ECLI:NL:RBNNE:2026:462

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
AWB_LEE_25-141
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling WOZ-waarde woning na eigen aankoop en marktsituatie

Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2023, die is vastgesteld op € 354.000. Hij stelt dat de waarde niet hoger kan zijn dan € 337.000, onder meer omdat de woning kort daarvoor voor € 310.000 is gekocht en de marktsituatie onvoldoende is meegewogen.

De rechtbank overweegt dat de waarde wordt bepaald op de prijs die een meestbiedende koper zou betalen bij een openbare verkoop. De heffingsambtenaar heeft de waarde vastgesteld op basis van vergelijkingsobjecten en een waardematrix, waarbij is meegewogen dat de woning niet openbaar te koop heeft gestaan en de transportdatum lang na de koopdatum lag. Eiser heeft deze omstandigheden niet bestreden.

De rechtbank acht de gebruikte referentieobjecten goed vergelijkbaar en vindt de gehanteerde prijs per vierkante meter niet te hoog. Eiser heeft zijn stelling over onvoldoende rekening houden met de marktsituatie niet onderbouwd met een taxatiematrix. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft de aanslag OZB in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 354.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/141
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Leeuwarden,

(gemachtigde: [naam] )

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 2 december 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres 1] (de woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum), vastgesteld op € 354.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan eiser ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Leeuwarden voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag OZB).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam 2] en [taxateur ] (taxateur). Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Feiten

2. Eiser is eigenaar van de woning. Het betreft een hoekwoning, gebouwd in 2012, met een oppervlakte van 110 m², een tuinhuis van 6 m² en twee dakkapellen. De oppervlakte van het perceel is 214 m². Eiser heeft de woning op 6 oktober 2021 gekocht voor € 310.000 (transportdatum 25 oktober 2022).

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de heffingsambtenaar de waarde van de woning niet hoger heeft vastgesteld dan de waarde in het economisch verkeer. De rechtbank doet dat aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden. Tegen de aanslag OZB zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het oordeel over de aanslag OZB volgt daarom het oordeel over de waarde.
4. Voor de beoordeling van het beroep is het bepaalde in artikel 17, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) van belang. Daarin staat dat de waarde van een onroerende zaak wordt bepaald op de waarde die aan die onroerende zaak moet worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever ‘de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding’. [1]
5. De heffingsambtenaar moet, in het licht van wat eiser heeft aangevoerd, aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar hierin geslaagd. Hieronder licht de rechtbank dit oordeel toe.
6. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar de waarde te hoog heeft vastgesteld, omdat deze niet hoger kan zijn dan € 337.000. De heffingsambtenaar houdt vast aan de door hem vastgestelde waarde van € 354.000.
6.1.
Eiser voert - samengevat - aan dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de eigen aankoop van zijn woning. Verder stelt eiser dat onvoldoende rekening is gehouden met de marktsituatie op de waardepeildatum.
6.2.
De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase ter onderbouwing van zijn standpunt een waardematrix overgelegd, waarin de waarde is bepaald op € 357.000 (€ 3.000 hoger dan de beschikte waarde) en waarin hij de verkoopcijfers van de volgende referentieobjecten heeft gebruikt:
- [adres 2] (verkocht op 28 september 2021 voor € 352.750);
- [adres 3] (verkocht op 14 mei 2022 voor € 315.000);
- [adres 4] (verkocht op 5 november 2021 voor € 325.000).
De waardebepaling
7. De rechtbank overweegt dat als een onroerende zaak kort voor of na de waardepeildatum is gekocht, ervan moet worden uitgegaan dat de waarde overeenkomt met de betaalde koopprijs, tenzij de partij die zich daarop beroept omstandigheden aannemelijk maakt waaruit volgt dat de koopsom niet die waarde weergeeft. [2] De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning terecht heeft vastgesteld aan de hand van de vergelijkingsmethode en niet op basis van de door eiser betaalde koopprijs. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat de periode tussen de verkoopdatum (6 oktober 2021) en de transportdatum (25 oktober 2022) ongebruikelijk lang is en dat de woning voorafgaand aan de verkoop niet openbaar te koop heeft gestaan, waardoor de koopsom niet marktconform is. Eiser heeft dit niet bestreden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding de heffingsambtenaar niet te volgen. De beroepsgrond van eiser met betrekking tot de eigen aankoop van zijn woning, slaagt dus niet.
8. Met de door de heffingsambtenaar overgelegde waardematrix en de door hem gegeven toelichting ter zitting, in het licht van hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft de heffingsambtenaar voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de nabijgelegen referentieobjecten, wat type, bouwjaar, kwaliteit, onderhoud, doelmatigheid en voorzieningen betreft, goed vergelijkbaar zijn met de woning van eiser en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de prijzen per m² voor de woning worden herleid vanuit de verkoopprijzen van de door de heffingsambtenaar aangevoerde referentieobjecten. De prijs per eenheid van € 2.344,90 per m² van eisers woning, die in lijn ligt met die van de referentieobjecten, acht de rechtbank niet te hoog. Eiser heeft de referentieobjecten ook niet bestreden.
9. Ten aanzien van de stelling van eiser dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de marktsituatie op de waardepeildatum, overweegt de rechtbank dat het op de weg van eiser ligt om zijn stellingen gemotiveerd te onderbouwen en de door de heffingsambtenaar gehanteerde uitgangspunten gemotiveerd te betwisten. In zijn beroepschrift heeft eiser aangegeven een onderbouwing (een taxatiematrix van Woning Waardemeesters ) over te zullen leggen voor zijn stelling dat er door de heffingsambtenaar onvoldoende rekening is gehouden met de marktsituatie. Deze nadere onderbouwing heeft eiser niet overgelegd. Deze grond slaagt dan ook niet.
10. Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woning van € 354.000 niet te hoog heeft vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beschikking in stand blijft, en daarmee de aanslag OZB ook. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van
R.H. Wolfslag, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 24 februari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.
2.Zie Hoge Raad 29 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8610.