ECLI:NL:RBNNE:2026:798

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
LEE 25/3188 en LEE 25/5185
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:7 AwbArt. 6:15 AwbArt. 6:22 AwbArt. 7:1a AwbArt. 8:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid stopzetting promotietraject en weigering nieuwe promotores

Eiseres is gestart met een promotietraject aan de Rijksuniversiteit Groningen gericht op onderzoek naar atriumfibrilleren. Het promotietraject werd stopgezet door het College voor Promoties (CvP) en de decaan vanwege onvoldoende wetenschappelijk niveau en het niet kunnen aanstellen van nieuwe promotores.

Eiseres maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten. De rechtbank beoordeelde of het CvP en de decaan bevoegd waren, of de besluiten zorgvuldig tot stand waren gekomen, en of eiseres procesbelang had. De rechtbank concludeerde dat het CvP terecht het promotietraject beëindigde omdat het proefschrift niet voldeed en dat er geen geschikte promotores beschikbaar waren.

De rechtbank oordeelde dat de communicatie over deadlines en consequenties voldoende duidelijk was en dat het ontbreken van een zienswijze vooraf bij het primaire besluit niet leidde tot benadeling. Ook werd geoordeeld dat eiseres procesbelang had vanwege mogelijke inkomensschade.

De rechtbank wees het beroep af, oordeelde dat het besluit deugdelijk gemotiveerd was en veroordeelde de decaan tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar en het rechtstreeks beroep tegen het primaire besluit tot stopzetting van het promotietraject ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/3188 en LEE 25/5185
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaken tussen [naam 1 uit woonplaats] , eiseres
(gemachtigden: mrs. D.J. Meijer en J.F.H. Terpstra )
en

het College voor Promoties van de Rijksuniversiteit Groningen (het CvP) en

de decaan van de Faculteit Medische Wetenschappen(de decaan), verweerders (gemachtigden: mrs. I. Feenstra en M.E. Wiltvank )
Samenvatting
1. [naam 1] is op 1 oktober 2020 gestart met een promotietraject aan de Rijksuniversiteit Groningen, waarin onderzoek wordt gedaan naar “
predictors of Atrial Fibrillation (AF) progression, sex differences, the role of heart failure in AF and randomized trial investigating how to improve outcome in different groups of AF patients.” Dit onderzoek voert zij uit aan het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en wordt gefinancierd door het Netherlands Heart Institute. Deze uitspraak gaat over het stopzetten van dat promotietraject. [naam 1] is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit op bezwaar van het CvP van 5 februari 2025 en het rechtstreekse beroep tegen het primaire besluit van de decaan van 27 februari 2025.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. [naam 1] krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij brief van 4 april 2024 is aan [naam 1] medegedeeld dat op 26 maart 2024 is gesproken over het verloop van haar promotietraject. Het gesprek vond plaats tussen prof. [naam 2] , pro decaan onderzoek, prof. [naam 3] , directeur Graduate School of Medical Sciences (GSMS), [naam 4] , vertrouwenspersoon GSMS en prof. [naam 5] en prof. [naam 6] , beiden wetenschappelijk begeleiders van het proefschrift en mr. [naam 7] , senior P&O adviseur. Zij hebben geconcludeerd dat de begeleiding van de kant van het UMCG wordt gestaakt en dat de promotie als niet afgerond zal gelden. De brief is ondertekend door [naam 5] , [naam 6] en [naam 3] .
3. Bij besluit van 5 november 2024 heeft de decaan, namens het CvP, de aanwijzing van [naam 6] en [naam 5] als promotores van [naam 1] ingetrokken. Bij brief van 12 juli 2024 heeft zij bezwaar gemaakt en verzocht andere (co)promotores aan te stellen.
3.1.
Bij besluit van 5 februari 2025 heeft het CvP het bezwaar gegrond verklaard, maar het besluit van 5 november 2024 in stand gelaten.
3.2.
Bij besluit van 27 februari 2025 heeft de decaan het verzoek van [naam 1] om nieuwe promotores aan te stellen afgewezen.
3.3.
Tegen het besluit op bezwaar van 5 februari 2025 heeft [naam 1] beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de ABRvS). Tegen het besluit van 27 februari 2025 heeft [naam 1] met toepassing van artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) en met instemming van het CvP rechtstreeks beroep ingesteld bij de ABRvS.
3.4.
Het CvP heeft een verweerschrift ingediend.
3.5. [
[naam 1] heeft nadere stukken ingediend.
3.6.
De Afdeling heeft de beroepen gelijktijdig op een zitting behandeld op 7 juli 2025.
3.7.
Bij uitspraak van 27 augustus 2025 heeft de ABRvS zich onbevoegd verklaard om van de beroepen kennis te nemen. De beroepen en de daarbij behorende stukken zijn ter behandeling doorgestuurd aan deze rechtbank, op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb.1
3.8.
Bij brief van 2 september 2025 heeft [naam 1] verzocht om versnelde behandeling.
3.9.
Bij brief van 29 oktober 2025 is aan partijen medegedeeld dat het beroep versneld behandeld zal worden en dat het is verwezen naar een meervoudige kamer.
3.10.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] en haar gemachtigden. Het CvP heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Ter zitting is vastgesteld dat zij tevens de decaan vertegenwoordigen. Zij werden vergezeld door dr. [naam 8] .
3.11.
Ter zitting is vastgesteld dat partijen beogen dat de rechtbank ook zal beslissen op het rechtstreeks beroep tegen het primaire besluit van 27 februari 2025 van de decaan, dat aanvankelijk bij de ABRvS was ingesteld.

