ECLI:NL:RBNNE:2026:2201

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
KL 11906578 \ CV EXPL 25-5314 (E)
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 172 lid 3 GemeentewetArt. 1:3 AwbArt. 223 RvArt. 2 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot teruggave en verbod euthanasie hond na bijtincident

De eigenaresse van een Amerikaanse Staffordshire Terriër, Pablo, vordert dat de gemeente wordt bevolen de hond binnen 24 uur terug te geven en het euthanaseren te verbieden. Pablo was betrokken bij een ernstig bijtincident waarbij een vrouw een open wond opliep. De gemeente nam de hond in beslag en liet een risicoanalyse uitvoeren die een zeer hoog herhaald bijtrisico concludeerde, met als enige dierenwelzijnsvriendelijke optie euthanasie.

De eigenaresse betwist de rechtmatigheid van de inbeslagname en de conclusies van de risicoanalyse, en overlegt een eigen gedragsbeoordeling die geen rechtvaardiging voor euthanasie ziet. De gemeente stelt dat zij geen wettelijke bevoegdheid heeft tot euthanasie, maar dat zij op grond van positieve verplichtingen uit het EVRM (artikelen 2 en 8) tot euthanasie kan besluiten om de persoonlijke levenssfeer en het recht op leven van burgers te beschermen.

De rechtbank oordeelt dat de gemeente als decentrale overheid wel onder het EVRM valt en dat de positieve verplichtingen van toepassing zijn. Gezien de ernst van het incident, de risicoanalyses en het feit dat teruggeven van de hond niet verantwoord is, is het besluit tot euthanasie redelijk gemotiveerd. De vordering wordt afgewezen en de eigenaresse wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot teruggave van de hond en het verbod op euthanasie af en veroordeelt de eigenaresse in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: 11906578 \ CV EXPL 25-5314
Vonnis van 9 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J. Biemond,
tegen
GEMEENTE OOSTSTELLINGWERF,
te Oosterwolde,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Gemeente,
gemachtigde: mr. A.J. Oosterhoff.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging nadere producties van de Gemeente;
- de door [eiser] overgelegde gedragsbeoordeling door drs. [hondengedragsdeskundige] met bijlagen en usb-stick;
- de mondelinge behandeling van 14 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is eigenaresse van een hond, genaamd Pablo. Pablo is een Amerikaanse Staffordshire Terriër.
2.2.
Pablo is op 28 juli 2025 betrokken geweest bij een bijtincident te Oosterwolde. Een vrouw werd tweemaal gebeten door Pablo waarbij sprake was van een open wond van ca 10 cm lang die met 8 hechtingen moest worden gesloten.
2.3.
De Gemeente heeft Pablo op 29 juli 2025 tijdelijk in beslag genomen op grond van artikel 172 lid 3 Gemeentewet Pro. Tegen dit besluit heeft [eiser] op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bezwaar gemaakt.
2.4.
Pablo is vervolgens in opdracht van de Gemeente onderworpen aan een gedragstest uitgevoerd door het riskassesmentteam van de Universiteit Utrecht. Uit de risicoanalyse van de onderzoekers, opgesteld op 15 augustus 2025, komt naar voren dat een herhaald bijtrisico van Pablo zeer hoog is, dat Pablo niet terug kan naar [eiser] en ook niet herplaatsbaar is. Aanbevolen wordt, enkel als dierenwelzijnsvriendelijke optie, om Pablo te euthanaseren.
2.5.
De Gemeente heeft naar aanleiding van de risicoanalyse [eiser] bij brief van 25 augustus 2025 bericht dat Pablo niet aan haar wordt teruggegeven en dat de gemeente voornemens is Pablo te laten euthanaseren. De Gemeente heeft [eiser] daarbij een termijn van 6 weken gegeven om deze beslissing voor te leggen aan de civiele rechter. Deze brief word hierbij, voor zover van belang, geciteerd:
‘(…) Op maandagavond 28 juli 2025 heeft uw hond (een zwarte Stafford, roepnaam Pablo) een zeer
ernstig bijtincident veroorzaakt. Naar aanleiding van dit incident hebben toezichthouders van de
gemeente op dinsdagmiddag 29 juli 2025 deze hond tijdelijk in beslag genomen. Dit is geschied op
grond van artikel 172 lid 3 Gemeentewet Pro. Als burgemeester heb ik u dat bij brief van 4 augustus 2025
schriftelijk bevestigd.
