ECLI:NL:RBNNE:2026:2626

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
LEE 25/5532
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 EVRMArt. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 1 Twaalfde Protocol EVRMWet inkomstenbelasting 2001Artikel 8.1 Wet IB 2001
Verwijzingen
21 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op arbeidskorting voor IVA-uitkering op grond van het gelijkheidsbeginsel

Eiser, die een inkomen geniet uit een IVA-uitkering, stelde beroep in tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2024, omdat de inspecteur geen arbeidskorting had toegepast. Eiser voerde aan dat dit leidt tot ongelijke belastingdruk ten opzichte van personen met een gelijk brutoinkomen uit arbeid, wat volgens hem in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank overwoog dat de arbeidskorting specifiek is bedoeld om het verrichten van betaalde arbeid aantrekkelijker te maken en dat het inkomen van eiser, als inkomen uit vroegere dienstbetrekking, niet gelijk is aan arbeidsinkomen. Hierdoor is geen sprake van gelijke gevallen. De rechtbank wees het beroep af omdat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het verdelen van belastingdruk en de regeling een objectieve rechtvaardiging kent.

Verder toetste de rechtbank het beroep aan het verdragsrechtelijke discriminatieverbod (artikel 14 EVRM Pro) en concludeerde dat de ongelijke behandeling gerechtvaardigd is. Het beroep op het VN-verdrag werd niet rechtstreeks getoetst. De aanslag werd bevestigd en het griffierecht werd niet teruggegeven.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat eiser geen recht heeft op arbeidskorting voor zijn IVA-uitkering en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/5532

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de inspecteur van de Belastingdienst / Particulieren, kantoor Amsterdam, de inspecteur
(gemachtigde: [naam 1] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 november 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2024 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.609.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Eiser heeft nadere stukken en een pleitnota overgelegd.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, en namens de inspecteur mr. [naam 2] , mr. [naam 3] en [naam 4] .

