ECLI:NL:RBNNE:2026:2952

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
18-020661-26
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jeugdige verdachte voor straatroof, bedreiging en rijden onder invloed

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 4 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een jeugdige verdachte geboren in 2008, woonachtig te Leeuwarden. De verdachte werd beschuldigd van bedreiging met een mes, rijden onder invloed van alcohol zonder rijbewijs, en straatroof waarbij hij samen met anderen een slachtoffer heeft geslagen en beroofd van telefoon, jas en schoenen.

De rechtbank achtte de bedreiging met het mes en het rijden onder invloed wettig en overtuigend bewezen. Ook werd vastgesteld dat de verdachte samen met anderen het slachtoffer op 7 maart 2025 heeft beroofd met geweld, waarbij sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking (medeplegen). De verdachte werd vrijgesproken van enkele subsidiaire tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden.

Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn jeugdige leeftijd en psychische problematiek. De verdachte werd veroordeeld tot een jeugddetentie van 100 dagen (waarvan 90 voorwaardelijk) en een werkstraf van 80 uur, met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar. Tevens werd een schadevergoeding van €750 toegekend voor immateriële schade aan het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie van 100 dagen en een werkstraf van 80 uur wegens straatroof met geweld, bedreiging met een mes en rijden onder invloed zonder rijbewijs.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-020661-26
ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18-300306-25
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18-225504-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 mei 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Snorn en mr. R.F. Klunder, advocaten te Heerenveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Westerhof.

Tenlastelegging

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 18-020661-26 ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 20 januari 2026 te Leeuwarden, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:
  • die [slachtoffer 1] bij de keel/kraag te pakken en tegen de muur te duwen/drukken en/of
  • een mes tegen/op de keel van die [slachtoffer 1] te drukken/zetten en/of
  • tegen die [slachtoffer 1] te zeggen: “ik kan jou gewoon doodsteken he", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
2.
hij op of omstreeks 21 januari 2026 te Leeuwarden, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (een snorfiets) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 215 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven;
en in de zaak met parketnummer 18-300306-25 dat:
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te Leeuwarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon en/of een jas en/of een paar schoenen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 2] te slaan en/of te stompen en/of te schoppen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te Leeuwarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en/of een jas en/of een paar schoenen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] toebehoorde, door die [slachtoffer 2] te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: " geef die tellie" en/of "doe die jas en/of schoenen uit", althans woorden van gelijke aard- en/of strekking;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te Leeuwarden, althans in Nederland, aan/bij het Potmargepaad, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2]
en/of
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te Leeuwarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon en/of een jas en/of een paar schoenen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van parketnummer 18-020661-26
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder feit 1 ten laste gelegde. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat de bedreiging met het mes wettig en overtuigend kan worden bewezen, gelet op de aangifte, de verklaring van getuige [getuige 1] en het aantreffen van het mes bij verdachte.
Daarnaast heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd voor het onder feit 2 ten laste gelegde.
Ten aanzien van parketnummer 18-300306-25
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het subsidiair ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat aangever zijn goederen door geweld heeft afgestaan, waardoor het feit te kwalificeren is als afpersing. Verdachte heeft bekend geweld jegens aangever te hebben gepleegd. Tijdens het geweld is er geroepen dat aangever zijn spullen moest afgeven. Daarbij komt dat verdachte de jas van aangever in handen heeft gehad en dat de verdachten na afloop gezamenlijk zijn weggerend met de telefoon van aangever. Verdachte heeft zich gelet op het voorgaande als medepleger schuldig gemaakt aan afpersing.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van parketnummer 18-020661-26
De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 en onder feit 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van parketnummer 18-300306-25
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte het oogmerk heeft gehad om zich wederrechtelijk goederen toe te eigenen. Verdachten zijn naar aangever toegegaan om hem te confronteren en niet om spullen van hem weg te nemen. Uit het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte vooraf of achteraf met de medeverdachten heeft gesproken over het wegnemen van goederen. Evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte spullen heeft weggenomen of enige bemoeienis heeft gehad met de weggenomen telefoon.
Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte eveneens vrijgesproken dient te worden van het subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het geweld door verdachte is gepleegd met als doel om aangever te dwingen tot afgifte van enig goed. Het causale verband tussen het gepleegde geweld door verdachte en de afgifte van goederen ontbreekt dan ook.
