ECLI:NL:RBNNE:2026:333

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
028765-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:8 SvArt. 6:6:9 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deels gegrond verklaring bezwaar tegen herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling met beperking herroepingstermijn

De veroordeelde was bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan een deel voorwaardelijk. Op 12 mei 2025 werd hem voorwaardelijke invrijheidstelling verleend, waarna hij op 13 mei 2025 in vrijheid werd gesteld. Het Openbaar Ministerie besloot op 6 november 2025 de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen wegens het plegen van een nieuw strafbaar feit tijdens de proeftijd.

De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze herroeping en voerde aan dat hij en zijn familie ernstig werden bedreigd en dat sprake was van noodweer. Hij stelde dat het incident eenmalig was en dat het goed ging met zijn re-integratie. De officier van justitie handhaafde de herroeping vanwege ernstige bezwaren voor poging tot doodslag en het niet naleven van de algemene voorwaarden.

De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot de herroeping had kunnen besluiten, omdat de veroordeelde bewust de confrontatie had opgezocht en een nieuw strafbaar feit had gepleegd. Tegelijkertijd erkende de rechtbank dat een voorwaardelijk kader nuttig kan zijn voor de re-integratie van de veroordeelde. Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaar deels gegrond en beperkte de herroepingstermijn tot 300 dagen.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is deels gegrond verklaard en de herroepingstermijn beperkt tot 300 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Zittingsplaats Groningen
parketnummer : 21-000741-24 (rechtsmiddel van 18-029335-22)
v.i. nummer : 89-000105-47 raadkamernummer : 028765-25
datum : 9 februari 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerde in de [instelling] , hierna te noemen: de veroordeelde.
Raadsman: mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht.
Feiten
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de veroordeelde bij arrest van 22 juli 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en een gevangenisstraf voor de duur van 46 maanden.
Het Openbaar Ministerie heeft de veroordeelde bij beslissing van 12 mei 2025 voorwaardelijke invrijheidstelling verleend. Deze beslissing is diezelfde dag aan de veroordeelde betekend, waarna de veroordeelde op 13 mei 2025 feitelijk in vrijheid is gesteld en de proeftijd is gestart.
Het Openbaar Ministerie heeft op 6 november 2025 beslist de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde te herroepen voor de duur van 433 dagen.
Een kennisgeving van de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 10 november 2025 aan de veroordeelde betekend.

Procedure

Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 10 november 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op 11 december 2025 zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 26 januari 2026 het bezwaar gelijktijdig met de inhoudelijke behandeling van de zaak onder parketnummer 18-281216-25 behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsman mr. W. Hendrickx en de officier van justitie mr. T. Pitstra op zitting gehoord.

Bezwaar

De veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het Openbaar Ministerie om de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) van de veroordeelde te herroepen.
Namens de veroordeelde is aangevoerd dat hij en zijn familie ernstig bedreigd worden en dat in de inhoudelijke zaak sprake is van noodweer. De veroordeelde meende zich te moeten verdedigen en er is enkel sprake van een incident tijdens de v.i. Het ging verder goed met de veroordeelde en door een volledige herroeping van v.i., worden alle voorwaarden die door de reclassering noodzakelijk worden geacht, beëindigd. Het bezwaarschrift moet om deze redenen gegrond, dan wel gedeeltelijk gegrond worden verklaard.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot deze beslissing heeft kunnen komen. Door de rechter-commissaris en de raadkamer zijn de ernstige bezwaren aangenomen voor poging tot doodslag. Daarmee bestaan er ernstige redenen voor het vermoeden dat de veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zodat de voorwaardelijke invrijheidstelling kon worden herroepen. Bij bewezenverklaring is de algemene voorwaarde niet nageleefd en dit maakt herroeping van de gehele v.i. proportioneel. Voorts heeft het kader van de v.i. niet kunnen voorkomen dat de veroordeelde opnieuw een ernstig strafbaar feit heeft gepleegd.

Beoordeling

Alhoewel de rechtbank in de inhoudelijke zaak tot een andere bewezenverklaring en kwalificatie komt dan de officier van justitie, is zij op grond van artikel 6:6:9, eerste lid 1 Sv van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. De veroordeelde heeft namelijk, terwijl hij in het kader van de v.i. liep, bewust de confrontatie opgezocht en een nieuw strafbaar feit gepleegd. De rechtbank neemt bij haar overweging evenwel in aanmerking dat een voorwaardelijk kader behulpzaam kan zijn voor de veroordeelde en hem, nadat hij zijn detentie heeft afgerond, opnieuw ondersteuning kan bieden bij zijn re-integratie in de maatschappij. De rechtbank zal het bezwaarschrift daarom deels gegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar deels gegrond.
Beveelt de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 300 dagen.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.S. van der Kuijl, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. J. van der Wiel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 februari 2026.
Mr. T.R. Bosker is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.