Uitspraak
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Inleiding
Feiten
Op 4 november 2022 heeft de staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst aangekondigd dat er voor degenen die geen ( tijdig) bezwaar hebben gemaakt voor de jaren 2017- 2020 een procedure 'massaal bezwaar plus' wordt ingericht. In deze procedure wordt aan de Hoge Raad de vraag voorgelegd of deze belanghebbenden alsnog in aanmerking komen voor rechtsherstel. De uitkomst van de procedure geldt voor de jaren 2017- 2020. U doet automatisch mee en u hoeft voor deze jaren geen bezwaar of verzoek meer in te dienen. (…)”
Beoordeling door de rechtbank
Kunnen degenen wiens aanslag inkomstenbelasting over het kalenderjaar 2017 of 2018 of 2019 of 2020 reeds onherroepelijk vaststond op 24 december 2021 (hierna: de niet-bezwaarmakers) wegens strijd met supranationale bepalingen, zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM of artikel 14 EVRM Pro, of strijd met nationale regelingen of strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend het evenredigheidsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel, een beroep doen op het arrest dat de Hoge Raad op die datum gewezen heeft?’ [4]
2.5. Emancipatie en economische zelfstandigheid
3.4. Individualisering
De leden van de fractie van het CDA vragen of de geboden vrije keuzemogelijkheid bij de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag niet strijdig is met de individualiseringsgedachte. De leden van de SGP-fractie zien deze vrije toerekening op zich als een positieve ontwikkeling. Zij zien hierin een klein stukje splitsingsstelsel, maar zien het als een gemiste kans dat de vrije toerekening niet meer inkomensbestanddelen omvat, zodat het splitsingsstelsel in veel verdergaande mate zou worden gerealiseerd. Het uitgangspunt van de in artikel 2.4.4 [Rechtbank: artikel 2.17] neergelegde regeling is dat de belastingheffing zoveel mogelijk wordt geïndividualiseerd. Bij een aantal inkomstensbestanddelen en de bestanddelen van de rendementsgrondslag zou volledige individualisering – zoals we elders in deze paragraaf nader toelichten – kunnen leiden tot complexe toerekeningsproblemen bij partners, met name indien sprake is van een gezamenlijk vermogen. Toerekeningsproblemen kunnen ook ontstaan indien het uitgaven betreft die verband houden met de kinderen van de partners. Omwille van de uitvoerbaarheid is gekozen voor een praktische regeling. De leden van de fractie van CDA vragen waarom ten behoeve van de eenvoud niet is gekozen voor een splitsingsstelsel. De leden van de SGP-fractie vragen waarom niet is overgegaan tot het uitbreiden van de inkomensbestanddelen waarvoor deze regeling geldt.
Het voorstel komt op het volgende neer. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt een basispartnerbegrip opgenomen dat geldt voor alle belastingwetten. Tot dat begrip behoren gehuwden, geregistreerde partners en samenwonenden met een notarieel samenlevingscontract die in de GBA staan ingeschreven op hetzelfde woonadres. Vervolgens kan het basispartnerbegrip in de afzonderlijke wetten worden uitgebreid of kunnen de voorwaarden worden aangevuld. Daarbij geldt dat op basis van objectieve criteria wordt bepaald of er sprake is van partnerschap en wanneer het partnerschap begint en ophoudt te bestaan.
alleinkomensbestanddelen bij fiscaal partnerschap. Volledige individualisering zou volgens de wetgever kunnen leiden tot complexe toerekeningsproblemen bij partners. Voor de nog niet (volledig) geïndividualiseerde inkomensbestanddelen, de gemeenschappelijk inkomensbestanddelen, heeft de wetgever aan belastingplichtigen de keuze gelaten bij wie de gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten voor welk deel worden aangegeven. Aangezien dit uitgangspunt niet van redelijke grond ontbloot is, dient het door de rechter te worden gerespecteerd.