Tot slot heeft de verdediging betoogd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de meer subsidiair ten laste gelegde diefstal in vereniging. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte voor wat betreft de diefstal niet heeft samengewerkt met de medeverdachten en dat verdachte dan ook geen opzet op de samenwerking gericht op de diefstal in vereniging heeft gehad.
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van de openlijke geweldpleging, zoals meer subsidiair ten laste is gelegd.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van parketnummer 18-020661-26Bewijsmiddelen feit 1
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 januari 2026, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026017933 d.d. 22 januari 2026, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :
Plaats delict: Leeuwarden Pleegdatum: 20 januari 2026
Ik zag en voelde dat [verdachte]
(de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] )mij bij mijn shirt beetpakte ter hoogte van mijn keel. Ik zag een mes. Ik voelde dat hij het mes tegen mijn keel zette. Ik voelde dat hij het mes op mijn keel drukte. Ik hoorde dat hij zei “ik kan jou gewoon dood steken he”.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 21 januari 2026, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Ik zag dat [verdachte] gelijk op [slachtoffer 1] afsprong bij de voordeur. [slachtoffer 1] werd tegen de muur gedrukt door [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] een mes in zijn hand had. Ik zag dat [verdachte] het mes tegen de keel van [slachtoffer 1] zette. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Ik kan je zo neersteken.”.
3. Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 21 januari 2026, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier:
Datum: 21 januari 2026
Omschrijving: verdachte [verdachte] werd aangehouden ter zake van bedreiging. Een mes werd ten tijde van de aanhouding bij [verdachte] aangetroffen.
Omschrijving voorwerp: uitklapbaar mes
Bewijsmiddelen feit 2
De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder feit 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Deze opgave luidt als volgt:
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 januari 2026, opgenomen op pagina 20 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] .
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 januari 2026, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] .
een schriftelijk bescheid, te weten een afdruk ademanalyse, d.d. 21 januari 2026, opgenomen op pagina 49 van voornoemd dossier, inhoudende het resultaat van de ademanalyse.
Ten aanzien van parketnummer 18-300306-25Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
De door verdachte op de terechtzitting van 21 mei 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende: Ik was erbij en ik heb geslagen.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 maart 2025, opgenomen op pagina 60 e.v. van het dossier van Districtsrecherche Fryslân met nummer 2025060259 d.d. 5 november 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :
Plaats delict: Leeuwarden Pleegdatum: 7 maart 2025
Op een gegeven moment kwamen er vier jongens aan. Ik kreeg direct klappen van deze jongens. Ik kreeg allemaal harde klappen op mijn hoofd. Toen het slaan ophield zeiden ze tegen mij dat ik mijn telefoon aan hen moest geven en ik moest mijn schoenen en mijn jas uitdoen. Ik zat op het bankje toen ik mijn
schoenen uittrok en direct trapte iemand deze in het water. Ze zeiden ook dat ik mijn kanker jas moest uittrekken. Toen ik mijn telefoon aan deze jongens had gegeven en mijn jas en schoenen had uitgetrokken liepen de jongens van de steiger af. Toen werd er door een van de jongens naar mijn code van de telefoon gevraagd, direct daarop kreeg ik een klap in mijn gezicht.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 juni 2025, opgenomen op pagina 69 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :
A: [verdachte]
(de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] )en [medeverdachte] kwamen eraan en er was ook nog zon jongen, die had een bivakmuts op. [slachtoffer 2] werd direct geslagen. Ze hebben zijn telefoon afgepakt en ze hadden zijn schoenen in het water gegooid. Zijn jas hadden ze afgepakt.
V: Wat deed [verdachte] ?