De besluitvorming

4. Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit van het CvP van 5 november 2024 is bedoeld als een besluit zoals beschreven in artikel 6:19 van Pro de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar anders over te oordelen. Daarbij is van belang dat het CvP de inhoud van de brief van [naam 5] , [naam 6] en [naam 3] van 4 april 2024 voor zijn rekening heeft genomen. Voorts gaat het om twee geschriften die zodanig nauw zijn verweven, dat het feitelijk om één bevoegdheidsaanwending gaat, te weten het staken van de begeleiding waardoor het promotietraject van [naam 1] feitelijk is beëindigd. Het besluit van 5 november 2024 is voorts genomen op basis van dezelfde bevoegdheid en dezelfde feitelijke grondslag, terwijl bezwaar was gemaakt tegen het besluit van 4 april 2024.
De brief van 4 april 2024
4.1.
De inhoud van de brief van 4 april 2024 luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“[] dat er vanaf april 2023 een intensieve begeleiding is gestart om je te ondersteunen in het realiseren van je promotie (proefschrift). Iedere maand heb je met de beide wetenschappelijke begeleiders en in een latere fase ook in aanwezigheid van jouw vertrouwenspersoon gesproken en wel onder begeleiding van [naam 7] . De doelstelling van al deze gesprekken was om, gezien de beperkte resterende tijd van je arbeidsovereenkomst (tot 1 oktober 2023), strakke begeleiding te bieden met verduidelijkte feedback en frequentere terugkoppelingen om het gestelde doel nog mogelijk te maken. Deze wijze van begeleiding bleek nodig omdat de voortgang van je proefschrift langzaam ging, deadlines geregeld niet gehaald werden en het proefschrift van onvoldoende wetenschappelijk niveau was (en uiteindelijk ook bleef). Toen in september 2023 bleek dat de gestelde uiterste deadline niet haalbaar meer was voor je (en de arbeidsovereenkomst ook afliep) is een gastvrijheidsovereenkomst gesloten, zodat je nog door kon werken aan je proefschrift. De wetenschappelijke begeleiders, de vertrouwenspersoon en senior P&O-adviseur waren nog bereid om jou, gedurende deze gastvrijheidsovereenkomst, begeleiding te bieden tot eind januari 2024. Dan zou er een proefschrift moeten liggen dat zou voldoen aan het vereiste niveau, zodat een promotie voor de zomer van 2024 reëel kon zijn.
Helaas bleek het proefschrift in januari 2024 nog steeds niet op het vereiste wetenschappelijke niveau te verkeren en is het niet mogelijk om op basis daarvan een promotie te doen realiseren. Daar komt nog bij dat door het verloop in de tijd inmiddels ook steeds meer van het proefschrift moet worden herzien, omdat er nieuwe onderzoeken en literatuur zijn verschenen die je opnieuw zou moeten verwerken.
De conclusie van het overleg op 26 maart jl. is dat de begeleiding van de kant van het UMCG wordt gestaakt en de promotie als niet afgerond zal gelden.
Deze uitkomst is uiterst vervelend. Wij menen dat er vanuit de afdeling veel (meer dan gebruikelijk) gedaan is om met jou tot een promotie te komen, maar dat is helaas niet gelukt. []”
Het besluit op bezwaar van het CvP van 5 februari 2025
5. Het CvP heeft, voor zover hier van belang, het volgende aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd, waarbij met “uw cliënt” [naam 1] is bedoeld.
“Het College heeft de situatie van uw cliënt opnieuw beoordeeld. [] Het College heeft daarom nog een keer gekeken naar wat er ligt, maar moet constateren dat wat door uw cliënt is opgeleverd niet kwalificeert als een volledig proefschrift. Er is geen compleet discussiehoofdstuk, terwijl dit een zeer wezenlijk onderdeel is van een proefschrift. De promotores kunnen dus niet hun goedkeuring aan het proefschrift onthouden, omdat er geen proefschrift is. Wel kunnen de promotores hun begeleiding neerleggen en dat is wat er is gebeurd. Gelet op het voorgaande besluit het College om voor wat betreft de grondslag van het besluit het advies van de GAC niet te volgen. Het College heeft blijkens artikel 7.18 lid 4 van de Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (WHW) de bevoegdheid om promotores aan te wijzen. Het College stelt zich op het standpunt dat daarin tevens de bevoegdheid besloten ligt om die aanwijzing weer in te trekken en ziet dit als grondslag voor onderhavig besluit. De consequentie hiervan is dat uw cliënt geen promotores meer heeft en dientengevolge haar promotietraject niet kan voortzetten.
[]
Waar ons College het GAC-advies niet in volgt is dat er onvoldoende is gecommuniceerd over de gevolgen van het niet nakomen van de deadlines door uw cliënt en dat onvoldoende duidelijk was dat het promotietraject zou worden beëindigd. Ons College is van oordeel dat het voldoende duidelijk was voor uw cliënt dat zij volgens haar begeleiders niet voldoende presteerde en dat het werk dat was geleverd van onvoldoende kwaliteit was. Dit is onder andere terug te vinden in het verslag van het Results and Developments gesprek dat op 31 januari 2023 heeft plaatsgevonden. Op dat moment wilden de promotores de begeleiding staken, maar is op advies van de directeur van de Graduate School besloten om uw cliënt nog een kans te bieden en om alleen te werken aan de inleiding en discussie van het proefschrift. Dit proces werd ondersteund door een senior consultant van afdeling P&O als onafhankelijk gespreksleider en verslaglegger en de vertrouwenspersoon voor PhD-studenten. In de gespreksverslagen staan duidelijk de termijnen waarbinnen wordt verwacht dat uw cliënt de inleiding en discussie oplevert. Ook blijkt dat deze termijnen steeds worden verlengd. Uw cliënt was ervan op de hoogte dat de promotores nog beperkt beschikbaar waren en dat het ook voor de data en literatuur van belang was dat het promotietraject werd afgerond omdat dit anders zou moeten worden geüpdatet waardoor er nog meer vertraging zou ontstaan. De termijnen worden ook nog eens bevestigd door de directeur Graduate School in de mailwisseling met uw cliënt en de promotores.
