Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser(gemachtigde: mr. N.A.H. Limbourg),
Samenvatting
niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat sprake is van misbruik van recht, zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Wet open overheid (Woo). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat die beslissing niet juist is, omdat de bepaling door de minister niet kon worden ingeroepen. Het beroep van eiser is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop1.Eiser heeft op 19 november 2023 een verzoek ingediend op openbaarmaking van informatie zoals bedoeld in artikel 4 van de Woo. Het verzoek heeft betrekking op alle informatie die ziet op het versturen en/of ontvangen van Europese aanhoudingsbevelen, van en/of aan Malta door de Internationale Rechtshulp Centra, in de periode van 1 januari 2021 tot en met 19 november 2023.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepen geregistreerd onder de nummers LEE 25/1661, LEE 25/923, LEE 25/1271, LEE 25/2613 en LEE 25/1021. [1] Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van minister. De gemachtigde van eiser is niet verschenen. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Op de zitting heeft eiser zijn verzoek om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting, ingetrokken. De rechtbank beoordeelt hierna de overgebleven gronden van beroep.
‘Indien de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of indien het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft, kan het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie, besluiten het verzoek niet te behandelen.’
De antimisbruikbepaling van artikel 4.6 van de Woo biedt het bestuursorgaan de mogelijkheid om, indien sprake is van misbruik, een verzoek als bedoeld in artikel 4.1 van de Woo buiten behandeling stellen. De bepaling ziet aldus op een verzoek. Dat blijkt ook uit het feit dat de bepaling is opgenomen in hoofdstuk 4 van de wet, dat gaat over verzoeken.
Conclusie en gevolgen13.Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister onterecht de antimisbruikbepaling van artikel 4.6 van de Woo heeft ingeroepen en het bezwaar van eiser tegen het inhoudelijke besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Beslissing
- draagt de minister op om binnen een termijn van twaalf weken na de dag van verzending
van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen met
inachtneming van deze uitspraak;
mr. K. Lenting, griffier.