ECLI:NL:RBNNE:2026:2921

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
25/1352
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 3:84 BWArt. 3:89 BWArt. 3.6 Procedure en werkwijze IMG 2022Art. 3.7 Procedure en werkwijze IMG 2022
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding waardedaling bedrijfspand wegens ontbreken zakenrechtelijke positie

Eiseres, voormalig aandeelhouder van een vastgoedholding die eigenaar is van een bedrijfspand, verzocht het Instituut Mijnbouwschade om vergoeding van waardedaling van het pand. Het Instituut wees de aanvraag af omdat eiseres geen eigenaar was op de peildatum 16 augustus 2012.

De rechtbank bevestigt dat alleen personen met een zakenrechtelijke positie op de peildatum aanspraak kunnen maken op vergoeding. Aandeelhouderschap geeft geen zakenrechtelijke positie op het pand, aangezien het pand eigendom is van de holding als rechtspersoon met een afgescheiden vermogen.

Eiseres heeft geen zelfstandig zakelijk recht op het pand en kan daarom geen vergoeding claimen. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat de regeling juist is gericht op vergoeding van schade aan de rechtspersoon die eigenaar is.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de vergoeding en proceskosten af. Eiseres kan eventueel civielrechtelijk schade verhalen op de nieuwe aandeelhouder, maar deze bestuursrechtelijke procedure is daarvoor niet geschikt.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat zij geen zakenrechtelijke positie had op het bedrijfspand en dus geen vergoeding voor waardedaling kan krijgen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1352

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres], te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. P.M.J. de Goede),
en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut

(gemachtigden: mrs. C.L. Kuipers en F. Sikkema).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een vergoeding van waardedaling van een ‘niet-woning’. Eiseres is het niet eens met deze beslissing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut terecht heeft geconcludeerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor een vergoeding van waardedaling van een ‘niet-woning’
.Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 18 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een vergoeding van waardedaling van het bedrijfspand aan [adres 2], te [vestigingsplaats] (het bedrijfspand). Het Instituut heeft deze aanvraag met het besluit van 13 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het Instituut.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3. Ter zitting heeft eiseres bevestigd dat het beroep alleen namens haar als voormalig (mede)aandeelhouder van [vastgoedholding] en niet mede namens [naam] in privé, in zijn hoedanigheid van enig aandeelhouder van eiseres, is ingesteld.
3.1.
In januari 2008 is [vastgoedholding] (op basis van een in juli 2007 gesloten koopovereenkomst) door levering als bedoeld in de artikelen 3:84 jo. 3:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (juridisch en feitelijk) eigenaar geworden van het bedrijfspand.
3.2.
Ten tijde van de levering waren eiseres en [vastgoedholding] de beide bestuurders en ieder voor de helft aandeelhouder van [vastgoedholding]
3.3.
Op 16 oktober 2017 heeft eiseres haar aandelenpakket in [vastgoedholding] verkocht en overgedragen aan [aandeelhouder]. en is zij als bestuurder uitgetreden.
3.4.
Op 18 oktober 2024 heeft eiseres een aanvraag gedaan bij het Instituut voor een vergoeding van waardedaling van het bedrijfspand. Deze aanvraag is met het besluit van 13 november 2024 afgewezen, met als reden dat eiseres geen eigenaar van het bedrijfspand was op 16 augustus 2012.
3.5.
Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt. Met het bestreden besluit van 17 februari 2025 heeft het Instituut het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
3.6.
Kernvraag is of eiseres als voormalig aandeelhouder van [vastgoedholding] tot de kring van rechthebbenden van de regeling waardedaling niet-woningen behoort. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Toetsingskader
4. De regeling voor de begroting van waardedaling van niet-woningen (de regeling) is neergelegd in de artikelen 3.6 tot en met 3.10 van de Procedure en werkwijze van het IMG 2022 (de Procedure en werkwijze).
4.1.
Op vergoeding van waardedaling van niet-woningen kunnen uitsluitend aanspraak maken diegenen die op 16 augustus 2012 een zakenrechtelijke positie ten opzichte van de niet-woning hadden. [1] Voor het bepalen van de waardedaling voor niet-woningen wordt als peildatum 1 januari 2021 gehanteerd. Het gaat dus om de waardedaling over de periode
16 augustus 2012 tot 1 januari 2021. Mocht de niet-woning binnen die periode zijn verkocht, dan loopt de periode waarover de waardedaling wordt vastgesteld van 16 augustus 2012 tot de datum van notariële levering.
4.2.
De vergoeding vindt plaats overeenkomstig tabellen waarbij gebruik wordt gemaakt van zwaartecategorieën op basis van het aardbevingsrisico. Voor de bepaling van het percentage waardedaling wordt een matrix gebruikt waar de zwaartecategorieën en de WOZ-waarde de variabelen zijn. Dit leidt tot een glijdende schaal van vergoedingen.
4.3.
De regeling voor vergoeding van de waardedaling van niet-woningen is eerder door deze rechtbank redelijk en aanvaardbaar geacht. [2]
Heeft eiseres een zakenrechtelijke positie ten opzichte van het bedrijfspand?
5. Niet in geschil tussen partijen is dat [vastgoedholding] sinds 2008 en tot op heden juridisch eigenaar is van het bedrijfspand. De vraag die voorligt is of eiseres, in haar hoedanigheid van (mede-)aandeelhouder van [vastgoedholding], op de peildatum 16 augustus 2012 een zakenrechtelijke positie had ten opzichte van het bedrijfspand via haar aandelenbelang in [vastgoedholding]
5.1.
Eiseres stelt dat zij recht heeft op een waardedalingsvergoeding. Haar zakenrechtelijke positie ten opzichte van het bedrijfspand vloeit voort uit het feit dat zij op de peildatum -16 augustus 2012- via haar aandeelhouderschap voor 50% eigenaar was van [vastgoedholding], en daarmee dus ook (middellijk) voor eenzelfde percentage van het bedrijfspand. Doordat ten tijde van de verkoop van de aandelen in [vastgoedholding] het bedrijfspand in waarde is gedaald, is daardoor volgens eiseres ook de waarde van de aandelen van de B.V. -naar de rechtbank begrijpt, recht evenredig- gedaald. Dit is schade die niet is verdisconteerd in de aandelenprijs vergoed dient te worden. Het Instituut heeft ten onrechte gesteld dat vereist is dat een aanvrager juridisch eigenaar moet zijn van het object. Daarmee heeft het Instituut artikel 3.8, zesde lid, van de Procedure en werkwijze onjuist geïnterpreteerd. Volgens eiseres geeft dit artikel juist opdracht aan het Instituut om verder te kijken dan enkel het juridische eigendom en rekening te houden met elke zakenrechtelijke positie van een aanvrager ten opzichte van de niet-woning.
5.2.
Volgens het Instituut dient er een zakenrechtelijke aanspraak te zijn op de
niet-woning en eiseres heeft dat niet. Het bedrijfspand behoort niet tot het vermogen van eiseres. Volgens het Instituut is er geen sprake van een onjuiste interpretatie van artikel 3.8, zesde lid, van de Procedure en werkwijze. Dit artikel verzekert dat de vergoeding aan alle betrokkenen met een zakenrechtelijke relatie tot het vastgoed samen steeds 100% van de waardedalingsschade bedraagt. Eiseres staat (of stond) niet in een zakenrechtelijke relatie tot het bedrijfspand.
5.3.
De rechtbank volgt eiseres niet en oordeelt dat eiseres op geen enkel moment een zakenrechtelijke positie ten opzichte van het bedrijfspand heeft gehad en dus ook niet op de peildatum 16 augustus 2012. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
5.3.1.
Artikel 3.8, zesde lid, van de Procedure en werkwijze luidt:
“Het Instituut houdt bij het bepalen van de waardedaling van de niet-woning die toekomt aan de aanvrager rekening met de zakenrechtelijke positie van de aanvrager ten opzichte van de niet-woning, waaronder het gedeelte van de eigendom dat aan de aanvrager toebehoort en de periode waarin de aanvrager die niet-woning in eigendom had.”
