ECLI:NL:RBNNE:2026:2953

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
18-300308-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m SrArt. 77n Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor straatroof met geweld in Leeuwarden

Op 7 maart 2025 heeft verdachte samen met anderen het slachtoffer in Leeuwarden met geweld gedwongen zijn telefoon, jas en schoenen af te staan. Het incident vond plaats op de openbare weg en werd deels gefilmd. Verdachte bekende het gebruik van geweld en het actief deelnemen aan de roof.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte met opzet en in vereniging met anderen de goederen heeft weggenomen met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen, voorafgegaan en vergezeld van geweld. De verdediging voerde aan dat het geweld niet gericht was op het wegnemen van goederen, maar dit werd verworpen.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de openbare plaats, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, die destijds 17 jaar was en geen eerdere veroordelingen had. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde een deels voorwaardelijke werkstraf met bijzondere voorwaarden, maar de rechtbank legde deze niet op vanwege het afgeronde vrijwillige hulpverleningstraject en de motivatie van verdachte.

De opgelegde straf bestaat uit een werkstraf van 60 uur en een voorwaardelijke jeugddetentie van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Bij niet-naleving van de werkstraf geldt een vervangende jeugddetentie van 30 dagen. Verdachte werd vrijgesproken van de meer of anders ten laste gelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur en een voorwaardelijke jeugddetentie van 2 maanden wegens straatroof met geweld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-300308-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 mei 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.W. Delhaye, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Westerhof.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te Leeuwarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon en/of een jas en/of een paar schoenen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen en/of te schoppen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te Leeuwarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en/of een jas en/of een paar schoenen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde, door die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of tegen die [slachtoffer] te zeggen: " geef die tellie" en/of "doe die jas en/of schoenen uit", althans woorden van gelijke aard- en/of strekking;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te Leeuwarden, althans in Nederland, aan/bij het Potmargepaad, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
[slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer]
en/of
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te Leeuwarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon en/of een jas en/of een paar schoenen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het subsidiair ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat aangever zijn goederen door geweld en bedreiging met geweld heeft afgestaan, waardoor het feit te kwalificeren is als afpersing. Verdachte heeft bekend geweld jegens aangever te hebben gebruikt. Tijdens het gepleegde geweld is geroepen dat aangever zijn spullen moest afgeven. Daarbij komt dat verdachte de jas van aangever in handen heeft gehad en dat de verdachten na afloop gezamenlijk zijn weggerend met de telefoon van aangever. Verdachte heeft zich gelet op het voorgaande als medepleger schuldig gemaakt aan afpersing.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde en van de meer subsidiair ten laste gelegde diefstal in vereniging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte het oogmerk heeft gehad op het wederrechtelijk toe-eigenen van goederen. Verdachte heeft geweld gebruikt omdat hij boos was en niet met de bedoeling om goederen van aangever weg te nemen. Ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het feit bewezen kan worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte op de terechtzitting van 21 mei 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Ik heb het slachtoffer meerdere keren geslagen op zijn bovenlichaam. Ik kreeg de jas van het slachtoffer in mijn handen gedrukt. Ik was erbij toen de spullen werden afgepakt.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 maart 2025, opgenomen op pagina 60 e.v. van het dossier van Districtsrecherche Fryslân met nummer 2025060259 d.d. 5 november 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