Duidelijk was dat er eind januari 2024 een volledig proefschrift moest liggen om voor de zomer van 2024 te kunnen promoveren. Bovenstaande betekent dat er juist (veel) meer dan gebruikelijk ondersteuning is geboden en dat er concrete afspraken waren gemaakt voor afronding van het traject. Nu dit niet is gelukt, wist uw cliënt dat zij geen verdere begeleiding zou ontvangen, wat met zich meebrengt dat het niet meer mogelijk was het proefschrift af te ronden.
Het College heeft zich, gezien bovenstaande, ingespannen om toch nog een voortzetting van het promotietraject van uw cliënt mogelijk te maken, maar heeft geen geschikt alternatief kunnen vinden. Ook is uit de herbeoordeling van de situatie van uw cliënt gebleken dat de promotores zich goed bewust zijn geweest van hun taken en duidelijk met uw cliënt hebben gecommuniceerd over het verloop van het traject. Dit brengt het College tot de slotsom dat de oorspronkelijke promotores er alles aan hebben gedaan om de promotie tot een goed einde te brengen, maar dat het inhoudelijke niveau van uw cliënt onvoldoende blijft. Een alternatief voor het voortzetten van het promotietraject is ondanks uitgebreid onderzoek hiernaar niet gevonden. Het besluit van het College luidt dan dat het promotietraject van uw cliënt eindigt. []”
Het primaire besluit van de decaan van 27 februari 2025
6. Naar de rechtbank begrijpt heeft het College voor Promoties de bevoegdheid om een promotor aan te wijzen gemandateerd aan de decaan voor zover het de situatie betreft waarin de promovendus of de (co)promotor de decaan heeft verzocht om een nieuwe (co)promotor te zoeken en aan te wijzen indien tussen de promovendus en de (co)promotores om wat voor reden dan ook een onwerkbare situatie is ontstaan.2
6.1.
De decaan heeft aan het primaire besluit het volgende ten grondslag gelegd.
“Op 12 juli 2024 heeft u namens uw cliënt, mw. [naam 1] , een pro forma bezwaarschrift ingediend tegen het besluit om het promotietraject van uw cliënt stop te zetten. In dit pro forma bezwaarschrift doet u tevens het verzoek aan de decaan van de Faculteit Medische Wetenschappen om andere (co)promotores aan te stellen. Naar aanleiding van uw bezwaarschrift heeft op 18 november 2024 een hoorzitting bij de Geschillenadviescommissie (GAC) plaatsgevonden. Tijdens deze hoorzitting is afgesproken om te wachten met een reactie op uw verzoek, totdat er meer duidelijkheid zou zijn over de afloop van de bezwaarprocedure. Op 5 februari 2025 heeft het College voor Promoties (het College) van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) een besluit op bezwaar genomen. In dit besluit op bezwaar is aangeven [sic] dat onderzocht is of andere promotores aangewezen kunnen [worden], maar dat dit niet aan de orde is. Tevens heeft het College u verzocht om aan te geven of u, ondanks voorgaande, aparte besluitvorming wenst over uw verzoek inzake het aanstellen van nieuwe promotores. Op 17 februari 2025 geeft u aan dat u dit inderdaad wenst. Dit is doorgegeven aan de decaan van de Faculteit Medische Wetenschappen, en deze brief omvat dan ook het besluit van de decaan op uw verzoek.
Op uw verzoek is het Promotiereglement van de RUG van toepassing. U baseert uw verzoek op artikel
5.2
van het Promotiereglement. Deze bepaling is van toepassing in situaties waarin goedkeuring aan het proefschrift wordt onthouden door een promotor. In het geval van uw cliënt is dat niet aan de orde, omdat van een proefschrift geen sprake is. Het onthouden van goedkeuring daaraan door een promotor is dan ook niet mogelijk. Voor een verdere onderbouwing van dit punt verwijs ik naar het besluit op bezwaar van 5 februari 2025. Het voorgaande maakt dat uw verzoek is opgevat als een verzoek bedoeld in artikel 3.3 van het Promotiereglement. In dit artikel is bepaald dat er een verzoek om nieuwe promotores te zoeken en aan te stellen kan worden ingediend bij de decaan, indien er een onwerkbare situatie is ontstaan tussen de promovendus en de promotores. Dit is ter beoordeling aan de decaan en kan alleen in uitzonderlijke gevallen.
Als decaan heb ik geprobeerd om andere promotores te vinden voor uw cliënt. Daarbij zijn ook de namen van medewerkers aan de orde gekomen die uw cliënt heeft voorgesteld. Dat zijn onder meer dr. [naam 9] , dr. [naam 10] en dr. [naam 11] , maar zij zijn geen reële optie gelet op het feit dat zij geen academische aanstelling hebben en niet beschikken over het ius promovendi. Verder heb ik onderzocht of prof. [naam 12] [sic], prof. [naam 13] , prof. [naam 14] en dr. [naam 15] bereid en in staat zijn om uw cliënt te begeleiden, maar ik moet concluderen dat zij niet beschikbaar zijn. De redenen die zij hiervoor aandragen zijn dat het onderwerp niet binnen hun (primaire) expertise ligt, dat wat ze hebben gezien van uw cliënt van onvoldoende kwaliteit is waardoor er onvoldoende vertrouwen is om het promotietraject tot een goed einde te kunnen brengen en als laatste dat er vanwege aankomend pensioen geen nieuwe promovendi worden aangenomen. Buiten de afdeling cardiologie is onvoldoende expertise om dit specifieke promotietraject inhoudelijk te kunnen begeleiden. Het traject voortzetten bij een andere afdeling is derhalve geen optie.