Inmiddels is Pablo onderzocht door een hondengedragsdeskundige (meer in het bijzonder: het
Riskassessmentteam van de Universiteit Utrecht). Deze heeft een risicoanalyse opgesteld. Die treft u
bijgaand aan. Na zorgvuldig onderzoek van uw hond Pablo is het riskassessmentteam tot de
conclusie gekomen dat het risico op een herhaald bijtincident naar mensen, kinderen en honden zeer
hoog is. De conclusie is dat de hond - ook gelet op eerdere incidenten - niet terug kan naar u als
eigenaar en ook niet herplaatsbaar is. De aanbeveling is de hond te euthanaseren. Dat is volgens de
risicoanalyse ook de dierenwelzijnsvriendelijke optie.
Ik hoop dat u begrijpt dat, onder deze omstandigheden, er voor de gemeente geen sprake van kan
zijn dat de hond aan u wordt teruggegeven. Teruggave van die hond zou, gelet op de duidelijke
inhoud van de risicoanalyse, ook strijdig zijn met de positieve verplichtingen die voor de gemeente
voortvloeien uit het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10 Gw Pro en artikel
8 EVRM) en - in potentie zelfs - met het recht op leven (artikel 2 EVRM Pro) van burgers. Gelet op de
inhoud van de risicoanalyse voornoemd rest er niets anders dan hond Pablo te laten euthanaseren.
Hierbij bericht ik u dan ook dat de gemeente voornemens is daartoe over te gaan. Meer in het
bijzonder zal de gemeente de hond Pablo over zes weken, te rekenen vanaf de dagtekening van deze
brief, laten euthanaseren. De gemeente hanteert die termijn van zes weken, omdat de gemeente u
nog wel de gelegenheid wil geven om de beslissing tot euthanasie, indien u dat wenst, voor te leggen
aan de rechter in een civielrechtelijk kort geding. Civielrechtelijk omdat, op basis van vaste
jurisprudentie van de civiele rechter en de bestuursrechter, beslissingen als de onderhavige over wat
er na een inbeslagname met een hond gebeurt, feitelijk handelen van de gemeente betreft, die niet
kunnen worden aangevochten bij de bestuursrechter. (…)
burgemeester van Gemeente Ooststellingwerf.’
2.1.
In januari 2025 is Pablo, met medewerking van de Gemeente, gedurende zes weken onderzocht door een door [eiser] aangewezen hondengedragsdeskundige, te weten drs. [hondengedragsdeskundige] te [plaats] (hierna: [hondengedragsdeskundige] ). In het rapport dat naar aanleiding van dit onderzoek is opgemaakt op 2 maart 2026 concludeert [hondengedragsdeskundige] dat er geen grond is die het laten inslapen van Pablo op grond van gedrag zou rechtvaardigen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente beveelt om de hond Pablo binnen 24 uur na het te wijzen vonnis aan [eiser] (terug) te geven, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of deel daarvan dat de Gemeente met de teruggave in gebreke blijft, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan haar vordering onder meer ten grondslag dat de rechtmatigheid van de inbeslagname van Pablo niet vaststaat. [eiser] weerspreekt daarnaast de bevindingen en adviezen van het riskassessmentteam van de Universiteit Utrecht.
3.2.
De Gemeente voert verweer. De Gemeente concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De Gemeente heeft zowel besloten tot inbeslagname van de Pablo als tot zijn euthanasie. Over de rechtmatigheid van het eerste besluit dient in geval van beroep de bestuursrechter te oordelen. Het besluit tot euthanaseren betreft echter feitelijk handelen en valt daarom niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro. De rechtmatigheid van dat (voorgenomen) feitelijk handelen staat ter beoordeling van de civiele rechter [1] .
4.2.
Bij incidenteel vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 9 december 2025 heeft deze het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro afgewezen. In dat kader vorderde [eiser] onder meer de Gemeente te verbieden Pablo te euthanaseren. In het onderhavige geschil vordert [eiser] niet een dergelijk verbod maar enkel de teruggave van Pablo. Deze teruggave raakt het besluit tot inbeslagname, welk besluit niet ter beoordeling van de kantonrechter staat. Gezien het in het geschil tussen partijen gevoerde debat zal de kantonrechter de vordering van [eiser] evenwel lezen als het in het incident gevorderde verbod tot euthanaseren.
