6.2.De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase ter onderbouwing van zijn standpunt een waardematrix overgelegd, waarin de waarde is bepaald op € 214.000 en waarin de verkoopcijfers van de volgende referentieobjecten zijn gebruikt:
- [adres 2] (verkocht op 7 oktober 2022 voor € 215.000);
- [adres 3] (verkocht op 30 mei 2023 voor € 205.000);
- [adres 4] (verkocht op 2 februari 2022 voor € 211.500).
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de door hem in de beroepsfase overgelegde waardematrix en de door hem gegeven toelichting ter zitting, in het licht van hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de referentieobjecten, wat type, bouwjaar, kwaliteit, onderhoud, doelmatigheid en voorzieningen betreft, goed vergelijkbaar zijn met de woning van eiser en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de prijzen per m² voor de woning worden herleid vanuit de verkoopprijzen van de door de heffingsambtenaar aangevoerde referentieobjecten. De gecorrigeerde prijs per eenheid (PPE) van € 1.790,09 van de woning van eiser is, in vergelijking met de PPE’s van de referentieobjecten, niet te hoog bepaald. Met name de verkoopprijs van het naastgelegen pand aan [adres 2] , dat geen aanbouw woonruimte heeft, laat zien dat de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde niet te hoog is bepaald.
8. Ten aanzien van de stelling van eiser dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de marktsituatie op de waardepeildatum, overweegt de rechtbank dat het op de weg van eiser ligt om zijn stellingen gemotiveerd te onderbouwen en de door de heffingsambtenaar gehanteerde uitgangspunten gemotiveerd te betwisten. In zijn beroepschrift heeft eiser aangegeven een onderbouwing (een taxatiematrix van Woning Waardemeesters) over te zullen leggen voor zijn stelling dat er door de heffingsambtenaar onvoldoende rekening is gehouden met de marktsituatie. Deze nadere onderbouwing heeft eiser niet overgelegd. Deze grond slaagt dan ook niet. Het in de bezwaarfase door eiser overgelegde taxatierapport (van Eerlijke WOZ), waarbij de waarde is bepaald op € 156.000, biedt onvoldoende aanknopingspunten om de waardebepaling van de heffingsambtenaar te ontkrachten. Bovendien heeft eiser in zijn beroepschrift ook niet verwezen naar dit rapport.
9. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat onvoldoende rekening is gehouden met de kwaliteit, de staat van onderhoud en het voorzieningenniveau. De heffingsambtenaar heeft hier rekening mee gehouden door bij de KOUDV-factorenbij de aanbouw van de woning voor de kwaliteit, het onderhoud en de voorzieningen uit te gaan van ondergemiddeld (factor 2), evenals voor de voorzieningen van de woning zelf.
Voor zover eiser van mening is dat deze factoren als minder moeten worden aangemerkt, overweegt de rechtbank dat het aan hem is om dit te stellen, en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen.De heffingsambtenaar heeft het standpunt van eiser gemotiveerd betwist. De heffingsambtenaar heeft ter zitting toegelicht dat het buurpand [adres 2] , net als de woning van eiser, is voorzien van kunststof kozijnen en wat betreft kwaliteit en onderhoudsniveau goed overeenkomt met de woning van eiser. De heffingsambtenaar is daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht uitgegaan van een gemiddelde waardering (factor 3) voor de kwaliteit en het onderhoud van eisers woning. De rechtbank kan uit de door eiser overgelegde fotoreportage en de aanvullende vragenlijst niet afleiden dat de heffingsambtenaar de voornoemde factoren op een (nog) lagere score had moeten waarderen. Deze grond slaagt eveneens niet.
10. Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woning van € 214.000 niet te hoog heeft vastgesteld.