Hoewel ik mij heb ingespannen om andere promotores voor uw cliënt te vinden, is er geen geschikte medewerker beschikbaar om uw cliënt te begeleiden in het promotietraject. Het aanwijzen van nieuwe promotores wijs ik gelet op bovenstaande af. []”
Beoordeling door de rechtbank
7. De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage.
Is de bestuursrechter bevoegd om kennis te nemen van het besluit op bezwaar van 5 februari 2025?
8. De rechtbank kwalificeert [naam 1] als “kandidaat” in de zin van het bepaalde in artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. Daarom ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of zij bevoegd is om kennis te nemen van het beroep tegen het besluit op bezwaar van 5 februari 2025. Zij komt tot de conclusie dat dit het geval is. Zij kan echter slechts beoordelen of het CvP zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het besluit om het promotietraject van [naam 1] te beëindigen niet in strijd is met voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb, de Whw of enige andere wet in formele zin zijn gesteld. De rechtbank licht hierna toe waarom dat zo is.
8.1.
Het CvP stelt zich in het besluit op bezwaar (tevens) op het standpunt dat het inhoudelijke niveau van [naam 1] onvoldoende is gebleven. Het is niet mogelijk om beroep in te stellen bij de bestuursrechter tegen een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat.3
8.2.
In het onderhavige geval bevat de heroverweging in bezwaar evenwel ook een toetsing aan voorschriften van procedurele aard die bij of krachtens de Awb of enige andere wet in formele zin zijn gesteld. Daarom is het besluit op bezwaar van 5 februari 2025 niet volledig gelijk te stellen met een besluit inhoudende de beoordeling van een kennen of kunnen zoals bedoeld in de vorige rechtsoverweging en staat beroep bij de rechtbank hier dus open.
Het geschil
9. Partijen verschillen van mening over de vraag of het CvP mocht overgaan tot de intrekking van de aanwijzing van de promotoren, althans tot het stopzetten van het promotietraject. In geschil is of het besluit op bezwaar zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat er onduidelijkheid zou bestaan over deadlines en de consequenties die het overschrijden van die deadlines zou hebben. Daarnaast is in geschil of [naam 1] de gelegenheid had moeten krijgen om een zienswijze naar voren te brengen op de voorgenomen weigering van haar verzoek om nieuwe promotores aan te wijzen en of zij in de gelegenheid had behoren te worden gesteld om zelf in gesprek te gaan met personen die mogelijk als promotores zouden kunnen fungeren.
Niet in geschil is dat voortzetting van het promotietraject buiten het UMCG om geen optie is. Evenmin is in geschil dat dr. [naam 9] , dr. [naam 10] en dr. [naam 11] niet kunnen worden aangewezen als vervangende promotores, omdat zij geen academische aanstelling hebben en niet beschikken over het
ius promovendi. Evenmin is in geschil dat prof. [naam 12] , prof. [naam 13] , prof. [naam 14] en dr. [naam 15] niet bereid en in staat zijn om [naam 1] te begeleiden, omdat het onderwerp niet binnen de (primaire) expertise ligt en dat, vanwege een aankomend pensioen, geen nieuwe promovendi worden aangenomen.
Heeft [naam 1] procesbelang bij een rechtmatigheidsbeoordeling over de bestuurlijke besluitvorming?
10. De rechtbank is van oordeel dat [naam 1] procesbelang heeft bij een rechtmatigheidsbeoordeling over de bestuurlijke besluitvorming. Zij heeft tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij inkomensschade heeft geleden omdat zij onbetaalde werkzaamheden heeft verricht op basis van een gastvrijheidsovereenkomst. Voor haar hing het verrichten van die werkzaamheden onverbrekelijk samen met een succesvolle afronding van het promotietraject. Als gevolg van de besluitvorming is daarvan geen sprake. De rechtbank licht hierna toe waarom de vraag over het procesbelang is gerezen.
Gelet op het geschil dat partijen verdeeld houdt is relevant of [naam 1] een belang heeft bij de uitkomst van de procedures. Het gaat om het antwoord op de vraag wat zij concreet met de rechtsmiddelen wil dan wel kan bereiken. Het betreft niet de vraag óf zij gelijk heeft. Het gaat erom of zij een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als zij dat zou hebben. Als een reëel en actueel belang niet langer aanwezig is, dan is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. Evenmin is procesbelang aanwezig als het alleen nog gaat om de vraag of de door verweerders gevolgde procedure in rechte stand zou houden.
10.2.
Het gaat [naam 1] om één hoofddoel. Zij wil graag haar promotietraject afronden. Volgens haar bestaat het manuscript uit een viertal onderzoeksartikelen, die alle vier zijn goedgekeurd,
ge-peerrevieweden gepubliceerd. Voorts bestaat haar manuscript uit een inleiding, een conclusie en een discussie en dient alleen de discussie nog te worden afgerond. Daar staat tegenover dat de termijn waarbinnen zij zelf stelt dat de promotie had moeten worden afgerond reeds is verstreken en dat zij momenteel geen promotores heeft. Vooralsnog is niet gebleken dat, in weerwil van het bestreden besluit, binnen het UMCG een expert beschikbaar is die haar nog zou kunnen begeleiden in het promotietraject. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat in artikel 1.6 van de Whw is neergelegd dat aan de instellingen voor hoger onderwijs en aan de academische ziekenhuizen de academische vrijheid in acht wordt genomen. Ter zitting heeft het CvP daarover naar voren gebracht dat die academische vrijheid eraan in de weg staat dat promotores worden aangewezen op basis van een gezagsverhouding. Het komt de rechtbank daarom aannemelijk voor dat anderen, voor zover zij beschikken over het
ius promovendi,alleen dan de rol van promotores op zich zouden kunnen nemen als die anderen daartoe zélf in staat en bereid zijn. Het voorgaande betekent dat geen reëel en actueel belang kan worden gevonden in het voortzetten van het promotietraject, nu dit doel niet (meer) kan worden bereikt en daarmee niet (meer) van feitelijke betekenis is. Slechts omdat uit het beroepschrift volgt dat [naam 1] ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming stelt schade te hebben geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen, neemt de rechtbank procesbelang aan.
