6.2.De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase ter onderbouwing van zijn standpunt een waardematrix overgelegd, waarin de waarde is bepaald op € 357.000 (€ 3.000 hoger dan de beschikte waarde) en waarin hij de verkoopcijfers van de volgende referentieobjecten heeft gebruikt:
- [adres 2] (verkocht op 28 september 2021 voor € 352.750);
- [adres 3] (verkocht op 14 mei 2022 voor € 315.000);
- [adres 4] (verkocht op 5 november 2021 voor € 325.000).
7. De rechtbank overweegt dat als een onroerende zaak kort voor of na de waardepeildatum is gekocht, ervan moet worden uitgegaan dat de waarde overeenkomt met de betaalde koopprijs, tenzij de partij die zich daarop beroept omstandigheden aannemelijk maakt waaruit volgt dat de koopsom niet die waarde weergeeft.De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning terecht heeft vastgesteld aan de hand van de vergelijkingsmethode en niet op basis van de door eiser betaalde koopprijs. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat de periode tussen de verkoopdatum (6 oktober 2021) en de transportdatum (25 oktober 2022) ongebruikelijk lang is en dat de woning voorafgaand aan de verkoop niet openbaar te koop heeft gestaan, waardoor de koopsom niet marktconform is. Eiser heeft dit niet bestreden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding de heffingsambtenaar niet te volgen. De beroepsgrond van eiser met betrekking tot de eigen aankoop van zijn woning, slaagt dus niet.
8. Met de door de heffingsambtenaar overgelegde waardematrix en de door hem gegeven toelichting ter zitting, in het licht van hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft de heffingsambtenaar voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de nabijgelegen referentieobjecten, wat type, bouwjaar, kwaliteit, onderhoud, doelmatigheid en voorzieningen betreft, goed vergelijkbaar zijn met de woning van eiser en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de prijzen per m² voor de woning worden herleid vanuit de verkoopprijzen van de door de heffingsambtenaar aangevoerde referentieobjecten. De prijs per eenheid van € 2.344,90 per m² van eisers woning, die in lijn ligt met die van de referentieobjecten, acht de rechtbank niet te hoog. Eiser heeft de referentieobjecten ook niet bestreden.
9. Ten aanzien van de stelling van eiser dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de marktsituatie op de waardepeildatum, overweegt de rechtbank dat het op de weg van eiser ligt om zijn stellingen gemotiveerd te onderbouwen en de door de heffingsambtenaar gehanteerde uitgangspunten gemotiveerd te betwisten. In zijn beroepschrift heeft eiser aangegeven een onderbouwing (een taxatiematrix van Woning Waardemeesters ) over te zullen leggen voor zijn stelling dat er door de heffingsambtenaar onvoldoende rekening is gehouden met de marktsituatie. Deze nadere onderbouwing heeft eiser niet overgelegd. Deze grond slaagt dan ook niet.
10. Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woning van € 354.000 niet te hoog heeft vastgesteld.