A: Die sloeg hem volgens mij ook een paar keer denk ik. [verdachte] en [medeverdachte] waren met [slachtoffer 2] bezig en degene die aan het filmen was ging iets later naar [slachtoffer 2] en schopte hem.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 oktober 2025, opgenomen op pagina 79 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op het filmpje is te zien dat [slachtoffer 2] meerdere keren wordt geslagen door meerdere personen en dat hij spullen moet afstaan. Te zien is dat [slachtoffer 2] op een bankje zit en vastgepakt wordt door een persoon. Te zien is dat [slachtoffer 2] gelijk hierop meerdere keren hard geslagen en geschopt wordt door twee personen. Een derde persoon staat te filmen. Te zien is dat de persoon die aan het filmen is [slachtoffer 2] meerdere keren schopt. Te horen is dat iemand zegt: "geef hier die kanker tellie". Te zien is dat de persoon die aan het filmen is de telefoon uit [slachtoffer 2] zijn handen pakt. Nadat de telefoon is afgepakt van [slachtoffer 2] wordt er gezegd: "doe je kanker jas uit, doe je kanker jas uit". Een ander persoon zegt: "doe je jas uit, begin, begin, begin, begin". Te zien is dat [slachtoffer 2] zijn jas begin uit te trekken. Te zien is dat [slachtoffer 2] zijn jas uittrekt en dat deze afgepakt wordt. Te zien is dat de jongen die filmt de voeten van [slachtoffer 2] filmt. Tegelijkertijd wordt er gezegd: "je patta, doe uit, doe uit, doe ook uit, doe die kanker patta's uit, ben je kanker doof" Ten tijde dat dit allemaal wordt gezegd is te zien dat de jongen die filmt de schoenen van [slachtoffer 2] het water in schopt.
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank stelt op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen het volgende vast. Op 7 maart 2025 is aangever beroofd van zijn jas, schoenen en telefoon. Aangever is door verdachte en zijn medeverdachten geslagen en geschopt. Terwijl het geweld werd gepleegd, werd aangever door meerdere personen gesommeerd om zijn spullen af te staan. Verdachte heeft zich op dat moment niet gedistantieerd.
Bovendien gaan verdachte en zijn medeverdachten er nadien gezamenlijk met de telefoon van aangever vandoor. Ook op dit moment heeft verdachte zich wederom niet gedistantieerd.
Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte, door te handelen zoals hiervoor is vastgesteld, opzet heeft gehad op het wegnemen van de goederen.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte en zijn medeverdachten gekwalificeerd dient te worden. De vraag of bepaalde gedragingen “wegnemen” opleveren in de zin van artikel 312 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), of “afgifte” in de zin van artikel 317 Sr Pro is niet altijd ondubbelzinnig te beantwoorden. Zo kan het gedogen van wegnemen zowel “wegnemen” als “afgifte” opleveren (zie HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5232). De rechtbank is van oordeel dat uit de toedracht en de omstandigheden van het feit zoals hiervoor door de rechtbank is vastgesteld, naar voren komt dat aangever toeliet of gedoogde dat verdachte en zijn medeverdachten zich de goederen toe-eigenden. De rechtbank stelt dan ook vast dat het geheel van gedragingen van de verdachte in deze context kan worden aangemerkt als “wegnemen” zoals bedoeld in artikel 312 Sr Pro.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Ten aanzien van parketnummer 18-020661-26
De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat
1.
hij op 20 januari 2026 te Leeuwarden, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door:
  • [slachtoffer 1] bij de keel te pakken en tegen de muur te duwen en
  • een mes tegen/op de keel van [slachtoffer 1] te drukken/zetten en
  • tegen [slachtoffer 1] te zeggen: “ik kan jou gewoon doodsteken he", althans woorden van gelijke strekking;
2.
hij op 21 januari 2026 te Leeuwarden, als bestuurder van een motorrijtuig (een snorfiets) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 215 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven.
Ten aanzien van parketnummer 18-300306-25
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 7 maart 2025 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen, een telefoon, een jas en een paar schoenen, die aan [slachtoffer 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door [slachtoffer 2] te slaan, te stompen en te schoppen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ten aanzien van parketnummer 18-020661-26
Het bewezen verklaarde levert op:
1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
2. overtreding van artikel 8, vierde lid, juncto artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.
Ten aanzien van parketnummer 18-300306-25
Het primair bewezen verklaarde levert op:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-020661-26 en het subsidiair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-300306-26 wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren en een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel de volgende bijzondere voorwaarden worden verbonden met een proeftijd van twee jaren, te weten meewerken aan een klinische opname voor de duur van maximaal 12 maanden, meewerken aan begeleid wonen of maatschappelijke opvang, meewerken aan ambulante behandeling en hulpverlening, volgen van onderwijs en/of het hebben van dagbesteding en meewerken aan urinecontroles.