Is het besluit op bezwaar onzorgvuldig tot stand gekomen, omdat er onduidelijkheid bestond over deadlines en de consequenties die het overschrijden van die deadlines zou hebben?
11. De rechtbank is van oordeel dat het niet aannemelijk is dat sprake is geweest van de gestelde rauwelijkse beëindiging bij brief van 4 april 2024. Dat volgt niet uit hetgeen daaraan vooraf is gegaan. Gelet op de gespeksverslagen van 9 mei 2023, 25 mei 2023, 27 juni 2023, 18 juli 2023, 5 september 2023 en 27 september 2023 is niet aannemelijk dat er redelijkerwijs onduidelijkheid heeft kunnen bestaan over de deadlines en de consequentie die het overschrijden daarvan zou hebben. Voorts volgt uit het e-mailbericht van [naam 1] , verzonden op 16 januari 2024, dat aannemelijk is dat haar promotores op die dag er geen misverstand over hebben laten bestaan dat, wat hen betreft, een succesvolle afronding van het promotietraject voor de zomer van 2024 niet langer haalbaar was. Het CvP heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de genoemde gespreksverslagen staat binnen welke termijn van [naam 1] werd verwacht dat zij de inleiding en discussie zou opleveren, dat deze termijn meermaals is verlengd en dat er eind januari 2024 een volledig proefschrift moest liggen om voor de zomer van 2024 te kunnen promoveren. Hetgeen hierover in beroep is aangevoerd slaagt daarom niet. Hierna licht de rechtbank toe hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
11.1. [
[naam 1] voert aan dat zij op de goede weg was met haar promotietraject en dat zij vóór de zomer van 2024 naar haar opvatting had kunnen promoveren indien de promotores zich niet hadden teruggetrokken. Dat het promotietraject vervolgens in april 2024 rauwelijks is beëindigd, valt daar niet mee te rijmen, aldus [naam 1] . Op 31 januari 2023 heeft een
Results & Development Interviewplaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan heeft [naam 1] een formulier ingevuld, dat is ontworpen als een eigen evaluatie van haar prestaties. In plaats van dat de promotores op de daartoe bestemde plek op het formulier hebben aangeven wat hun visie is met betrekking tot de resultaten en de ontwikkeling van [naam 1] , is de tekst van [naam 1] geredigeerd. In september 2023 is de verwachting gewekt dat er intensief zou worden begeleid, aldus [naam 1] .
Het CvP heeft in dit verband verwezen naar het verslag van het
Results and Developmentsgesprek dat op 31 januari 2023 heeft plaatsgevonden.
11.1.1.
De rechtbank is het met [naam 1] eens dat het opvallend is dat de begeleiders ervoor hebben gekozen om haar tekst te redigeren. Op basis van die geredigeerde tekst is echter wél aannemelijk dat [naam 1] en haar toenmalige promotores reeds rond die datum uiteenlopende opvattingen hadden over het verloop van haar promotietraject. Dat blijkt, bijvoorbeeld, uit onderstaande fragmenten uit dat verslag, waarbij de antwoorden in de zwarte kleur afkomstig zijn van [naam 1] en de tekst in de rode kleur afkomstig is van haar promotores.
Pagina 2:
Pagina 3:
Pagina 4:
Pagina 11:
11.1.2.
Op 24 maart 2023 heeft [naam 1] het onderstaande bericht verzonden over het geredigeerde verslag van het
Results and Developmentverslag:
11.1.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat [naam 1] redelijkerwijs op 24 maart 2023 wist, of had kunnen weten, dat haar voortgang volgens haar promotores
slower than expectedwas. Dat was immers vermeld in het geredigeerde verslag van het gesprek dat op 31 januari 2023 heeft plaatsgevonden. Ook is aannemelijk dat zij wist, of had kunnen weten, dat volgens haar promotores, gekoerst zou moeten worden op afronding van het promotietraject in oktober 2023, gelet op hetgeen daarover is vermeld op pagina 3 en 4 van dat verslag.
11.1.4.
Daarnaast heeft het CvP in het besluit op bezwaar van 5 februari 2025 verwezen naar de gespreksverslagen.
Het gespreksverslag van 9 mei 2023
Uit dit gespreksverslag volgt dat aanvankelijk 1 oktober 2023 als streefdatum werd gehanteerd waarop [naam 1] de inleiding en de discussie afgerond zou moeten hebben.
en
Het gespreksverslag van 25 mei 2023
Volgens dit gespreksverslag beslaat het tijdpad 21 weken, gerekend vanaf 25 mei 2023, zodat de streefdatum 19 oktober 2023 zou zijn:
Het gespreksverslag van 27 juni 2023
Uit dit gespreksverslag volgt dat de streefdatum niet is gewijzigd ten opzichte van de eerder gemaakte afspraken, zodat de streefdatum ligt tussen 1 oktober 2023 en 19 oktober 2023, respectievelijk de streefdatums die zijn opgenomen in de gespreksverslagen van 9 mei 2023 en 25 mei 2023:
Het gespreksverslag van 18 juli 2023
In dit gespreksverslag wordt terugverwezen naar het verslag van 9 mei 2023. Voorts is in dit gespreksverslag vermeld dat er “
no unexpected reasons why to reconsider”, zijn. De rechtbank begrijpt daaruit dat er ten tijde van het opstellen van dat verslag geen onvoorziene omstandigheden bekend waren die aanleiding zouden kunnen geven om uitstel te verlenen, waardoor [naam 1] de inleiding en de discussie ná 1 oktober 2023 zou kunnen afronden:
Het gespreksverslag van 5 september 2023
Uit dit gespreksverslag volgt dat de streefdatum is bijgesteld tot ultimo december 2023:
Het gespreksverslag van 27 september 2023
Uit dit gespreksverslag volgt dat er zorgen zijn gerezen over de mate waarin [naam 1] vooruitgang heeft geboekt in de twintig voorafgaande weken en daarenboven over het wetenschappelijk niveau, waarbij hulp met
structuring, writing, and literature search and scientific readinggeïndiceerd is volgens [naam 5] :
Uit dit gespreksverslag volgt ook dat de streefdatum is bijgesteld tot ultimo januari 2024:
11.1.5.
