Op 27 september 2025 heeft verdachte zich op klaarlichte dag schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling door aangever meermalen te slaan en te schoppen, waaronder een krachtige schop tegen het hoofd terwijl aangever op zijn knieën zat. Uit medische informatie bleek dat aangever kneuzingen en fracturen opliep, maar geen zwaar lichamelijk letsel in juridische zin.
De rechtbank sprak verdachte vrij van poging tot doodslag en zware mishandeling, omdat niet kon worden vastgesteld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op overlijden of zwaar letsel aanvaardde. Wel werd het meer subsidiair ten laste gelegde, poging tot zware mishandeling, wettig en overtuigend bewezen verklaard.
Verdachte voerde noodweer aan, maar dit werd verworpen. Gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd gepleegd en de persoon van verdachte, werd een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van voorarrest opgelegd. Daarnaast werd de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor 300 dagen bevolen.
De vordering tot materiële schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De immateriële schade werd deels toegewezen op een bedrag van €500,00. De rechtbank legde een schadevergoedingsmaatregel op om betaling te bevorderen. De tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd gelast.