De officier van justitie heeft verzocht om de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Bij de formulering van de strafeis heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gepleit voor een deels voorwaardelijke jeugddetentie waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. De verdediging heeft bepleit om aan het voorwaardelijke strafdeel dezelfde bijzondere voorwaarden te verbinden als die zijn opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van 11 november 2025, te weten een meldplicht, meewerken aan hulpverlening en behandeling, meewerken aan urinecontroles, inzage geven in sociale contacten, meewerken aan begeleid wonen of maatschappelijke
opvang en het volgen van onderwijs dan wel het hebben van dagbesteding. De verdediging heeft bepleit dat er te veel onduidelijkheid bestaat of een klinische opname mogelijk is. De verdediging heeft dan ook verzocht om de voorwaarde betreffende de klinische opname niet aan verdachte op te leggen. Ten aanzien van de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Tot slot heeft de verdediging verzocht de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van de feiten
Op 7 maart 2025 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een straatroof. Verdachte en zijn medeverdachten zijn naar het slachtoffer toegegaan die zich op dat moment samen met getuige [getuige 2] bevond aan het parkje aan het Potmargepaad in Leeuwarden. Volgens de medeverdachte wilden zij verhaal gaan halen bij het slachtoffer. Eenmaal ter plaatse wordt het slachtoffer door verdachte en zijn medeverdachten geslagen en geschopt. Tijdens deze geweldshandelingen wordt het slachtoffer gesommeerd zijn telefoon, jas en schoenen af te staan. Vervolgens worden de schoenen van het slachtoffer in het water geschopt. De jas en telefoon worden afgepakt. De verdachten hebben de jas achtergelaten en zijn vervolgens gezamenlijk vertrokken met de telefoon van het slachtoffer. Het onderhavige feit betreft een zeer ernstig feit, dat voor het slachtoffer ontzettend beangstigend en vernederend moet zijn geweest. Bovendien is het incident gefilmd. De rechtbank neemt daarnaast in aanmerking dat de beroving werd gepleegd op de openbare weg. Feiten als het onderhavige vergroten dan ook de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Daarnaast heeft verdachte zich op 21 januari 2026 schuldig gemaakt aan een bedreiging. Na een ruzie met zijn vriendin, komt verdachte bij haar woning om zijn spullen op te halen. Wanneer het veertienjarige slachtoffer de voordeur opent, duwt verdachte hem tegen een muur en houdt hij een mes op zijn keel. Uit de aangifte blijkt dat het feit ontzettend beangstigend is geweest voor het slachtoffer en op hem een grote indruk heeft gemaakt. Het slachtoffer had niets te maken met de ruzie tussen verdachte en zijn vriendin. De rechtbank acht dit zinloze feit dan ook zeer kwalijk. Bovendien rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij een mes bij zich had en daadwerkelijk met dit mes heeft gedreigd. Het oncontroleerbare bezit van steekwapens vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en heeft een grote maatschappelijke impact. Het voorhanden hebben van messen leidt namelijk gemakkelijk tot het gebruik daarvan, met alle gevolgen van dien.
Tot slot heeft verdachte zich in de nacht van 21 op 22 januari 2026 schuldig gemaakt aan rijden onder invloed van alcohol op een snorfiets. Het is een feit van algemene bekendheid dat de concentratie, waarneming en het reactievermogen negatief worden beïnvloed door het gebruik van alcohol. Daarbij komt dat verdachte niet in het bezit was een rijbewijs. Verdachte heeft de verkeersveiligheid dan ook in gevaar gebracht.