Plaats delict: Leeuwarden Pleegdatum: 7 maart 2025
Op een gegeven moment kwamen er vier jongens aan. Ik kreeg direct klappen van deze jongens. Ik kreeg allemaal harde klappen op mijn hoofd. Toen het slaan ophield zeiden ze tegen mij dat ik mijn telefoon aan hen moest geven en ik moest mijn schoenen en mijn jas uitdoen. Ik zat op het bankje toen ik mijn schoenen uittrok en direct trapte iemand deze in het water. Ze zeiden ook dat ik mijn kanker jas moest uittrekken. Toen ik mijn telefoon aan deze jongens had gegeven en mijn jas en schoenen had uitgetrokken liepen de jongens van de steiger af. Toen werd er door een van de jongens naar mijn code van de telefoon gevraagd, direct daarop kreeg ik een klap in mijn gezicht.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 juni 2025, opgenomen op pagina 69 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :
[medeverdachte] en [verdachte]
(de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] )kwamen eraan en er was ook nog zon jongen, die had een bivakmuts op. [slachtoffer] werd direct geslagen. Ze hebben zijn telefoon
afgepakt en ze hadden zijn schoenen in het water gegooid. Zijn jas hadden ze afgepakt. [verdachte] was aan het praten tegen [slachtoffer] . Dat hij zijn kleren of zijn jas uit moest doen. Hij moest dingen geven.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 oktober 2025, opgenomen op pagina 79 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op het filmpje is te zien dat [slachtoffer] meerdere keren wordt geslagen door meerdere personen en dat hij spullen moet afstaan. Te zien is dat [slachtoffer] op een bankje zit en vastgepakt wordt door een persoon. Te zien is dat [slachtoffer] gelijk hierop meerdere keren hard geslagen en geschopt wordt door twee personen. Een derde persoon staat te filmen. Te zien is dat de persoon die aan het filmen is [slachtoffer] meerdere keren schopt. Te horen is dat iemand zegt: "geef hier die kanker tellie". Te zien is dat de persoon die aan het filmen is de telefoon uit [slachtoffer] zijn handen pakt. Nadat de telefoon is afgepakt van [slachtoffer] wordt er gezegd: "doe je kanker jas uit, doe je kanker jas uit". Een ander persoon zegt: "doe je jas uit, begin, begin, begin, begin". Te zien is dat [slachtoffer] zijn jas begint uit te trekken. Te zien is dat [slachtoffer] zijn jas uittrekt en dat deze afgepakt wordt. Te zien is dat de jongen die filmt de voeten van [slachtoffer] filmt. Tegelijkertijd wordt er gezegd: "je patta, doe uit, doe uit, doe ook uit, doe die kanker patta's uit, ben je kanker doof" Ten tijde dat dit allemaal wordt gezegd is te zien dat de jongen die filmt de schoenen van [slachtoffer] het water in schopt.
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank stelt op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen het volgende vast. Op 7 maart 2025 is aangever beroofd van zijn jas, schoenen en telefoon. Aangever is door verdachte en zijn medeverdachten geslagen en geschopt. Terwijl het geweld werd gepleegd, werd aangever door meerdere personen gesommeerd om zijn spullen af te staan. Getuige [getuige] heeft verklaard dat verdachte tegen aangever heeft gezegd dat hij zijn spullen moest geven. Verdachte heeft door op deze wijze te handelen een actief aandeel gehad in het geweld en het wegnemen van de goederen. Bovendien heeft verdachte, nadat hij tegen aangever heeft gezegd dat hij zijn spullen moest afgeven, zich op geen enkele wijze gedistantieerd. Daarnaast zijn verdachte en zijn medeverdachten nadien gezamenlijk weggegaan met de telefoon van aangever.
Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte, door te handelen zoals hiervoor is vastgesteld, opzet heeft gehad op het wegnemen van de goederen.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte en zijn medeverdachten gekwalificeerd dient te worden. De vraag of bepaalde gedragingen “wegnemen” opleveren in de zin van artikel 312 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), of “afgifte” in de zin van artikel 317 Sr Pro is niet altijd ondubbelzinnig te beantwoorden. Zo kan het gedogen van wegnemen zowel “wegnemen” als “afgifte” opleveren (zie HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5232). De rechtbank is van oordeel dat uit de toedracht en de omstandigheden van het feit zoals hiervoor is vastgesteld, naar voren komt dat aangever toeliet of gedoogde dat verdachte en zijn medeverdachten zich de goederen toe-eigenden. De rechtbank stelt dan ook vast dat het geheel van gedragingen van de verdachte in deze context kan worden aangemerkt als “wegnemen” zoals bedoeld in artikel 312 Sr Pro.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 7 maart 2025 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen, een telefoon, een jas en een paar schoenen die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door [slachtoffer] te slaan, te stompen en te schoppen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad), waarbij de volwassenreclassering belast zal worden met het toezicht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat, naast de voorwaardelijke jeugddetentie,