Daarnaast heeft [naam 1] op 16 januari 2024 per e-mailbericht, verzonden aan [naam 4] en [naam 7] het volgende geschreven.
11.2
Uit het voorgaande volgt dat het besluit op bezwaar niet onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het is niet aannemelijk dat er redelijkerwijs onduidelijkheid heeft kunnen bestaan over de deadlines en de consequentie die het overschrijden daarvan zou hebben.
Is het primaire besluit van de decaan van 27 februari 2025 op het verzoek van [naam 1] rechtmatig?
12. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 27 februari 2025, ondanks schending van artikel 4:7 van Pro de Awb, in stand kan worden gelaten. Aannemelijk is dat [naam 1] door de schending niet is benadeeld.
12.1. [
[naam 1] voert aan dat zij niet is gekend in het onderzoek van het CvP naar minder ingrijpende maatregelen, zoals het voortzetten van het promotietraject onder andere promotores. Het CvP besluit vervolgens dat dit niet mogelijk is, om uiteenlopende redenen. Zij is niet gehoord over de wijze waarop zij vindt dat haar onderzoek kan worden voortgezet en welke ondersteuning zij nog nodig heeft om tot promotie te komen. Dat getuigt al van onzorgvuldige besluitvorming en ontoereikende motivering van het bestreden besluit. Het CvP stelt voorts dat de benaderde onderzoekers niet beschikbaar waren voor begeleiding, omdat zij haar werk onvoldoende vinden. Hoe deze onderzoekers tot dit oordeel zijn gekomen, is voor [naam 1] echter een raadsel. Deze stukken maken immers geen onderdeel uit van het procesdossier en zijn ook tijdens de hoorzitting niet besproken. Voorts klopt deze argumentatie van het CvP ook niet, omdat de begeleiding tijdens het promotietraject bij uitstek bedoeld is om de kwaliteit van het onderzoek en het manuscript op voldoende niveau te brengen. Dat zij daar nu nog niet is (hetgeen zij overigens betwist, nu haar onderzoek reeds is gepubliceerd), had haar in het kader van de wijziging van haar promotores dan ook niet mogen worden tegengeworpen. Daarnaast had het op de weg van de decaan gelegen om haar in de gelegenheid te stellen om zelf te spreken met personen die als promotores zouden kunnen fungeren. Die gelegenheid heeft de decaan niet geboden. Daaruit volgt dat de decaan onvoldoende, onzorgvuldig en onvolledig onderzoek heeft verricht naar de wijze waarop het promotietraject alsnog kan worden voortgezet, hetgeen strekt tot vernietiging van zijn besluit van 27 februari 2025, aldus [naam 1] .
12.2.
Het CvP, waarvan de decaan deel uitmaakt, stelt zich op het standpunt dat het uiteraard zo is dat begeleiding bedoeld is om de kwaliteit van het onderzoek en het manuscript naar een voldoende niveau te brengen. Daar zitten echter grenzen aan. In dit geval is veel extra begeleiding geboden en is door de promotores veel meer dan gebruikelijk geïnvesteerd in het promotietraject, maar lukte het
helaas niet om een voldoende niveau te bereiken. Alvorens hun begeleiding te staken, hebben de promotores er alles aan gedaan om wel tot een succesvolle afronding van het proefschrift te komen. Op verzoek van de decaan, en overigens ook op verzoek van [naam 1] , zijn voor het besluit op bezwaar andere mogelijke promotores gevraagd te bekijken of zij het promotietraject verder kunnen begeleiden. Binnen het UMCG beschikt, buiten het oorspronkelijke promotieteam, niemand over de primaire expertise met betrekking tot het onderzoek. Om toch zo dicht mogelijk bij het onderzoeksveld te blijven, is gezocht naar een alternatief begeleidingsteam binnen de afdeling Cardiologie. In dat kader zijn meerdere gesprekken gevoerd met het afdelingshoofd van de Cardiologie en zijn diverse personen benaderd met het verzoek de begeleiding over te nemen. Helaas heeft niemand zich bereid verklaard deze taak op zich te nemen. Als redenen daarvoor werden onder andere genoemd: een gebrek aan vertrouwen in een succesvolle afronding binnen afzienbare tijd en/of onvoldoende inhoudelijke expertise. Daarbij zijn ook alle personen met een academische achtergrond die door [naam 1] zelf zijn voorgesteld, in dit proces benaderd. De stelling dat dit onzorgvuldig zou zijn, volgt het CvP niet.
12.3.
De rechtbank overweegt als volgt.
12.3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 1] niet in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze naar voren te brengen vóórdat het primaire besluit van 27 februari 2025 is genomen. In zoverre is dat besluit genomen in strijd met artikel 4:7 van Pro de Awb.
12.3.2. [
[naam 1] heeft ter zitting haar zienswijze alsnog naar voren kunnen brengen, waarna de decaan geen aanleiding heeft gezien om terug te komen van het genomen primaire besluit.
12.3.3.
De rechtbank is van oordeel dat uit de wet- en regelgeving evenmin volgt dat [naam 1] zélf in de gelegenheid had behoren te worden gesteld om met mogelijke promotores in gesprek te gaan, alvorens verweerders de besluiten hadden kunnen nemen zoals zij hebben gedaan.