Persoon van de verdachte
Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten gepleegd toen hij 17 jaar oud was. Uit de justitiële documentatie van 20 mei 2026 blijkt dat verdachte op 11 november 2025 door de kinderrechter is veroordeeld voor onder meer een mishandeling tot een voorwaardelijke werkstraf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in de zaak met parketnummer 18-020661-26 liep verdachte in deze proeftijd. De eerdere veroordeling, de dreiging van een werkstraf en het reclasseringstoezicht hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank heeft daarnaast gelet op het psychologisch Pro Justitia rapport van 10 mei 2026, opgemaakt door M.Z. Pyrek, GZ-psycholoog. Uit het rapport blijkt dat verdachte intellectueel op laaggemiddeld niveau functioneert met een sterk afwijkend disharmonisch profiel. Bij verdachte is sprake van een ernstig normoverschrijdend-gedragsstoornis, aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat sprake is van een autismespectrum-stoornis. De psycholoog heeft geconcludeerd dat deze stoornissen ook ten tijde van het plegen van de bedreiging, zoals ten laste gelegde onder feit 2 in de zaak met parketnummer 18-020661-26, aanwezig waren en de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte op dat moment hebben beïnvloed. De psycholoog adviseert dan ook om dit feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt, mede gelet op de toedracht van het feit en de indruk die verdachte ter terechtzitting op de rechtbank heeft gemaakt, voormelde conclusie over. De rechtbank ziet daarnaast in de door de deskundigen beschreven problematiek aanleiding om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten. Uit het rapport blijkt dat verdachte niet tot andere gedragskeuzes heeft kunnen komen door zijn gebrekkige impulscontrole en emotie-/agressieregulatie, hetgeen kenmerkend is voor de aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis en de normoverschrijdend-gedragsstoornis. Bovendien is bij verdachte sprake van een slecht ontwikkelde gewetensontwikkeling en gebrekkige copingvaardigheden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze problematiek doorgewerkt bij alle ten laste gelegde feiten. De rechtbank concludeert dan ook dat alle feiten in verminderde mate aan verdachte zijn toe te rekenen en zal hiermee rekening houden bij het bepalen van de straf.
De psycholoog heeft verder de kans op recidive ingeschat als hoog. Er is bij verdachte vrijwel geen sprake van probleembesef en verdachte lijkt zijn antisociale levensstijl niet te willen veranderen. Daarnaast bevindt verdachte zich in een netwerk van delinquente personen en kent hij geen stabiele thuissituatie. Bij veroordeling adviseert de psycholoog een langdurige forensisch klinische en ambulante behandeling.
Indien een klinische opname niet mogelijk blijkt te zijn, adviseert de psycholoog een intensieve forensisch-ambulante behandeling en begeleiding. De psycholoog heeft daarnaast geadviseerd om als bijzondere voorwaarden op te leggen het meewerken aan urinecontroles en het volgen van onderwijs en/of het hebben van een dagbesteding.
De rechtbank heeft daarnaast gelet op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 19 mei 2026. Uit het rapport blijkt dat de Raad veel zorgen heeft over verdachte. De Raad schat het recidiverisico in als zeer hoog. Er zijn nauwelijks beschermende factoren aanwezig. Bij veroordeling adviseert de Raad een deels voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarden een klinische opname, het volgen van onderwijs en/of het hebben van dagbesteding.
Ter zitting heeft de Raad het advies bevestigd en nader toegelicht. De Raad heeft naar voren gebracht dat er geen concreet zicht is of, en zo ja wanneer, plaatsing in een kliniek mogelijk zou zijn. Daarnaast heeft de Raad het advies in die zin gewijzigd dat de bijzondere voorwaarde betreffende het middelenverbod gewijzigd dient te worden in een middelencontrole. Het geheel onthouden van het gebruik van middelen acht de Raad niet haalbaar voor verdachte. De Raad acht het wel van belang dat er zicht op het
middelengebruik van verdachte zal worden gehouden.
Op te leggen straf
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het volgende oordeel. De rechtbank zal aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest, te weten 10 dagen. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank bijzondere voorwaarden verbinden waaraan verdachte zich gedurende een proeftijd van twee jaren aan zal moeten houden. Anders dan door de Raad is geadviseerd, zal de rechtbank aan verdachte geen klinische opname als bijzondere voorwaarde opleggen. Daartoe overweegt de rechtbank dat onvoldoende duidelijkheid bestaat of plaatsing in een kliniek haalbaar is. Bovendien verhoudt het voorwaardelijke strafdeel zich moeilijk tot de aanzienlijke duur van een klinische opname. Daarbij betrekt de rechtbank de ongemotiveerde houding van verdachte voor een klinische opname. Daarentegen is er bij verdachte een begin van draagvlak voor begeleid wonen en ambulante behandeling. Voor de bijzondere voorwaarden zal de rechtbank dan ook aansluiten bij de voorwaarden zoals opgelegd door de kinderrechter op 11 november 2025. Deze voorwaarden houden kort gezegd in meewerken aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang, een meldplicht bij de jeugdreclassering, meewerken aan hulpverlening en eventuele behandeling, meewerken aan urinecontroles, inzicht geven in sociale contacten en het volgen van onderwijs en/of het hebben van dagbesteding. De rechtbank zal daarnaast aan verdachte een werkstraf voor de duur van 80 uren opleggen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen, met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk en een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen jeugddetentie, passend en oplegging daarvan geboden is. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden verbinden, waaraan verdachte zich gedurende een proeftijd van twee jaren moet houden. Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat de feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.
