gelast. Verzoeker betoogt dat het besluit van 4 februari 2026 tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, het feitelijk onmogelijk maakt om uitvoering te geven aan de rechterlijke beslissing.
4.1.
Verzoeker stelt ook dat de bevindingen in het rapport van de psychiater niet concludent zijn. De psychiater had daarom niet kunnen komen tot de conclusie dat er sprake is van ‘alcoholmisbruik in de zin van de wet’. De conclusie lijkt volgens verzoeker enkel gebaseerd te zijn op vermoedens en niet op feiten.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
5. Voor het treffen van een voorlopige voorziening moet er sprake zijn van onverwijlde spoed. [4] De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de omstandigheden van dit geval maken dat spoedeisendheid kan worden aangenomen.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
6. De voorzieningenrechter geeft het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen, in die zin dat het bezwaar ertoe zal leiden dat hij wel rijgeschikt zal worden bevonden. Hij overweegt daartoe het volgende.
7. Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als uit het onderzoek naar de rijgeschiktheid blijkt dat verzoeker niet voldoet aan de eisen voor het besturen van een motorvoertuig. [5] In dit geval is door een psychiater geconcludeerd dat er voldoende aanwijzingen zijn om bij verzoeker de diagnose alcoholmisbruik te stellen. Volgens de wet- en regelgeving is verzoeker dan niet geschikt om te rijden en moet het rijbewijs ongeldig worden verklaard. [6]
7.1.
Het CBR baseert zich op de conclusies van de psychiater in het rapport van
20 januari 2026. Volgens vaste rechtspraak mag het CBR afgaan op zo’n rapport, nadat is nagegaan of het rapport op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de rapporten, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren zijn gebracht, mag het CBR hier niet zonder nadere motivering op afgaan. [7]
7.2.
De diagnose alcoholmisbruik is door verweerder gebaseerd op een aantal argumenten. In het rapport is het volgende aangegeven.
Betrokkene had een alcoholpromillage van 2,346%. Hij was dus in staat om door te drinken tot een zeer hoog en toxisch gehalte. Iemand die niet gewend is om tot hoge promillages alcohol te drinken zal in een veel eerder stadium stoppen met alcoholinname. Ondanks het hoge promillage was betrokkene nog in staat om eenvoudige bestuurdershandelingen te verrichten. Dit is een sterke aanwijzing voor een verhoogde tolerantie voor alcoholmisbruik, en is een indicatie voor een voorgaande periode van overmatig alcoholmisbruik. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat betrokkene zich bewust was van het feit dat doordrinken en daarna nog een motorvoertuig besturen kon leiden tot verlies van het rijbewijs en tot ernstige problemen op het gebied van werk en sociale verplichtingen. Ondanks dit besef kon betrokkene zich kennelijk onvoldoende beheersen. Onderrapportage van het normale alcoholgebruik is aannemelijk vanwege de discrepantie tussen de hiervoor beschreven tolerantie enerzijds en de algemene alcoholanamnese anderzijds. Er is ook een opvallende discrepantie tussen het betrekkelijk normale drinkpatroon dat betrokkene aangeeft en het alcoholgebruik op de dag van de aanhouding. Op de dag van de aanhouding heeft hij tot een zeer hoog promillage doorgedronken. Het is niet aannemelijk dat er binnen een sociaal drinkpatroon zo ver wordt doorgeschoten. Een onderrapportage van het normale alcoholgebruik is waarschijnlijker.
Hoewel bovenstaande bevindingen afzonderlijk niet concludent hoeven te zijn, is juist de
combinatie suspect voor alcoholproblematiek ten tijde van de laatste aanhouding. Zeker
ook indien deze worden bezien in het licht van de duidelijk verhoogde prevalentie van
stoornissen in het gebruik van alcohol in de populatie die is aangehouden vanwege het
rijden onder invloed van alcohol. Dit overwegende dient de psychiatrische diagnose
alcoholmisbruik in de zin der wet te worden gesteld.
Betrokkene geeft aan het gebruik van alcohol sinds 5 december 2025 te hebben gereduceerd. Het laboratoriumonderzoek liet geen aanwijzingen zien voor alcoholmisbruik. Het lijkt daarom aannemelijk dat betrokkene vanaf voornoemde datum met het alcoholmisbruik is gestopt.
7.3.
Voor zover verzoeker de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin bestrijdt, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
7.4.
De diagnose alcoholmisbruik is door verweerder gebaseerd op een aantal argumenten. Verzoeker had een alcoholpromillage van 2,346%. Ondanks dit zeer hoge percentage was hij in staat om eenvoudige bestuurdershandelingen te verrichten. Dit wijst op overmatig alcoholgebruik in de voorgaande periode. De wetenschap dat hij in ernstige problemen op het gebied van werk en sociale verplichtingen zou komen bij verlies van zijn rijbewijs, heeft verzoeker er niet van kunnen weerhouden om onder invloed te gaan rijden.
7.5.
De voorzieningenrechter overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State meermaals heeft overwogen dat in geval waarin de diagnose (alcohol) misbruik is gesteld, alleen aanleiding bestaat om de ongeldigverklaring niet in stand te laten, als de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. [8]
7.6.
Verzoeker heeft zijn stelling dat de diagnose alcoholmisbruik in de zin van de wet gebaseerd is op aannames niet onderbouwd, bijvoorbeeld met een rapport van een ter zake deskundige. De voorzieningenrechter acht in dit kader van belang dat eiser ook geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid die het CBR hem heeft geboden om nog vóór diens besluitvorming een tweede onderzoek, door een andere medisch deskundige, te laten verrichten. Gelet daarop heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat het psychiatrisch rapport onvoldoende concludent is. Het CBR heeft zich daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het rapport mogen baseren.
8. Met betrekking tot het betoog van verzoeker dat het besluit van het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs de belangenafweging door de rechtbank in de strafzaak doorkruist, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
8.1.
De ongeldigverklaring van het rijbewijs is een bestuurlijke maatregel. Hiertoe wordt besloten als uit de uitslag van een daartoe ingesteld onderzoek blijkt dat de houder van het rijbewijs niet langer over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van het motorrijtuig beschikt. De maatregel wordt dus niet opgelegd op grond van het plegen van een strafbaar feit, ook al kan de verdenking van zo een feit wel de aanleiding vormen voor het eerder genoemde onderzoek. [9] Daarnaast bestaat bij het opleggen van de maatregel geen ruimte voor een afzonderlijke belangenafweging. [10] De wet- en regelgever heeft al een volledige belangenafweging gemaakt als niet aan de geschiktheidseisen wordt voldaan. Het algemeen belang van de verkeersveiligheid weegt dan, gelet op de grote gevaren die alcoholgebruik in het verkeer voor andere weggebruikers oplevert, zwaarder dan het persoonlijke belang bij het behoud van het rijbewijs. Van doorkruising van de belangenafweging door de strafrechter is daarom geen sprake.
8.2.
Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter op voorhand niet overtuigd is dat het bezwaar van verzoeker ertoe zal leiden dat er hoe dan ook geen sprake is van rijongeschiktheid. Daarom zal hij het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L. Brandes-Boers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 164 van Pro de Wvw.
2.Op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wvw.
3.Op grond van artikel 131, eerste lid, aanhef onder b, van de Wvw.
4.Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Artikel 134, tweede lid, van de Wvw.
6.Artikel 134, tweede lid, van de Wvw, artikel 27, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 en paragraaf 8.8 van de Regeling eisen geschiktheid 2000.
7.Zie bijvoorbeeld ABRvS 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:120.
9.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3205, r.o. 2.5.
10.Artikel 27, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid.