ECLI:NL:RBNNE:2026:714

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
11448544 CV EXPL 24-8330
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:262 BWArt. 7:207 BWArt. 7:204 BWArt. 7:218 BWArt. 7:224 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurprijsvermindering wegens vocht- en schimmelgebreken in woonruimte

Tussen verhuurder en huurder is een huurovereenkomst gesloten voor een woonruimte met een kale huurprijs van €800 per maand. De huurder meldde vocht- en schimmelgebreken in diverse ruimtes, waarop de huurcommissie een tijdelijke huurprijsverlaging van 60% toekende. Verhuurder betwistte de gebreken en stelde dat de huurder nalatig was in onderhoud, waardoor de gebreken zouden zijn ontstaan.

De kantonrechter oordeelde dat verhuurder onvoldoende had bewezen dat de vocht- en schimmelplekken aan de huurder toe te rekenen waren. De rapportage van de huurcommissie en de omstandigheden wezen op gebreken die voor rekening van verhuurder kwamen. De huurprijsvermindering werd daarom toegewezen, maar beperkt tot 40% in plaats van 60%, rekening houdend met de mate van hinder.

De vordering van verhuurder tot schadevergoeding wegens vermeende onjuiste oplevering werd afgewezen, omdat niet was aangetoond dat de huurder aansprakelijk was voor de schade. De borgsom van €1.650 werd aan de huurder terugbetaald met wettelijke rente. Verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Huurprijsvermindering van 40% toegewezen, schadevergoeding afgewezen, borgsom terugbetaald.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 11448544 \ CV EXPL 24-8330
Vonnis van 10 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. N. Hollander,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. F.H. Kappelhof.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding (inclusief producties);
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie (inclusief producties);
- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie (inclusief producties);
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
- de conclusie van dupliek in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis (nader) bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Tussen [eiser] als verhuurder en [gedaagde] als huurder is met ingang van 1 juni 2023 een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de woonruimte aan [het gehuurde] (hierna: het gehuurde). Overeengekomen is een maandelijks door [gedaagde] te betalen (kale)huurprijs van € 800,00.
2.2.
Op 5 juni 2023 heeft [gedaagde] een waarborgsom van € 1.650,00 aan [eiser] betaald.
2.3.
[gedaagde] heeft in een brief van 25 december 2023 bij [eiser] gemeld dat sprake is van gebreken in het gehuurde.
2.4.
Op 20 maart 2024 heeft [gedaagde] de huurcommissie verzocht om de huurprijs voor de woonruimte tijdelijk te verlagen vanwege verminderd woongenot wegens ernstige onderhoudsgebreken.
2.5.
De huurcommissie heeft op 17 juni 2024 een voorbereidend onderzoek in het gehuurde laten verrichten. Hiervan heeft de rapporteur een rapport opgemaakt. Volgens de rapporteur kent de woonruimte ernstige gebreken in de categorie C, bestaande uit (samengevat) ernstige vocht- of schimmelplekken als gevolg van optrekkend of doorslaand vocht in het toilet, de hal, de bijkeuken en de woonkamer. Volgens de rapporteur kan dit leiden tot een tijdelijke verlaging tot 40% van de geldende huurprijs
2.6.
De huurcommissie heeft in de uitspraak, verzonden op 5 augustus 2024, onder zaaknummer 2314056G op het verzoek van [gedaagde] beslist en de geldende huurprijs vanaf 1 juli 2023 tijdelijk verlaagd tot € 320,00 per maand. Dat is een huurprijsvermindering van 60%. De verlaging geldt in verband met de volgende gebreken:
“ Ter plaatse van het gestuukte schuurwerkplafond in het toilet is sprake van lekkage. de aanwezige vochtplekken zijn vochtig gemeten. Dit is een gebrek in de categorie C (nummer 9).
 In de hal en de bijkeuken zijn ter plaatse van het plafond meerdere vochtplekken geconstateerd. De vochtplekken zijn vochtig gemeten. Dit is een gebrek in de categorie C (nummer V2).
 De vochtplekken die als gevolg van optrekkend/doorslaand vocht aanwezig zijn in de woning hebben te gelden als gevolgschade. Deze gevolgschade is een gebrek in de categorie C (nummer 8)”
2.7.
De huurovereenkomst is geëindigd op 1 september 2024.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert, samengevat, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren voor recht dat er geen grond bestaat voor huurverlaging op grond van gebreken aan het gehuurde;
II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 9.853,48, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;
III. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[gedaagde] vordert, samengevat, om bij vonnis, [eiser] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van € 1.650,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis. [gedaagde] vordert [eiser] eveneens te veroordelen in de proceskosten.
3.5.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
Partijen zijn niet langer gebonden aan de uitspraak van de huurcommissie
4.1.
Artikel 7:262 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat wanneer de huurcommissie op een verzoek van de huurder of verhuurder uitspraak heeft gedaan, zij geacht worden te zijn overeengekomen wat in die uitspraak is vastgesteld, tenzij een van hen binnen acht weken nadat aan hen afschrift van die uitspraak is verzonden, een beslissing van de rechter heeft gevorderd over het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak is gevraagd. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 april 2021 bepaald dat wanneer een van partijen tijdig een vordering als bedoeld in artikel 7:262 lid 1 BW Pro instelt, partijen in het geheel niet meer gebonden zijn aan de uitspraak van de huurcommissie. [1]
4.2.
De uitspraak van de huurcommissie is verzonden op 5 augustus 2024. De dagvaarding is op 27 september 2024 aan [gedaagde] betekend, zodat [eiser] zich binnen genoemde termijn van acht weken tot de kantonrechter heeft gewend. De binding van partijen aan de uitspraak van de huurcommissie is derhalve in zijn geheel komen te vervallen. De kantonrechter dient de zaak daarom in volle omvang te beoordelen.
De standpunten van partijen
4.3.
[eiser] kan zich niet vinden in de uitspraak van de huurcommissie. Volgens [eiser] is weliswaar sprake van vocht- en schimmelplekken in het gehuurde, maar zijn deze problemen toe te rekenen aan [gedaagde] . [eiser] vindt daarom dat geen sprake is van gebreken en dat [gedaagde] geen recht heeft op huurprijsvermindering. Ook stelt [eiser] dat [gedaagde] het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst niet op de juiste wijze heeft opgeleverd. [eiser] vordert in dat verband een schadevergoeding van € 9.853,48.
4.4.
[gedaagde] kan zich grotendeels vinden in de uitspraak van de huurcommissie en is van mening dat de huurcommissie terecht heeft geoordeeld dat sprake is van (ernstige) gebreken en dat zij aanspraak kan maken op huurprijsvermindering. [gedaagde] betwist in dit verband dat de vocht- en schimmelproblemen in de woning door haar nalatigheid zijn veroorzaakt. Anders dan de huurcommissie heeft geoordeeld is [gedaagde] van mening dat ook de kozijnen en deuren gebrekkig zijn en huurprijsvermindering rechtvaardigen. Verder betwist [gedaagde] dat zij een schadevergoeding verschuldigd is wegens onjuiste oplevering van het gehuurde.
Het wettelijk kader van huurprijsvermindering
4.5.
De kantonrechter zal allereerst beoordelen of [gedaagde] aanspraak kan maken op huurprijsvermindering. In dat kader stelt de kantonrechter voorop dat in artikel 7:207 lid 1 BW Pro is bepaald dat een huurder in geval van vermindering van het huurgenot als gevolg van een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs kan vorderen. Deze huurprijsvermindering geldt vanaf de dag waarop de huurder van het gebrek behoorlijk kennis heeft gegeven aan de verhuurder (of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was) tot de dag waarop het gebrek is verholpen.
4.6.
Een gebrek is volgens artikel 7:204 lid 2 BW Pro een staat of eigenschap van de woonruimte of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de woonruimte aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden soortgelijke woonruimte. In het Gebrekenboek van de huurcommissie is nader gespecificeerd wanneer sprake is van een (ernstig) gebrek. Hoewel de kantonrechter daaraan formeel niet gebonden is, zal de kantonrechter het Gebrekenboek als uitgangspunt nemen.
Er is sprake van gebreken
4.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is (geweest) van vocht- en/of schimmelplekken in het toilet, de hal, de bijkeuken en de woonkamer van het gehuurde. [eiser] heeft ook niet betwist dat dit het woongenot van [gedaagde] substantieel heeft geschaad. Wel verschillen partijen van mening over de oorzaak van de vocht- en schimmelplekken. Die discussie is van belang voor de beantwoording van de vraag of sprake is van gebreken. Wanneer de vocht- en schimmelplekken kunnen worden toegerekend aan [gedaagde] , is immers geen sprake van gebreken en heeft [gedaagde] geen recht op huurprijsvermindering.