ook een werkstraf voor de duur van 60 uren aan verdachte wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, gelet op de door hem bepleite vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde feiten, gepleit voor een werkstraf voor de duur van 60 uren waarvan 30 uren voorwaardelijk. Een voorwaardelijke jeugddetentie acht de raadsman niet passend. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen bijzondere voorwaarden moeten worden opgelegd, nu daartoe geen noodzaak bestaat. Verdachte heeft recent een hulpverleningstraject in een vrijwillig kader positief afgesloten.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van de feiten
Op 7 maart 2025 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een straatroof. Verdachte en zijn medeverdachten zijn naar het slachtoffer toegegaan die zich op dat moment samen met getuige [getuige] bevond aan het parkje aan het Potmargepaad in Leeuwarden. Volgens verdachte wilden zij verhaal gaan halen bij het slachtoffer. Eenmaal ter plaatse wordt het slachtoffer door verdachte en zijn medeverdachten geslagen en geschopt. Tijdens deze geweldshandelingen wordt het slachtoffer gesommeerd zijn telefoon, jas en schoenen af te staan. Vervolgens worden de schoenen van het slachtoffer in het water geschopt. De jas en telefoon worden afgepakt. De verdachten hebben de jas achtergelaten en zijn vervolgens gezamenlijk vertrokken met de telefoon van het slachtoffer. Het onderhavige feit betreft een zeer ernstig feit, dat voor het slachtoffer ontzettend beangstigend en vernederend moet zijn geweest. Bovendien is het incident gefilmd. De rechtbank neemt daarnaast in aanmerking dat de beroving werd gepleegd op de openbare weg. Feiten als het onderhavige vergroten dan ook de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Persoon van verdachte
Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft het bewezenverklaarde feit gepleegd toen hij 17 jaar oud was. Uit de justitiële documentatie van 28 april 2026 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
De rechtbank heeft daarnaast gelet op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 30 april 2026. De Raad beschrijft dat er risicos bestaan dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen. Op meerdere gebieden zijn risicos aanwezig, waaronder school en houding. Bij veroordeling adviseert de Raad een deels voorwaardelijke werkstraf met als bijzondere voorwaarden het volgen van onderwijs dan wel het hebben van dagbesteding, meewerken aan urinecontroles, meewerken aan hulpverlening en het geven van inzicht in sociale contacten en activiteiten.
Ter zitting heeft de Raad het advies bevestigd en aangevuld. De Raad adviseert om de volwassenreclassering met het toezicht te belasten, gelet op het feit dat verdachte meerderjarig is en omdat dat beter aansluit bij hem.
Op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf gekeken naar de geldende oriëntatiepunten van het LOVS. Daarbij heeft de rechtbank geconstateerd dat er sprake is van strafverzwarende omstandigheden, te weten het door een groep gepleegde geweld, de aard en ernst van het geweld en de plaats van het delict. De rechtbank is van oordeel dat gelet op voornoemde omstandigheden een werkstraf van 60 uren passend is. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen om verdachte ervan te doordringen dat hij geen strafbare feiten moet plegen. Anders dan door de Raad is geadviseerd, ziet de rechtbank onvoldoende noodzaak om aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden te verbinden. Verdachte heeft reeds een hulpverleningstraject in het vrijwillig kader afgerond. Daarbij komt dat de rechtbank is gebleken dat verdachte onvoldoende gemotiveerd is voor begeleiding en toezicht door de reclassering.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie en een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren passend en oplegging daarvan geboden is.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

Een jeugddetentie voor de duur van 2 maanden.

Bepaalt dat deze jeugddetentie
nietzal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op
2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. M. Brinksma en mr. K. Bunk, rechters, bijgestaan door mr. R.D. Ensel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juni 2026.