4.3.
De beoordeling van die vraag valt uiteen in twee onderdelen. Is er (a) een bevoegdheid van der Gemeente Pablo te euthanaseren en zo ja, (b) heeft de Gemeente op goede gronden tot dit besluit kunnen komen?
a)
de bevoegdheid van de Gemeente
4.4.
De Gemeente heeft ter zitting betoogd dat noch krachtens de zogenaamde lichte bevelsbevoegdheid geregeld in artikel 172 lid 3 Gemeentewet Pro, noch door toepassing van bestuursdwang als geregeld in de Awb euthanasie van Pablo mogelijk is. Bij de eerste grondslag baseert de Gemeente zich op vaste jurisprudentie waarbij het euthanaseren van een hond de strekking van dit artikel, te weten het treffen van een ordemaatregel, bepaald voorbij zou gaan. In het onderhavige geval biedt volgens de Gemeente bestuursdwang evenmin uitkomst. De Gemeente zag zich na het bijtincident namelijk genoodzaakt dadelijk op te treden en vond geen ruimte [eiser] een tweede kans te geven door Pablo aan haar terug te geven en eerst na het opleggen van een aanlijn- en muilkorfgebod bestuursdwang toe te passen die dan in een later stadium eventueel zou kunnen leiden tot het euthanaseren van de hond.
4.5.
De kantonrechter stelt vast dat, wanneer in gevallen van ernstige bijtincidenten bestuursdwang onvoldoende effectiviteit kan sorteren, er voor de Gemeente wettelijke bevoegdheden ontbreken om dadelijk op te treden [2] .
4.6.
Ter beoordeling ligt de vraag voor of de Gemeente in dit geval, uitgaande van ontbrekende wettelijke bevoegdheden, met succes haar besluit tot euthanaseren kan baseren op de positieve verplichtingen die voor de Staat voortvloeien uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De Gemeente stelt in dit kader dat, als zij de hond niet zou euthanaseren, er jegens haar burgers een schending dreigt van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro en het recht op leven als bedoeld in artikel 2 EVRM Pro.
4.7.
Ter zitting heeft [eiser] betwist dat in dit geval er voor de Gemeente een dergelijke positieve verplichting bestaat. Onder ‘Verdragspartij’ bij toepassing van het EVRM worden niet lagere overheden maar alleen de Rijksoverheid bedoeld. Voorts betoogt [eiser] dat niet toegekomen wordt aan verplichtingen ontleend aan het EVRM omdat de nationale wetgeving adequate voorzieningen biedt voor de door de Gemeente geschetste situaties.
4.8.
Gezien hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.5. passeert de kantonrechter het verweer van [eiser] dat bestaande nationale wetgeving de gemeente voldoende middelen biedt om waar nodig corrigerend op te treden ten aanzien van agressieve honden.
4.9.
Decentrale overheden, als gemeenten en provincies, worden volgens vaste rechtspraak [3] zonder uitzondering tot de in artikel 1 EVRM Pro bedoelde Verdragspartij gerekend waartoe zij behoren. De gemeente kan in dit geval daarom een positieve verplichting ontlenen aan de artikel 2 en Pro 8 EVRM, indien de Gemeente ook overigens heeft voldaan aan de criteria tot toepasselijkheid ervan.
b)
heeft de Gemeente haar besluit voldoende gemotiveerd?
4.10.
Ter onderbouwing van haar besluit heeft de Gemeente vermeld dat zij blijkens politierapportage kennis droeg van zich reeds vóór het bijtincident voordoende overlastsituaties ten aanzien van Pablo. Daarbij stelt de kantonrechter vast dat van de negen klachten het mogelijk bij één ervan zou gaan om agressief gedrag richting mensen. Bij de andere klachten ging het onder meer over blaffen, loslopen en een gestelde vernieling.
4.11.