De rechtbank stelt op grond van de rapportages vast dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, wanneer hij geen behandeling volgt.
Daarom zal de rechtbank bepalen dat de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Benadeelde partij
[naam] heeft zich namens haar zoon [slachtoffer 1] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van
2.000,00 ter vergoeding van materiële schade en 1.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering betreffende de immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige gevorderde dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, wegens gebrek aan onderbouwing.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering betreffende de materiële schade niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging bepleit dat de vordering gematigd dient te worden, wegens het ontbreken van een nadere onderbouwing.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De benadeelde partij heeft 2.000,00 aan materiële schade gevorderd. Aangezien de vordering niet is onderbouwd, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde feit in de zaak met parketnummer 18-020661-26, en om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij (de hoogte van) de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft daarnaast 1.000,00 aan immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij op andere wijze in zijn persoon is aangetast gelet op de aard en de ernst van de normschending. Verdachte heeft een mes tegen de keel van de benadeelde partij gehouden. Uit het dossier en de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding volgt dat de benadeelde partij nog altijd gevoelens van angst ervaart. Gelet op het voorgaande, vindt de rechtbank dat er een grondslag is voor vergoeding van immateriële schade. De rechtbank acht een vergoeding van 750,00 billijk en zal de vordering voor dit bedrag toewijzen. De rechtbank wijst de vordering voor het overige af.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. Het aantal dagen dat gijzeling kan
worden toegepast bepaalt de rechtbank vanwege de toepassing van het jeugdstrafrecht op nul.
Veroordeling in kosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 11 november 2025, gewezen door de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld -voor zover hier van belang- tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 26 november 2025.
De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 28 april 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.
De hiervoor onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten in de zaak met parketnummer 18-020661-26 zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.
De rechtbank is van oordeel dat, nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, in beginsel tenuitvoerlegging dient te worden gelast van de niet ten uitvoer gelegde straf. Gelet op hetgeen op de terechtzitting is behandeld en besproken, acht de rechtbank termen aanwezig thans te volstaan met verlenging van de proeftijd voor de duur van één jaar.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 285 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-020661-26 en het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-300306-25 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot
90 dagenniet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op
2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
1. dat veroordeelde zich meldt bij het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid op het adres [adres 2] en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;
2. dat veroordeelde meewerkt aan de hulpverlening/behandeling die de jeugdreclassering nodig acht en zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
3. dat veroordeelde meewerkt aan urinecontroles indien de jeugdreclassering dit nodig acht;
4. dat veroordeelde meewerkt aan het verkrijgen van zicht op zijn sociale contacten;
5. dat veroordeelde als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels
en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
6. dat veroordeelde onderwijs zal volgen dan wel dagbesteding dan wel werk heeft.
Geeft aan Regiecentrum Bescherming en Veiligheid te [plaats] , een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.

Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.
Ten aanzien van de
benadeelde partij [slachtoffer 1], parketnummer 18-020661-26, feit 1
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan
[slachtoffer 1]te betalen:
  • het bedrag van 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 januari 2026 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk ten aanzien van de materiële schade. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wijst de vordering van [slachtoffer 1] ten aanzien van de immateriële schade voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18.225504-25:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden d.d. 11 november 2025, en verlengt de in het vonnis vastgestelde proeftijd met één jaar.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. N.A. Vlietstra en mr. K. Bunk, rechters, bijgestaan door mr. R.D. Ensel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juni 2026.