AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek teruggaaf omzetbelasting wegens niet-naleving voorwaarden en ontbreken vertrouwen
Eiser heeft een verzoek ingediend tot teruggaaf van omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2023, waarbij hij een bedrag van €19.999 terugvraagt. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen omdat niet is aangetoond dat aan de voorwaarden voor teruggaaf op grond van artikel 29 WetPro op de omzetbelasting 1968 is voldaan.
De rechtbank beoordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het verleden omzetbelasting heeft voldaan over de betreffende vordering van €91.482, noch dat sprake is van niet-betaling van de vergoeding. Hierdoor is het recht op teruggaaf niet ontstaan. Daarnaast faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat geen toezeggingen of gedragingen van de inspecteur zijn vastgesteld die een rechtens te beschermen vertrouwen wekken.
De rechtbank wijst erop dat de aangehaalde correspondentie en afspraken uit 2012 en 2008 betrekking hebben op de inkomstenbelasting en systeemaanslagen omzetbelasting, maar niet op de teruggaaf van omzetbelasting over de vordering. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot teruggaaf omzetbelasting wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1630
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de inspecteur van de Belastingdienst, Midden- en Kleinbedrijf, kantoor Almere, de inspecteur
(gemachtigde: mr. [naam 1] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 april 2025.
1.1.
De inspecteur heeft bij beschikking met datum 12 juli 2024 het terug te geven bedrag aan omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2023 vastgesteld op nihil (de teruggaafbeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser afgewezen.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 2] . Eiser heeft zich afgemeld voor de zitting. Tegelijk met zijn afmelding heeft eiser een pleitnota overgelegd. De inspecteur heeft op de zitting een pleitnota overgelegd.
Feiten
2.1.
Eiser heeft aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2023 gedaan. In deze aangifte heeft eiser over dit kwartaal € 1 aan verschuldigde omzetbelasting aangegeven en € 20.000 aan aftrek van voorbelasting aangegeven. Per saldo heeft eiser daarom verzocht om een teruggave van omzetbelasting van € 19.999 (het teruggaafverzoek).
2.2.
Omdat de inspecteur niet gebleken is dat aan de voorwaarden voor de aftrek van voorbelasting is voldaan, heeft hij de voorbelasting geheel gecorrigeerd. De inspecteur heeft de teruggaafbeschikking vastgesteld op nihil (1.1.).
2.3.
Tot de dossierstukken behoort een brief met datum 5 maart 2012 waarin [naam 3] namens de inspecteur een weergave geeft van dat wat is besproken tijdens een gesprek met eiser op 29 februari 2012. In die brief staat – voor zover hier van belang – het volgende:
“ In het gesprek van 29 februari 2012 heeft u aangegeven dat:
(…)
3 u ook een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de ambtshalve aanslag IB/PVV 2009
(…)
6. u een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de opgelegde aanslagen Omzetbelasting overde periode 2006 tot 2011
(…)
Ad 3
(…)
De vorderingen staande op de balans van 2002 op [naam 5] [voorletters] en boedel [naam 5] factuur 2001 zijn door de heer [naam 4] akkoord bevonden. Met u is afgesproken dat de afschrijving op de vorderingen in 2009 geaccepteerd zal worden. Over het vervolg op de vorderingen op [naam 5] [voorletters] en boedel [naam 5] factuur 2001 hebben wij afgesproken dat de afschrijving vanaf 2010 niet meer zal bedragen dan de aangegeven winst na aftrek van de ondernemersfaciliteiten.
Indien de vordering op [naam 5] [voorletters] en boedel [naam 5] factuur 2001 betaald wordt, zal de betaling worden afgeboekt op de balanspost. Indien de ontvangst van de vordering meer bedraagt dan de balanspost op dat moment zal het verschil als winst worden verantwoord. Wanneer de rechtelijke instantie een officiële uitspraak heeft gedaan en alle betrokken partijen zijn uitgeprocedeerd, is met u afgesproken dat u contact opneemt met de Belastingdienst om de fiscale afwikkeling te bespreken.