4.8.
[eiser] stelt dat de vocht- en schimmelplekken het gevolg zijn van nalatigheid van [gedaagde] . Volgens [eiser] heeft [gedaagde] nagelaten om de dakgoten en afvoerputjes schoon te houden, terwijl dergelijke onderhoudswerkzaamheden op grond van het Besluit kleine herstellingen voor haar rekening komen. [eiser] stelt zich op het standpunt dat als gevolg van het niet schoonhouden van de dakgoten en afvoerputjes lekkages in het gehuurde zijn ontstaan, die hebben geleid tot vocht- en schimmelplekken. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [eiser] verschillende verklaringen overgelegd.
4.9.
[gedaagde] heeft gemotiveerd weersproken dat zij de dakgoten en afvoerputjes niet heeft schoongehouden. Ook heeft [gedaagde] gemotiveerd betwist dat er een causaal verband bestaat tussen de vocht- en schimmelplekken en het vermeend niet schoonhouden van de dakgoten en afvoerputjes. [gedaagde] verwijst in dit verband naar het rapport van onderzoek van de huurcommissie, waarin de rapporteur heeft geconstateerd dat sprake is van ernstige schimmelvorming en/of vochtplekken als gevolg van doorslaand of optrekkend vocht. Volgens [gedaagde] worden dergelijke gebreken niet veroorzaakt door het niet schoonhouden van dakgoten en afvoerputjes, maar door achterstallig onderhoud aan de zijde van [eiser] .
4.10.
De kantonrechter stelt voorop dat het op grond van de hoofdregel van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op de weg van [eiser] ligt om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de vocht- en schimmelplekken zijn toe te rekenen aan [gedaagde] .
4.11.
Naar het oordeel van de kantonrechter is [eiser] hierin niet geslaagd. [eiser] heeft, in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , onvoldoende onderbouwd dat de vocht- en schimmelplekken in het gehuurde zijn ontstaan doordat [gedaagde] de dakgoten en afvoerputjes niet zou hebben schoongehouden. De door [eiser] overgelegde verklaringen zijn daartoe onvoldoende. Zo blijkt uit de verklaring van [aannemersbedrijf] (hierna: [aannemersbedrijf] ) niet ondubbelzinnig dat de gestelde vervuilde dakgoten en afvoerputjes de vocht- en schimmelplekken in het gehuurde hebben veroorzaakt. [aannemersbedrijf] schrijft immers dat [eiser] haar heeft geïnformeerd dat de doorvoeren van het dak zwaar verontreinigd waren en dat dit
“naar alle schijn”heeft geleid tot lekkage en vochtproblemen in de woning. Ook schrijft [aannemersbedrijf] dat de oorzaak van het probleem
“lijkt”te zijn verholpen en dat optrekkend vocht
“met alle waarschijnlijkheid”nooit een rol heeft gespeeld bij de vochtproblemen. Deze bewoordingen laten ruimte voor twijfel en overtuigen de kantonrechter daarom niet. Daar komt bij dat uit de verklaring van [aannemersbedrijf] blijkt dat zij de vochtproblemen in de woning in eerste instantie toeschreef aan optrekkend vocht, wat aansluit bij de bevindingen van de huurcommissie. [aannemersbedrijf] heeft echter niet nader onderbouwd waarom optrekkend vocht volgens haar bij nader inzien als oorzaak van de vocht- en schimmelplekken moet worden uitgesloten.
4.12.
Ook de overige overgelegde verklaringen kunnen [eiser] niet baten. Uit de verklaring van [naam 1] blijkt in het geheel niet dat de vocht- en schimmelproblemen zijn toe te rekenen aan [gedaagde] . [naam 2] (hierna: [naam 2] ) heeft weliswaar verklaard dat hij de afvoerputjes op of omstreeks 22 december 2023 heeft schoongemaakt en dat de problemen daarna waren opgelost, maar uit onder meer de Whatsappcorrespondentie tussen partijen blijkt dat [gedaagde] ook nadien melding heeft gemaakt van aanhoudende vochtproblemen. Zo schreef [gedaagde] op 1 januari 2024 dat het nog steeds lekte in het toilet en aan de achterzijde van de woning. Bovendien heeft de rapporteur van de huurcommissie op 17 juni 2024, ruim een half jaar later, vastgesteld dat de muren (nog steeds) vochtig waren. Dit wijst erop dat het schoonmaken van de afvoerputjes de vochtproblemen kennelijk niet heeft weggenomen en dat dit niet de oorzaak van de vochtproblemen is geweest. Dit geldt temeer nu sprake is geweest van langdurige vochtproblemen op verschillende plekken in de woning, die zich kort na aanvang van de huurovereenkomst hebben geopenbaard. Zelfs als vast zou komen te staan dat [gedaagde] de dakgoten en afvoerputjes onvoldoende heeft gereinigd, dan verklaart dit de vochtoverlast in deze mate en duur onvoldoende.
