6.2.De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase ter onderbouwing van zijn standpunt een waardematrix overgelegd, waarin de waarde is bepaald op € 190.000 en waarin de verkoopcijfers van de volgende referentieobjecten zijn gebruikt:
- [adres 2] (verkocht op 23 augustus 2022 voor € 222.500);
- [adres 3] , Jirnsum (verkocht op 29 december 2022 voor € 210.287);
- [adres 4] , Reduzum (verkocht op 5 september 2023 voor € 220.000);
- [adres 5] (verkocht op 17 januari 2022 voor € 227.500.)
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de door hem in de beroepsfase overgelegde waardematrix en de door hem gegeven toelichting ter zitting, in het licht van hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de referentieobjecten, wat type, bouwjaar, kwaliteit, onderhoud, doelmatigheid en voorzieningen betreft, goed vergelijkbaar zijn met de woning van eiser en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de prijzen per m² voor de woning worden herleid vanuit de verkoopprijzen van de door de heffingsambtenaar aangevoerde referentieobjecten. De prijs per eenheid van € 1.525,08 per m² van eisers woning, die in lijn ligt met die van de referentieobjecten, acht de rechtbank niet te hoog.
In de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar de iWOZ-kaartenvan de referentiewoningen overgelegd. Ook op basis hiervan kan worden vastgesteld dat de KOUDV-factorenvan alle objecten correct zijn weergegeven in de matrix en voldoende tot uiting komen in de onderlinge waardeverhouding.
8. Ten aanzien van de stelling van eiser dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de marktsituatie op de waardepeildatum, overweegt de rechtbank dat het op de weg van eiser ligt om zijn stellingen gemotiveerd te onderbouwen en de door de heffingsambtenaar gehanteerde uitgangspunten gemotiveerd te betwisten. In zijn beroepschrift heeft eiser aangegeven een onderbouwing (een taxatiematrix van [taxateur 2] ) over te zullen leggen voor zijn stelling dat er door de heffingsambtenaar onvoldoende rekening is gehouden met de marktsituatie. Deze nadere onderbouwing heeft eiser niet overgelegd. Deze grond slaagt dan ook niet.
9. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn standpunt dat onvoldoende rekening is gehouden met de staat van onderhoud en het voorzieningenniveau van zijn woning. De heffingsambtenaar is bij de KOUDV-factoren bij de voorzieningen uitgegaan van gemiddeld (factor 3). Voor zover eiser van mening is dat het voorzieningenniveau van zijn woning ten opzichte van de referentieobjecten als minder moet worden aangemerkt, overweegt de rechtbank dat het aan hem is om dit te stellen, en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen.De heffingsambtenaar heeft het standpunt van eiser gemotiveerd betwist. De rechtbank kan uit de door eiser overgelegde fotoreportage en de aanvullende vragenlijst niet afleiden dat het voorzieningenniveau zodanig is, dat de heffingsambtenaar dit op een (nog) lagere score had moeten waarderen. Deze grond slaagt eveneens niet.
10. Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woning van € 190.000 niet te hoog heeft vastgesteld.