(…)
Ad 6
U heeft aangegeven dat over de afgelopen jaren nagenoeg geen omzet is geweest, enkel kosten gemaakt zijn. Vanaf 2011 begint uw bedrijf weer inkomsten te genereren. Om praktische reden is met u afgesproken dat de opgelegde systeemaanslagen Omzetbelasting van 2006 tot en met 2010 worden teruggebracht tot nihil. Met betrekking tot 2011 worden de systeemaanslagen over het eerste en tweede kwartaal verminderd tot nihil. Over het derde kwartaal 2011 is geen aanlag opgelegd. Met betrekking tot het vierde kwartaal 2011 is afgesproken dat u aangifte zult doen. Deze aangifte dient u digitaal aan te leveren. De codes zullen u binnen 10 werkdagen na dagtekening van deze brief worden toegezonden. Over het gehele jaar 2011 dient u vervolgens een suppletie aangifte te doen.”
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het terug te geven bedrag aan omzetbelasting in de teruggaafbeschikking terecht heeft vastgesteld op nihil. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of is voldaan aan de voorwaarden voor een teruggaaf vanwege niet-betaling van een goederenlevering of dienst als bedoeld in artikel 29 vanPro de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet ob). Daarnaast beoordeelt de rechtbank of het vertrouwensbeginsel is geschonden.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk maakt dat aan de voorwaarden voor een teruggaaf op grond van artikel 29 vanPro de Wet ob is voldaan. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de teruggaafbeschikking terecht op nihil heeft vastgesteld. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet .Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Heeft eiser recht op een teruggaaf omzetbelasting?
Standpunten partijen
4. Uit het beroepschrift en zijn pleitnota maakt de rechtbank op dat eiser verzoekt om een teruggaaf van omzetbelasting in verband met de niet-betaling van een vordering die eiser had van € 91.482, door eiser ook wel aangeduid als ‘vordering op [voorletters] [naam 5] ’. Eiser stelt dat het bedrag van € 20.000 pro forma was. Omdat de vordering € 91.482 bedraagt gaat het om € 14.606 omzetbelasting bij een percentage van 19 %. Volgens eiser heeft de inspecteur de teruggaaf ten onrechte afgewezen. Eiser stelt dat de vordering in eerste instantie een factuur van Gebr. [achternaam eiser] Transport betreft van meer dan 30 jaar oud. De onderliggende stukken zijn niet meer beschikbaar. Eind 2023 is (na jarenlange procedures tegen de erfgenamen van [naam 5] ) volgens eiser duidelijk geworden dat de vordering door verjaring niet meer geïnd kon worden, zodat hij recht heeft op een teruggaaf van omzetbelasting.
5. De inspecteur stelt dat het teruggaafverzoek terecht afgewezen is. De inspecteur betwist dat er een door eiser uitgeschreven factuur van € 91.482 bestaat. Als de factuur van € 91.482 wel bestaat, betwist de inspecteur dat eiser ter zake van die factuur in het verleden omzetbelasting heeft afgedragen.
Beoordeling door de rechtbank
6. In een geval van niet-betaling ontstaat voor de ondernemer een recht op teruggaaf van de door hem voldane omzetbelasting. [1] Voor een teruggave van omzetbelasting op grond van artikel 29 vanPro de Wet ob moet aannemelijk gemaakt worden dat 1) in het verleden omzetbelasting is voldaan en 2) dat er sprake is van niet-betaling van de in rekening gebrachte vergoeding. [2] Het recht op teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de niet-betaling vast komt te staan, met dien verstande dat het recht op teruggaaf geacht wordt te zijn ontstaan uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de in rekening gebrachte vergoeding opeisbaar is geworden. [3] De teruggaaf wordt verzocht door het bedrag van de teruggaaf in mindering te brengen in de aangifte voor het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. [4] Op eiser rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan. Eiser doet namelijk een beroep op een voor hem gunstige regeling en beroept zich op de rechtsgevolgen van de teruggaafregeling van artikel 29 WetPro ob.
7. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt dat in het verleden ter zake van de in rekening gebrachte vergoeding van € 91.482 aan [voorletters] [naam 5] ooit daadwerkelijk omzetbelasting is voldaan. Gelet op de betwisting van de inspecteur op dit punt, maakt eiser niet aannemelijk dat aan de eerste voorwaarde (6.) is voldaan. Alleen op grond daarvan al heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank het teruggaafverzoek terecht afgewezen. Of voldaan is aan de overige voorwaarden voor het ontstaan van een recht op teruggaaf (6.), laat de rechtbank daarom in het midden.
Is bij eiser rechtens te beschermen vertrouwen gewekt?
Standpunten partijen
8. Eiser stelt dat in 2008 met de inspecteur afspraken zijn gemaakt die erop neerkomen dat de vordering op [voorletters] [naam 5] als openstaand beschouwd moest worden. Daarnaast wijst eiser op de brief van de heer [naam 3] (2.3.). Uit deze brief volgt dat eiser de fiscus op de hoogte zou houden van het verloop van die vordering. Als er meer zou zijn afgeschreven dan er per saldo niet geïnd kon worden, dan moest dat gecorrigeerd worden als winst. Omgekeerd geldt volgens eiser natuurlijk hetzelfde. Ook wijst eiser op correspondentie met mr. [naam 6] van de inspectie Amsterdam over de aftrekbaarheid bij [naam 5] . De inspecteur betwist dat in het verleden met eiser afspraken zijn gemaakt over de teruggaaf van omzetbelasting over de vordering op [voorletters] [naam 5] .
Beoordeling door de rechtbank
9. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiser zo dat hij een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat eiser aannemelijk maakt dat door de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. [5]
10. Eiser maakt naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat op enig moment zodanige afspraken zijn gemaakt dat, in afwijking van de vereisten in artikel 29 vanPro de Wet ob, het oninbaar blijven van de vordering op [voorletters] [naam 5] zou leiden tot een teruggave van omzetbelasting aan eiser. In de brief van 5 maart 2012 (2.3.) en ook niet in de overige stukken in het dossier, leest de rechtbank een afspraak over de omzetbelasting ter zake van de vordering op [voorletters] [naam 5] . De in de brief van 5 maart 2012 (2.3.) weergegeven afspraken over de vordering op [voorletters] [naam 5] waar eiser op wijst, zien duidelijk alleen op de gevolgen voor de heffing van de inkomstenbelasting. Voor zover de brief gaat over de omzetbelasting (onderdeel 6), betreft dat enkel de afwikkeling van de (systeem)aanslagen over de jaren 2006 tot en met 2011 die opgelegd waren aan eiser. In dit onderdeel wordt met geen woord gerept over de gevolgen van de (afwaardering van of niet-betaling van) de vordering, terwijl dit in onderdeel 3 juist wél met zoveel woorden aan de orde was geweest (in het kader van de inkomstenbelasting). Uit deze brief kon eiser naar het oordeel van de rechtbank daarom niet redelijkerwijs opmaken dat de inspecteur het door eiser gedane teruggaafverzoek zou honoreren.
10. Wat betreft de verwijzing van eiser naar in 2008 gemaakte afspraken en naar de correspondentie met mr. [naam 6] van de inspectie Amsterdam overweegt de rechtbank dat eiser hiervan geen stukken heeft overgelegd. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de betreffende correspondentie met mr. [naam 6] ook volgens eiser zelf niet gaat over de (eventuele) teruggaaf van omzetbelasting aan eiser, maar over de aftrekbaarheid (van de winst) aan de zijde van [naam 5] . Gelet hierop heeft eiser, tegenover de betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat door de inspecteur rechtens te beschermen vertrouwen is gewekt.
10. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.S. Langius, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.
w.g. griffier
w.g. rechter
Uitgesproken op: 17 februari 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Artikel 29, eerste lid, Wet ob.
2.Artikel 29, eerste lid, Wet ob.
3.Artikel 29, tweede lid, Wet ob.
4.Artikel 29, vierde lid, en artikel 31, eerste lid, Wet ob.