Uitgangspunt is, aldus het Instituut dat vereist is dat de aanvrager van een vergoeding van waardedaling van de niet-woning een zakenrechtelijke positie moet hebben ten opzichte van de niet-woning. Een zakenrechtelijke positie vloeit voort uit het hebben van een zakelijk recht. Zakelijke rechten bestaan alleen voor zover daar een wettelijke basis voor bestaat, oftewel dit zakelijke recht moet zijn genoemd in een wettelijke regeling. Zakelijke rechten zijn absolute rechten op zaken en vinden hun wettelijke grondslag in Boek 5 van het BW. Dit zijn achtereenvolgens eigendom, mandeligheid, erfdienstbaarheden, erfpacht, opstal en appartementsrechten.
5.3.2.
Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres een zakelijk recht heeft (gehad) op het bedrijfspand. Het bedrijfspand is namelijk (volledig) in eigendom van [vastgoedholding] Eigendom is het meest omvattende recht dat een (rechts)persoon op een zaak kan hebben. Eiseres was weliswaar aandeelhouder en bestuurder van [vastgoedholding], maar dit brengt hoogstens met zich mee dat eiseres een vermogensrechtelijke positie had ten opzichte van [vastgoedholding] als het gaat om bijvoorbeeld zeggenschap. Dit aandeelhouderschap brengt geen zakenrechtelijke positie ten opzichte van het bedrijfspand met zich mee. Voor zover eiseres wil betogen dat dit wel het geval is, berust dit op een onjuiste rechtsopvatting. [vastgoedholding] is een privaatrechtelijke rechtspersoon die als zelfstandig juridische entiteit aan het rechtsverkeer deelneemt met eigen rechten en plichten en een afgescheiden vermogen. Tot dat vermogen behoort het bedrijfspand dat als vaste materiële activa (bezitting) op de balans van [vastgoedholding] is opgenomen. Van middellijk eigendom van het bedrijfspand, zoals eiseres stelt, is geen sprake. Dat eiseres op de peildatum 16 augustus 2012 een (beperkt) zakelijk recht had op het bedrijfspand, is gesteld noch gebleken. Eiseres heeft dus geen zelfstandige vordering jegens het Instituut met betrekking tot een eventuele waardedalingsvergoeding van het bedrijfspand.
5.4.
Daarnaast heeft eiseres ook geen ‘afgeleid recht’ op een eventuele schadevergoeding. Als er sprake is van waardedaling van het bedrijfspand als gevolg van mijnbouwactiviteiten, geldt dat de NAM onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [vastgoedholding] als eigenaar van het bedrijfspand. Het leerstuk van de afgeleide schade, dat voortvloeit uit vaste rechtspraak, brengt met zich mee dat onrechtmatig handelen jegens een vennootschap niet ook een onrechtmatig handelen jegens de aandeelhouders van die vennootschap oplevert, tenzij jegens de aandeelhouder zelf een zorgvuldigheidsnorm is geschonden. [3] Beslissend is dus of de geschonden norm specifiek strekt tot bescherming van het vermogensbelang van in dit geval de aandeelhouder. Daar is hier geen sprake van. De waardedalingsregeling strekt niet mede tot bescherming van aandeelhoudersbelangen. Het Instituut hoeft alleen schade te vergoeden waarvoor de NAM daadwerkelijk, civielrechtelijk aansprakelijk zou zijn. Enkel [vastgoedholding] heeft als (juridisch) eigenaar van het bedrijfspand mogelijk recht op een schadevergoeding in verband met de waardedaling van het bedrijfspand en kan een aanvraag voor deze waardedalingsvergoeding bij het Instituut doen.
5.5.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of, en zo ja, hoeveel nadeel eiseres heeft geleden. De rechtbank wijst er bovendien op dat eiseres, in het geval zij werkelijk schade heeft geleden door de lagere verkoopprijs van de aandelen als gevolg van de waardedaling van het bedrijfspand door mijnbouwactiviteiten, zij deze veronderstelde schade mogelijk kan verhalen via de civielrechtelijke weg op de nieuwe aandeelhouder van [vastgoedholding] Deze bestuursrechtelijke procedure is daarvoor niet de aangewezen weg.
5.6.
Het voorgaande betekent dat deze beroepsgrond niet slaagt.
Is er sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel?
6. Eiseres stelt verder dat het bestreden besluit niet in overeenstemming is met het doel van de waardedalingsregeling en dat dit meebrengt dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Daartoe voert eiseres het volgende aan. Als alleen [vastgoedholding] aanspraak kan maken op een waardedalingsvergoeding, dan profiteert de nieuwe aandeelhouder hiervan, terwijl eiseres als degene die daadwerkelijk schade heeft geleden als gevolg van de waardedaling, dan niet gecompenseerd wordt. Het Instituut betwist dit.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt.
6.2.
Het doel van de waardedalingsregeling is om de schade aan niet-woningen door waardedaling als gevolg van mijnbouwactiviteiten te vergoeden. Die vergoeding komt toe aan de (rechts)persoon die de schade heeft geleden en daarmee in zijn/haar vermogen wordt geraakt. Dat is in dit geval niet eiseres, maar [vastgoedholding] Eiseres bepleit impliciet om het eigendomsrecht van [vastgoedholding] te doorkruisen. Dit doet eiseres door te stellen dat [vastgoedholding] als ‘papieren’ eigenaar van het bedrijfspand en/of vehikel geen recht heeft op een eventuele waardedalingsvergoeding. Deze vergoeding komt volgens haar (deels) aan eiseres toe, omdat zij door de aandelentransactie met [aandeelhouder] schade heeft geleden die in haar ogen het directe gevolg is van de waardedaling van het bedrijfspand door mijnbouwactiviteiten. Daar gaat de rechtbank niet in mee. Er moet sprake zijn van een zakenrechtelijke positie ten opzichte van het bedrijfspand en die heeft eiseres niet (zie ook 5.3.2.). Deze eis is logisch en dus niet onredelijk. Dat eiseres daardoor geen aanspraak kan maken op de waardedalingsvergoeding, is niet in strijd met het doel van de regeling. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het evenredigheidsbeginsel niet geschonden is.
6.3.
Deze beroepsgrond dus evenmin.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en geen aanspraak kan maken op een waardedalingsvergoeding. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. Gans, voorzitter, en mr. L.M. Praamstra en
mr. P. van der Stroom, leden, in aanwezigheid van mr. A. Huizenga-Bergsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 3.8, zesde lid, van de Procedure en werkwijze.
2.Rechtbank Noord-Nederland 11 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2759.
3.HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564, r.o. 3.4.1.