4.13.
Uit de verklaring van Ing. [naam 3] (hierna: [naam 3] ) blijkt evenmin dat de vocht- en schimmelplekken in het gehuurde te wijten zijn aan niet verrichten van onderhoudsverplichtingen door [gedaagde] . De verklaring van [naam 3] dateert van 18 december 2024. Dat is vier maanden na het einde van de huurovereenkomst. Dat [naam 3] op of omstreeks die datum zou hebben geconstateerd dat de dakgoten en afvoerputjes vervuild zouden zijn met mos en gras zegt niets over de toestand daarvan ten tijde van de huurovereenkomst. Daaruit kan dan ook niet worden afgeleid dat [gedaagde] haar onderhoudsverplichtingen heeft verzaakt en dat de vocht- en schimmelplekken daardoor zijn veroorzaakt. Bovendien gaat [naam 3] in zijn verklaring in het geheel niet in op wat de rapporteur van de huurcommissie heeft geschreven over optrekkend of doorslaand vocht en weerlegt dit dus ook niet. Mede gelet op het feit dat [eiser] ook eerder zelf heeft aangegeven dat de vochtproblemen aan de binnenmuren in de woning worden veroorzaakt door optrekkend vocht (zie het Whatsappbericht van 21 december 2023) had het op zijn weg gelegen om nader te onderbouwen waarom dit toch niet de oorzaak van de problemen kan zijn.
4.14.
Ook voor het overige heeft [eiser] geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat de vocht- en schimmelplekken zijn toe te rekenen aan [gedaagde] . De kantonrechter zal daarom voorbij gaan aan het door [eiser] gedane bewijsaanbod. Aan het leveren van bewijs wordt immers alleen toegekomen wanneer [eiser] zijn stellingen voldoende heeft onderbouwd en uit het voorgaande blijkt dat dit niet het geval is.
4.15.
De conclusie is dan ook dat er niet van kan worden uitgegaan dat de vocht- en schimmelproblemen in het gehuurde het gevolg zijn van het vermeend niet schoonhouden van de dakgoten en afvoerputjes door [gedaagde] . Bij die stand van zaken is sprake van een gebrek, waarvoor [eiser] als verhuurder verantwoordelijk is. Nu [eiser] het oordeel van de huurcommissie onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken staat voldoende vast dat sprake is van de door de huurcommissie genoemde gebreken, aangeduid met nummers C9, CV2 en C8. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in haar stelling dat ook de kozijnen en deuren van het gehuurde gebrekkig zijn. De rapporteur van de huurcommissie heeft namelijk geoordeeld dat de staat van de kozijnen en deuren geen gebrek vormen en [gedaagde] heeft niet onderbouwd waarom de rapporteur het bij het verkeerde eind heeft.
[gedaagde] kan aanspraak maken op huurprijsvermindering
4.16.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] recht heeft op huurprijsvermindering. Het enkele feit dat hier sprake is van gebreken in de categorie C, betekent echter niet dat de huurprijs met 60% moet worden verminderd. Op grond van artikel 6 lid 1 van Pro het Besluit huurprijzen woonruimte (Bhw) kan in zo’n geval de huurprijs namelijk met
maximaal60% worden verminderd. Voor de vraag welk percentage op zijn plaats is, moet worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval, waaronder de mate van hinder die [gedaagde] van het gebrek heeft ondervonden. De kantonrechter acht het voldoende aannemelijk dat de aanwezigheid van vocht- en schimmelplekken voor het nodige ongemak hebben gezorgd. Deze gebreken hebben namelijk een negatieve invloed op het klimaat in het gehuurde en op de gezondheid van de bewoner. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat sprake is van een zekere vermindering van het huurgenot van [gedaagde] , maar niet in de mate dat dit de in het Gebrekenboek opgenomen maximale huurverlaging tot 40% van de geldende huurprijs rechtvaardigt. Er is bijvoorbeeld niet gesteld dat er niet of nauwelijks in het gehuurde te leven was. Rekening houdend met alle omstandigheden acht de kantonrechter een huurprijsvermindering tot 60% van de geldende huurprijs passend. Dit komt neer op een vermindering van 40%.