Met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb zal de rechtbank het besluit, ondanks schending van artikel 4:7 van Pro de Awb, dan ook in stand laten omdat aannemelijk is dat [naam 1] door deze schending niet is benadeeld. Voor het overige is het besluit van de decaan van 27 februari 2025 deugdelijk gemotiveerd.
Heeft verweerder de hoogte van de te vergoeden proceskosten in de bezwaarfase onjuist berekend?
13. [naam 1] voert aan dat de beslissing tot het vergoeden van de proceskosten als volgt luidt: “De gemaakte proceskosten zullen wij conform het advies van de GAC aan u vergoeden.”
Primair stelt zij dat, nu het CvP spreekt over “gemaakte proceskosten” het op zijn weg had gelegen om een reële proceskostenvergoeding toe te kennen, hetgeen niet is gebeurd. Het CvP heeft slechts twee punten toegekend. Nu dit niet overeenkomt met hetgeen in het bestreden besluit wordt overwogen, dient het bestreden besluit te worden vernietigd en een reële proceskostenvergoeding in bezwaar te worden toegewezen ter hoogte van de daadwerkelijke declaraties van de gemachtigde in bezwaar.
Subsidiair stelt [naam 1] dat het bestreden besluit
de jureeen besluit op bezwaar naar aanleiding van twee bezwaarschriften is, gericht tegen twee primaire besluiten. Het had dan ook op de weg van het CvP gelegen om voor ieder bezwaarschrift een punt toe te kennen. Het CvP heeft dat echter niet gedaan, door slechts twee punten toe te kennen. Voorts stelt [naam 1] zich op het standpunt dat gelet op de buitengewoon onoverzichtelijke gang van zaken met een drietal primaire besluiten toewijzing van een extra punt op zijn plaats is. In totaal had de proceskostenvergoeding in bezwaar dan ook moeten worden vastgesteld op vier punten.
Daaraan verbindt zij de conclusie dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
13.1.
Het CvP stelt zich op het standpunt dat in de bezwaarprocedure een bezwaarschrift van [naam 1] is ontvangen en er een hoorzitting bij de Geschillenadviescommissie is geweest. Vervolgens heeft het CvP voor de berekening van de proceskosten het Besluit proceskosten bestuursrecht gevolgd. Hierin zijn de kosten die moeten worden vergoed vastgelegd. [naam 1] stelt dat de reële proceskosten moeten worden vergoed, maar het CvP ziet niet in waarom dit anders zou zijn dan de proceskosten volgend uit het Besluit proceskosten bestuursrecht. In de bezwaarprocedure heeft zij een bezwaarschrift ingediend tegen het bericht van 4 april waarin de promotores de begeleiding staken, en een pro-forma bezwaarschrift tegen het besluit van 5 november 2024 waarin de aanwijzing van de promotores door het CvP wordt ingetrokken. Het CvP is derhalve niet van oordeel dat er sprake is van twee bezwaarschriften. Ook bestaat er geen grond om een punt te moeten toekennen voor een onoverzichtelijke gang van zaken. Het CvP blijft daarmee van oordeel dat een vergoeding van de kosten op basis van twee punten juist is.
13.2.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Daartoe overweegt zij als volgt.
13.2.1.
De rechtbank volgt [naam 1] niet in haar primaire standpunt. Weliswaar is in het besluit op bezwaar de term gemaakte proceskosten gebruikt, maar de Geschillenadviescommissie heeft duidelijk geadviseerd het forfaitaire stelsel toe te passen, zoals neergelegd in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daargelaten of het gaat om één of twee bezwaarschriften, betreft het hoe dan ook samenhangende zaken die voor de toepassing van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand door de besluitgever worden beschouwd als één zaak. De rechtsmiddelen van [naam 1] zijn zowel door het bestuursorgaan als door de bestuursrechter gelijktijdig behandeld, waarin rechtsbijstand is verleend door Terpstra en Meijer die deel uitmaken van Bout Advocaten te Groningen en van wie de werkzaamheden in beide zaken nagenoeg identiek konden zijn. Er was dus voor het CvP geen aanleiding een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen.
14. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan hetgeen [naam 1] verder heeft aangevoerd.

Conclusie en gevolgen

15. De rechtbank is van oordeel dat het besluit op bezwaar niet onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het beroep daartegen zal ongegrond worden verklaard.
16. Weliswaar zou [naam 1] de gelegenheid gehad moeten hebben om een zienswijze naar voren te brengen, maar dat gebrek is gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Voor het overige is het besluit van de decaan van 27 februari 2025 deugdelijk gemotiveerd. Het rechtstreeks beroep daartegen zal ongegrond worden verklaard.
17. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding om de gevraagde ordemaatregel te treffen.
18. Omdat de rechtbank toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van Pro de Awb moet de decaan het griffierecht van 194,, aan [naam 1] vergoeden.
19. De decaan moet de proceskosten van [naam 1] vergoeden, omdat toepassing is gegeven aan artikel 6:22 van Pro de Awb in het rechtstreeks beroep tegen het primaire besluit van 27 februari 2025. Het gaat om één punt voor het indienen van het rechtsmiddel en één punt voor het bijwonen van de zitting door haar gemachtigden. De waarde per punt is 934,.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 5 februari 2025 ongegrond;
  • verklaart het rechtstreeks beroep tegen het primaire besluit van 27 februari 2025 ongegrond;
  • wijst het verzoek af om bij wijze van voorlopige voorziening een ordemaatregel te treffen;
  • bepaalt dat de decaan het griffierecht van 194, aan [naam 1] moet vergoeden;
  • veroordeelt de decaan tot betaling van 1.868, aan proceskosten van [naam 1] .