Feiten

2.1.
In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2024 heeft eiser onder de rubriek pensioen, lijfrente en andere uitkeringen de volgende inkomsten opgegeven:
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
1.08
Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)
54.377
Totaal
55.457
2.2.
De inkomsten van het UWV betreffen een uitkering voor volledig arbeidsongeschikten (IVA-uitkering).
2.3.
Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2024 heeft de inspecteur de aangifte van eiser gevolgd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag IB/PVV voor het jaar 2024 niet te hoog heeft vastgesteld. In dit geval gaat het om de vraag of de inspecteur terecht geen arbeidskorting heeft verleend. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2024 niet te hoog is vastgesteld
.De inspecteur heeft terecht geen arbeidskorting verleend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunt van eiser
5. Eiser stelt dat, omdat ten aanzien van zijn soort inkomen geen arbeidskorting wordt toegepast, er een grote ongelijkheid ontstaat in belastingdruk met mensen met een gelijk brutoinkomen die hun inkomen uit arbeid halen. Die ongelijkheid is niet gerechtvaardigd. Eiser is volledig arbeidsongeschikt verklaard. Dat hij zijn inkomen niet uit arbeid haalt berust niet op een keuze. Eiser wijst er daarbij op dat de arbeidskorting de laatste jaren steeds hoger geworden is, waardoor het verschil in belastingdruk nog groter is geworden. De ongelijkheid werkt ook door in andere regelingen. Eiser heeft drie studerende kinderen. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) berekent wat ouders kunnen bijdragen aan de studie van hun kinderen op grond van het verzamelinkomen. Het verzamelinkomen van iemand die werkt en hetzelfde bedrag aan inkomen heeft als eiser is niet anders. Maar omdat eiser geen arbeidskorting krijgt is zijn netto inkomen, waaruit de eigen bijdrage voor de studerende kinderen betaald moet worden, veel lager. De bijdrage die DUO veronderstelt van ouders is voor eiser daarom naar verhouding een groter deel van zijn nettoinkomen.
Standpunt van de inspecteur
6. De inspecteur stelt dat het een bewuste keuze van de wetgever is geweest om voor het soort inkomen dat eiser geniet, ook wel inkomen uit vroegere dienstbetrekking genoemd, geen arbeidskorting toe te passen. In de brief van de staatssecretaris naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2024 [1] is te lezen dat nog steeds aan die keuze wordt vastgehouden. [2] De arbeidskorting geldt alleen voor loon uit tegenwoordige arbeid. Het inkomen van eiser is daarmee niet gelijk te stellen. De inspecteur wijst er verder op dat de arbeidskorting sinds een aantal jaar inkomensafhankelijk is. Bij een bepaald inkomen neemt de arbeidskorting af. Ook mensen met een heel hoog arbeidsinkomen hebben daarom geen recht op arbeidskorting. Er zit dus ook een draagkrachtgedachte in. De regeling is bedoeld om arbeidsparticipatie te stimuleren. Dat de hoogte van de arbeidskorting sterk is toegenomen in de loop der jaren heeft verschillende redenen, onder meer inflatiecorrectie en inkomenspolitiek. De stijging van de arbeidskorting kan daar niet los van bezien worden.
Nadere duiding van het geschil
7. Tussen partijen is niet in geschil dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2024 de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) naar de letter juist heeft toegepast. Op grond van de Wet IB 2001 heeft eiser geen recht op arbeidskorting omdat zijn inkomsten niet vallen onder het begrip arbeidsinkomsten. [3]
8. De rechtbank begrijpt eiser zo dat hij stelt dat sprake is van schending van het verdragsrechtelijke discriminatieverbod. De rechtbank zal daarom toetsen of de beperking van de arbeidskorting tot enkel arbeidsinkomsten in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM (het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel).
9. Eiser heeft in zijn pleitnota verwezen naar het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (VN-verdrag). De rechtbank is van oordeel dat de bepalingen van het VN-verdrag zich niet lenen voor rechtstreekse toepassing. Artikel 5 van Pro het VNverdrag, dat gaat over gelijkheid en non-discriminatie, bevat geen zelfstandige normen. Er staan enkel opdrachten aan de partijen bij het verdrag in. De rechtbank toetst daarom niet aan de bepalingen van dit verdrag. [4]
Juridisch kader voor het verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel
10. Het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel verbiedt een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Op fiscaal gebied komt aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en zo ja, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon moet het oordeel van de wetgever daarbij worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond is ontbloot. [5] De ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever omvat bij uitstek de verdeling van de belastingdruk over categorieën belastingplichtigen. [6]
Achtergrond en doel van de arbeidskorting
11. De arbeidskorting is ingevoerd in 2001 met de Wet IB 2001. In de Memorie van Toelichting bij de Wet IB 2001 is over de arbeidskorting onder meer het volgende opgenomen:

Om het verrichten van betaalde arbeid aantrekkelijker te maken wordt een specifieke heffingskorting voor werkenden ingevoerd, de arbeidskorting. In samenhang hiermee wordt het arbeidskostenforfait verlaagd. [7]
12. In het oorspronkelijke wetsvoorstel voor de Wet IB 2001 werd de arbeidskorting becijferd op maximaal € 697. Het arbeidskostenforfait zou daarnaast blijven bestaan en worden gemaximaliseerd op € 573. [8]
13. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel voor de Wet IB 2001 is het arbeidskostenforfait uiteindelijk geschrapt uit het wetsvoorstel, en is de arbeidskorting verhoogd. [9]
14. Bij de inwerkingtreding van de Wet IB 2001 per 1 januari 2001 bedroeg de arbeidskorting maximaal € 920.
15. In 2024 was de maximale arbeidskorting € 5.532.
16. In het belastingplan 2014 is onder meer het volgende opgenomen over de verhoging van de arbeidskorting (voor de jaren 2014, 2015 en 2016):