4.17.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] voor het eerst op 25 december 2023 per brief heeft geklaagd over gebreken in het gehuurde. [gedaagde] heeft vervolgens tijdig, namelijk binnen zes maanden na het melden van de gebreken, een verzoek tot huurprijsvermindering van de huurcommissie ingediend (artikel 7:257 BW Pro). Op grond van artikel 16 lid 3 van Pro de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte kan [gedaagde] huurprijsvermindering vorderen vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarop [gedaagde] de gebreken aan [eiser] kenbaar heeft gemaakt. Dat is dus vanaf 1 januari 2024. Niet gesteld of gebleken is dat de gebreken voor het einde van de huurovereenkomst zijn verholpen. Dit betekent dat het recht op huurprijsvermindering geldt tot het einde van de huurovereenkomst (1 september 2024). De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.
De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen
4.18.
[eiser] vordert tevens een schadevergoeding van € 9.853,48 wegens onjuiste oplevering van het gehuurde door [gedaagde] . [eiser] stelt dat de muren bij oplevering beschadigd waren en niet in dezelfde staat verkeerden als bij aanvang van de huurovereenkomst. Ook zou [gedaagde] in strijd met de tussen partijen gemaakte afspraken hebben nagelaten om de door haar zoon veroorzaakte schade in het gehuurde te herstellen. [eiser] houdt [gedaagde] aansprakelijk voor herstelkosten en gederfde huurinkomsten. [gedaagde] daarentegen betwist dat zij hiervoor aansprakelijk is.
4.19.
Voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de (herstel)kosten van de vocht- en schimmelplekken in het gehuurde gaat de kantonrechter daar niet in mee. Uit het voorgaande volgt immers dat niet is vast komen te staan dat deze gebreken toerekenbaar zijn aan [gedaagde] , zodat [gedaagde] op grond van artikel 7:218 lid 1 BW Pro niet aansprakelijk is voor de schade die daardoor is ontstaan. De kantonrechter verwerpt ook het betoog van [eiser] dat [gedaagde] aansprakelijk is voor andere gestelde schades in het gehuurde, zoals overige beschadigingen op de muren of de door de zoon van [gedaagde] veroorzaakte schades. [eiser] heeft nagelaten te onderbouwen dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] deze vermeende schades bij het einde van de huurovereenkomst zou herstellen. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat bij de aanvang van de huurovereenkomst een beschrijving van het gehuurde is opgemaakt. Op grond van artikel 7:224 lid 2 BW Pro wordt [gedaagde] , behoudens tegenbewijs, daarom verondersteld het gehuurde in de toestand te hebben ontvangen zoals deze bij het einde van de huurovereenkomst was. Het ligt op de weg van [eiser] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de staat bij aanvang een andere is geweest dan bij het einde van huurovereenkomst of dat de schade zich tijdens de huurtijd heeft voorgedaan. Dat heeft [eiser] niet gedaan. De kantonrechter gaat ook in dit kader voorbij aan het door [eiser] gedane bewijsaanbod, nu hij onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die daartoe aanleiding geven.
4.20.
Al met al zal de vordering tot schadevergoeding van [eiser] worden afgewezen.
Proceskosten
4.21.
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [eiser] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
totaal
864,00
in reconventie
4.22.
[gedaagde] vordert in reconventie teruggave van de waarborgsom van € 1.650,00. [eiser] beroept zich in dit verband op verrekening met de door hem gestelde vordering op [gedaagde] . Nu uit het voorgaande volgt dat deze vordering wordt afgewezen, zal de vordering tot terugbetaling van de waarborgsom worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag is door [eiser] niet weersproken en eveneens toewijsbaar.
Proceskosten
4.23.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
217,00
(2 punten × € 217,00 x 0,5)
totaal
217,00
4.24.
Omdat de nakosten al in conventie zijn toegewezen, is er geen plaats voor toewijzing van deze kosten in reconventie. Ook in reconventie geldt dat [eiser] niet zal worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten, nu [gedaagde] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in reconventie
5.3.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 1.650,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 10 maart 2026 tot de dag van volledige betaling;
5.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 217,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Boerlage-van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
59522