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, voorzitter, en mrs. S. Ketelaars-Mast en D. Pool, leden, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrechtArtikel 4:7
1. Voordat een bestuursorgaan een aanvraag tot het geven van een beschikking geheel of gedeeltelijk afwijst, stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:
de afwijzing zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de aanvrager betreffen, en
de afwijzing zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de aanvrager betreffen, en
[]
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 7:1a
In het bezwaarschrift kan de indiener het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, zulks in afwijking van artikel 7:1.
[]
Het bestuursorgaan kan instemmen met het verzoek indien de zaak daarvoor geschikt is. 4-6. []
Artikel 8:4
1-2. []
3. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit:
[]
inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing,
[]
[]
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoekArtikel 1.6
Aan de instellingen voor hoger onderwijs en aan de academische ziekenhuizen wordt de academische vrijheid in acht genomen.
Artikel 7.18. Verlening van de graden Doctor of Doctor of Philosophy; toegang en inrichting promotie
Het CvP voor promoties van een universiteit, de Open Universiteit of een levensbeschouwelijke universiteit is bevoegd de graden Doctor of Doctor of Philosophy te verlenen op grond van promotie. De graden Doctor en Doctor of Philosophy zijn gelijkwaardig.
Tot de promotie heeft toegang ieder:
an wie op grond van artikel 7.10a, eerste of tweede lid, de graad Master is verleend; en die
als proeve van bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van de wetenschap een proefschrift heeft geschreven dan wel een proefontwerp heeft vervaardigd, en
heeft voldaan aan de eisen, gesteld in het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.
3. In bijzondere gevallen kan Het CvP voor promoties personen die voldoen aan het tweede lid onder b en c maar niet voldoen aan dat lid onder a, tot de promotie toegang verlenen.
4. Voor elke promotie wijst Het CvP voor promoties een promotor aan. Als promotor kunnen worden aangewezen een hoogleraar of, voor zover aan diegene de graad Doctor of Doctor of Philosophy is verleend, een ander personeelslid van een universiteit, een levensbeschouwelijke universiteit of de Open
Universiteit dat naar het oordeel van Het CvP voor promoties over voldoende bekwaamheid beschikt om als promotor op te treden. De promotie vindt plaats ten overstaan van dit college of van een commissie, door Het CvP samen te stellen uit hoogleraren en andere personen ten aanzien van wie het heeft geoordeeld dat zij over voldoende bekwaamheid beschikken om in de commissie zitting te hebben, met inachtneming van het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement.
5-6. []
Artikel 7.19. Promotiereglement; eredoctoraat
1. Met inachtneming van het daaromtrent bij deze wet bepaalde stelt Het CvP voor promoties het promotiereglement vast. In dat reglement worden geregeld:
de gang van zaken met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en met betrekking tot de promotie zelf, daaronder begrepen de taak en bevoegdheden van ieder die bij de promotie is of kan worden betrokken,
de voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen die zich met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en de promotie zelf kunnen voordoen, en
indien van toepassing, de gang van zaken met betrekking tot artikel 7.18, zesde lid.
[]
Promotiereglement van de Rijksuniversiteit GroningenArtikel 3.1 Aanwijzing promotor
Na aanwijzing van de promotores door middel van de ondertekening van het Training en Supervisie Plan als bedoeld in artikel 2.3 draagt de decaan zorg voor registratie in Hora Finita van de namen van de promotores. De aanwijzing van de promotor betreft tenminste één hoogleraar van de RUG of een gepromoveerde universitair hoofddocent aan wie het ius promovendi is toegekend. Daarnaast kunnen één of twee hoogleraren van een andere Nederlandse dan wel buitenlandse universiteit als promotor worden aangewezen. De eerste promotor is verbonden aan de RUG en is werkzaam bij de faculteit waar de promovendus onderzoek verricht. Indien een beoogde (tweede/derde) promotor een hoogleraar is afkomstig van een buitenlandse instelling van wetenschappelijk onderwijs zal de decaan een nader onderzoek instellen alvorens tot aanwijzing over te gaan.
Indien er bij de faculteit waar de promovendus het onderzoek verricht geen promotor kan worden gevonden, dan kan de decaan een eerste promotor verbonden aan een andere faculteit aanwijzen.
Artikel 3.3 Verzoek om nieuwe promotor
Indien er tussen de promovendus en de (co)promotores om wat voor reden dan ook een onwerkbare situatie is ontstaan, kan de promovendus of de (co)promotor aan de decaan verzoeken om een nieuwe (co)promotor te zoeken en aan te wijzen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen en is ter beoordeling aan de decaan.
Artikel 13.3 Beslissing College voor Promoties
Het CvP voor Promoties brengt binnen vier weken na ontvangst van het advies, doch uiterlijk binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift zijn beslissing schriftelijk en gemotiveerd ter kennis van de indiener van het bezwaarschrift en andere betrokken partijen.
Indien de beslissing op bezwaar afwijkt van het advies van de commissie als bedoeld in artikel 13.2, vijfde lid, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld, in alle gevallen wordt het advies van de commissie en het verslag van de hoorzitting met de beslissing meegezonden.
Artikel 13.4 Beroep
Tegen een besluit van Het CvP voor Promoties, als bedoeld in artikel 13.3, eerste lid, kan een belanghebbende binnen zes weken nadat het besluit aan de indiener van het bezwaarschrift bekend is gemaakt beroep instellen bij de rechtbank, voor zover op grond van de Algemene wet bestuursrecht tegen de bestreden beslissing beroep kan worden ingesteld. Het besluit op bezwaar vermeldt de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de rechter.
2 . Artikel 7.18, vierde lid, van de Whw, gelezen in combinatie met artikel 3.3 van het Promotiereglement
van de Rijksuniversiteit Groningen.
3 . Gelet op het bepaalde in artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, gelezen in samenhang
met artikel 7:1 van Pro die wet.