De aanpassingen in de arbeidskorting vloeien deels voort uit de in het regeerakkoord voorziene stapsgewijze verhoging van de arbeidskorting. Daarnaast wordt de arbeidskorting ingevolge de motie Zijlstra/Samsom verder verhoogd. Voorts is in het aanvullend pakket erin voorzien dat de arbeidskorting in 2014 sneller stijgt dan in het regeerakkoord (aangevuld met de motie Zijlstra/Samsom) was voorzien. Door de forse verhoging van de arbeidskorting wordt werken lonender. In totaal stijgt het maximum van arbeidskorting als gevolg van deze maatregelen in een periode van vier jaar met in totaal € 836 (in prijzen 2013). Dit gebeurt door het maximum van de arbeidskorting met ingang van 1 januari 2014 te verhogen met € 374 van € 1.723 tot € 2.097. Vervolgens wordt het maximum van de arbeidskorting met ingang van 1 januari 2015 verder verhoogd met € 103, met ingang van 1 januari 2016 met € 229 en met ingang van 1 januari 2017 met nog eens € 130. Daarnaast wordt de arbeidskorting voor hogere inkomens in drie stappen verder afgebouwd, uiteindelijk tot nihil. Daardoor zal in 2017 vanaf een inkomen van circa € 110.000 geen recht op arbeidskorting meer bestaan. Deze wijzigingen in de arbeidskorting hebben in de jaren 2014 tot en met 2017 en structureel het volgende budgettaire beslag. [10]
17. In het belastingplan 2023 is onder meer het volgende opgenomen over de verhoging van de arbeidskorting:

De maatregelen in dit Belastingplan zijn onderdeel van een breder pakket aan maatregelen dat ten doel heeft om de koopkracht van lage inkomens te ondersteunen, werken meer lonend te maken en de belastingdruk op arbeid en vermogen meer in balans te brengen. De verhoging van de arbeidskorting maakt werken meer lonend en verlaagt de belastingdruk op arbeid. De verlaging van het tarief eerste schijf verlaagt de belastingdruk op inkomen in box 1. Daarmee dragen de maatregelen bij aan de doeltreffendheid van het pakket. Door de schijfgrens in box 1 te verlagen en het afbouwpercentage van de arbeidskorting te verhogen, worden de budgettaire kosten beperkt zonder dat dit ten koste gaat van de groepen die deze maatregelen het meest nodig hebben. Dit vergroot de doelmatigheid van het pakket.
Relatie aanpassing arbeidskorting en verhoging wettelijk minimumloon
De verlaging van de indexatie van de inkomensgrenzen en percentages van de arbeidskorting is onderdeel van de bijzondere verhoging van het Wettelijk Minimum Loon (WML). Doel van deze verhoging is om werken lonender te maken en het bestaansminimum te verstevigen. De inkomens grenzen van de arbeidskorting worden wettelijk vastgesteld op basis van percentages van het WML. Op deze manier worden de grenzen, net als het WML, geïndexeerd volgens de contractloonontwikkeling. Bij een WMLverhoging stijgt normaliter wel het WML, maar stijgt de contract loonontwikkeling niet direct navenant mee. Gevolg hiervan is dat de verhoging van het WML deels zou worden afgeroomd voor onder andere deeltijdwerkers met een laag inkomen, omdat de arbeidskorting in het opbouwtraject sterk zou dalen. Dit gaat in totaal om ruim € 700 miljoen minder arbeidskorting voor werkenden met een benedenmodaal inkomen. Aan de andere kant zouden werkenden met een bovenmodaal inkomen (in het afbouwtraject van de arbeidskorting) er door deze indexatie van de grenzen als gevolg van de WML-verhoging juist gezamenlijk meer dan € 700 miljoen op vooruit gaan. Het kabinet acht een dergelijke doorwerking van de WML-verhoging onbedoeld en ongewenst. Met de voorgestelde maatregel wordt dit voorkomen en wordt de doeltreffendheid van de WML-verhoging vergroot, omdat juist het opbouwtraject van de arbeidskorting werken lonender maakt. Daarnaast wordt de doelmatigheid vergroot omdat een kostbaar neveneffect (een lastenverlichting voor hoge inkomens) wordt voorkomen. [11]
18. In het belastingplan 2024 is het volgende opgenomen over de verhoging van de arbeidskorting:

