Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
het College voor Promoties van de Rijksuniversiteit Groningen (het CvP) en
predictors of Atrial Fibrillation (AF) progression, sex differences, the role of heart failure in AF and randomized trial investigating how to improve outcome in different groups of AF patients.” Dit onderzoek voert zij uit aan het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en wordt gefinancierd door het Netherlands Heart Institute. Deze uitspraak gaat over het stopzetten van dat promotietraject. [naam 1] is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit op bezwaar van het CvP van 5 februari 2025 en het rechtstreekse beroep tegen het primaire besluit van de decaan van 27 februari 2025.
Procesverloop
De besluitvorming
ius promovendi. Evenmin is in geschil dat prof. [naam 12] , prof. [naam 13] , prof. [naam 14] en dr. [naam 15] niet bereid en in staat zijn om [naam 1] te begeleiden, omdat het onderwerp niet binnen de (primaire) expertise ligt en dat, vanwege een aankomend pensioen, geen nieuwe promovendi worden aangenomen.
ge-peerrevieweden gepubliceerd. Voorts bestaat haar manuscript uit een inleiding, een conclusie en een discussie en dient alleen de discussie nog te worden afgerond. Daar staat tegenover dat de termijn waarbinnen zij zelf stelt dat de promotie had moeten worden afgerond reeds is verstreken en dat zij momenteel geen promotores heeft. Vooralsnog is niet gebleken dat, in weerwil van het bestreden besluit, binnen het UMCG een expert beschikbaar is die haar nog zou kunnen begeleiden in het promotietraject. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat in artikel 1.6 van de Whw is neergelegd dat aan de instellingen voor hoger onderwijs en aan de academische ziekenhuizen de academische vrijheid in acht wordt genomen. Ter zitting heeft het CvP daarover naar voren gebracht dat die academische vrijheid eraan in de weg staat dat promotores worden aangewezen op basis van een gezagsverhouding. Het komt de rechtbank daarom aannemelijk voor dat anderen, voor zover zij beschikken over het
ius promovendi,alleen dan de rol van promotores op zich zouden kunnen nemen als die anderen daartoe zélf in staat en bereid zijn. Het voorgaande betekent dat geen reëel en actueel belang kan worden gevonden in het voortzetten van het promotietraject, nu dit doel niet (meer) kan worden bereikt en daarmee niet (meer) van feitelijke betekenis is. Slechts omdat uit het beroepschrift volgt dat [naam 1] ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming stelt schade te hebben geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen, neemt de rechtbank procesbelang aan.
Results & Development Interviewplaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan heeft [naam 1] een formulier ingevuld, dat is ontworpen als een eigen evaluatie van haar prestaties. In plaats van dat de promotores op de daartoe bestemde plek op het formulier hebben aangeven wat hun visie is met betrekking tot de resultaten en de ontwikkeling van [naam 1] , is de tekst van [naam 1] geredigeerd. In september 2023 is de verwachting gewekt dat er intensief zou worden begeleid, aldus [naam 1] .
Results and Developmentsgesprek dat op 31 januari 2023 heeft plaatsgevonden.
Results and Developmentverslag:
slower than expectedwas. Dat was immers vermeld in het geredigeerde verslag van het gesprek dat op 31 januari 2023 heeft plaatsgevonden. Ook is aannemelijk dat zij wist, of had kunnen weten, dat volgens haar promotores, gekoerst zou moeten worden op afronding van het promotietraject in oktober 2023, gelet op hetgeen daarover is vermeld op pagina 3 en 4 van dat verslag.
no unexpected reasons why to reconsider”, zijn. De rechtbank begrijpt daaruit dat er ten tijde van het opstellen van dat verslag geen onvoorziene omstandigheden bekend waren die aanleiding zouden kunnen geven om uitstel te verlenen, waardoor [naam 1] de inleiding en de discussie ná 1 oktober 2023 zou kunnen afronden:
structuring, writing, and literature search and scientific readinggeïndiceerd is volgens [naam 5] :
de jureeen besluit op bezwaar naar aanleiding van twee bezwaarschriften is, gericht tegen twee primaire besluiten. Het had dan ook op de weg van het CvP gelegen om voor ieder bezwaarschrift een punt toe te kennen. Het CvP heeft dat echter niet gedaan, door slechts twee punten toe te kennen. Voorts stelt [naam 1] zich op het standpunt dat gelet op de buitengewoon onoverzichtelijke gang van zaken met een drietal primaire besluiten toewijzing van een extra punt op zijn plaats is. In totaal had de proceskostenvergoeding in bezwaar dan ook moeten worden vastgesteld op vier punten.
Conclusie en gevolgen
- verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 5 februari 2025 ongegrond;
- verklaart het rechtstreeks beroep tegen het primaire besluit van 27 februari 2025 ongegrond;
- wijst het verzoek af om bij wijze van voorlopige voorziening een ordemaatregel te treffen;
- bepaalt dat de decaan het griffierecht van 194, aan [naam 1] moet vergoeden;
- veroordeelt de decaan tot betaling van 1.868, aan proceskosten van [naam 1] .