Doeltreffendheid en doelmatigheid
De maatregelen in dit Belastingplan zijn onderdeel van een breder pakket aan maatregelen dat als doel heeft om de koopkracht van met name lage inkomens te ondersteunen en de armoedecijfers niet te laten stijgen. Door het schrappen van de eerder voorgenomen halvering van de jonggehandicaptenkorting wordt voorkomen dat de belastingdruk voor deze groep toeneemt. Het verhogen van de arbeidskorting met € 115 bij het tweede knikpunt maakt werken meer lonend en verlaagt de belastingdruk op arbeid. Daarmee dragen de maatregelen bij aan de doeltreffendheid van het pakket. Door het aanvangspunt van het toptarief en de tweede schijf voor gepensioneerden te minder te verhogen worden de budgettaire kosten beperkt, zonder dat dit ten koste gaat van de groepen die de maatregelen uit het pakket het hardst nodig hebben. Dit vergroot de doelmatigheid van het pakket. [12]
Beoordeling door de rechtbank
19. Bij toetsing aan het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel moet eerst de vraag beantwoord worden of sprake is van gelijke gevallen. In dit geval moet daarom beoordeeld worden of de situatie van eiser – iemand met inkomen uit (met name) een IVA-uitkering – gelijk te stellen is aan de situatie van iemand met inkomen uit tegenwoordige arbeid (arbeidsinkomsten).
20. Bij de toetsing of sprake is van gelijke gevallen moet gekeken worden naar het doel van de regeling die tot de ongelijke behandeling leidt. [13] In dit geval is die regeling de arbeidskorting. Uit de stukken die de rechtbank hiervoor heeft aangehaald (zie 11. tot en met 18.) volgt dat de arbeidskorting met name als doel heeft het verrichten van betaalde arbeid aantrekkelijker te maken. [14] Bezien vanuit dat doel bestaat er een relevant en objectief verschil tussen het inkomen van eiser (fiscaal ook wel geduid als inkomen uit vroegere dienstbetrekking) en dat van iemand die met inkomen uit tegenwoordige arbeid. De arbeidskorting is immers juist bedoeld om laatstgenoemde categorie inkomen aantrekkelijker te maken. Vanuit de regeling van de arbeidskorting bezien is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake van gelijke gevallen. Reeds hierom kan het beroep op het verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel niet slagen.
21. Dat eiser door zijn arbeidsongeschiktheid geen mogelijkheid heeft om inkomen uit arbeid te realiseren en dat de kloof met mensen die wel kunnen werken gaandeweg steeds groter is geworden door de verhoging van de arbeidskorting (zie 11. tot en met 18.), doet aan het voorgaande niet af. Ook de berekeningswijze voor de ouderlijke bijdrage in de studiekosten, die voor eiser nadelig uitpakt, doet niet aan het voorgaande af. Dit zijn argumenten die pas aan de orde komen als de rechtbank van oordeel zou zijn dat wel sprake is van gelijke gevallen, en zou beoordelen of voor de ongelijke behandeling een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Omdat de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van gelijke gevallen, komt de rechtbank niet aan die beoordeling toe.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2024 terecht geen arbeidskorting heeft toegepast. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2024 wordt dus niet verlaagd. Eiser krijgt het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 7 juli 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657.
2.Kamerstukken II 2024/2025, 29 544, nr. 1273 (brief van de staatssecretaris van 14 maart 2025).
3.Zie artikel 8.1, eerste lid, onderdeel e, en artikel 8.11 van de Wet IB 2001.
4.Vergelijk Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 november 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3806, r.o. 4.6.
5.Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657, r.o. 5.3.1.
6.Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:429, r.o. 2.5.2.
7.Kamerstukken II 1998/1999, 26 727, nr. 3, p. 23.
8.Kamerstukken II 1998/1999, 26 727, nr. 3, p. 23.
9.Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 19, p. 17.
10.Kamerstukken II 2013/2014, 33 752, nr. 3, p. 7-8.
11.Kamerstukken II 2022/2023, 36202, nr. 3, p. 7-8.
12.Kamerstukken II 2023/2024, 36 418, nr. 3, p. 8-9.
13.Vergelijk Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657, r.o. 5.3.2.
14.Vergelijk ook de conclusie van A-G Pauwels van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:459, hoofdstuk 6.