In de risicoanalyse bijtincident van 15 augustus 2025, uitgevoerd door het risk-assessmentteam van de Universiteit Utrecht, is onder meer geconcludeerd dat het risico van Pablo naar personen (volwassenen en kinderen) als zeer hoog wordt ingeschat. Een dergelijk risico bestaat ook ten aanzien van andere honden waarmee Pablo in contact komt. De hond kan niet terug naar de eigenaar omdat de hond meermaals losliep en de eigenaar de hond niet onder controle heeft. Wegens het zeer hoge bijtrisico is de hond ook niet herplaatsbaar bij derden. Als enige dierwelzijnsvriendelijke optie rest euthanasie. De onderzoekers van het riskassessmentteam bevelen deze optie aan.
4.12.
De kynologische gedragstherapeut [hondengedragsdeskundige] heeft in haar rapport van 2 maart 2026 op verzoek van [eiser] de vraag beantwoord of Pablo voor mensen/kinderen en voor andere honden een gevaar vormt. Zij concludeert dat er door haar geen grond gevonden is om wegens diens gedrag het laten inslapen van Pablo te rechtvaardigen. Op basis van uitgebreide proeven en onderzoekingen constateert [hondengedragsdeskundige] dat Pablo sociaal vriendelijk gedrag toonde naar alle mensen die in zijn buurt kwamen. Ten aanzien van fietsers heeft Pablo een aantal keren de neiging laten zien in hun richting naar voren te bewegen of zelfs licht uit te vallen. Om die reden beveelt [hondengedragsdeskundige] een muilkorf en aanlijnplicht aan. Zij onderzocht, met tussenkomst van een dierenarts, tevens de medische situatie van Pablo. De aangezochte dierenarts heeft geconcludeerd dat sprake is van zware heupdysplasie met daarbij artrose. Ook is er een wortelpuntontsteking aan een afgebroken hoektand. Wegens de chronische pijn is levenslange pijnmedicatie nodig. [hondengedragsdeskundige] heeft benoemd dat pijn een rol kan hebben gespeeld bij het bijtincident. [hondengedragsdeskundige] vermeldt verder dat wegens de pijnklachten de door haar geraadpleegde dierenarts ter overweging heeft gegeven Pablo te laten inslapen en dat zij in het kader van dierenwelzijn genoodzaakt is zich hierbij aan te sluiten. Verder stelt [hondengedragsdeskundige] dat er gerede twijfel bestaat of teruggave van Pablo wel gewenst is nu [eiser] herhaaldelijk in gebreke is gebleven wat betreft het aanlijnen en veilig houden van de hond. [hondengedragsdeskundige] acht gezien het waargenomen gedrag bij Pablo herplaatsing op zich tot de mogelijkheden behoren. Gezien de medische situatie wordt dit echter door haar afgeraden. [hondengedragsdeskundige] oefent zowel naar werkwijze als inhoud uitvoerige kritiek uit op de risicoanalyse die is uitgevoerd door het riskassessmentteam van de Universiteit Utrecht. [eiser] schaart zich achter de bevindingen van [hondengedragsdeskundige] .
4.13.
Weliswaar op verschillende gronden concluderen zowel het riskassessmentteam als [hondengedragsdeskundige] tot het euthanaseren van Pablo. [hondengedragsdeskundige] , zich daarbij vooral baserend op de pijnklachten van Pablo, laat enige ruimte voor de mogelijkheid dat het bijtincident mede veroorzaakt is door het onbehagen bij Pablo als gevolg van pijn. Afgezien van de geadviseerde euthanasie concluderen beide rapporteurs dat Pablo sowieso niet terug gegeven kan worden aan [eiser] .
4.14.
Gezien de ernst van het bijtincident, de conclusies van de beide rapporteurs tot euthanasie van Pablo en het niet teruggeven van Pablo aan [eiser] én de verplichting van de Gemeente de persoonlijke levenssfeer te beschermen, is de kantonrechter van oordeel dat de Gemeente er redelijkerwijs toe heeft kunnen besluiten in dit geval dadelijk het voornemen uit te spreken tot euthanasie van Pablo. Onder deze omstandigheden kan niet van de Gemeente verwacht worden dat zij de weg bewandelt van het alternatief, te weten het opleggen van een aanlijn- en muilkorfgebod onder aanzegging van bestuursdwang, waarbij de in beslaggenomen hond weer teruggegeven zou moeten worden aan [eiser] .
4.15.
De kantonrechter concludeert daarom tot afwijzing van de vordering van [eiser] .
4.16.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punt × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
632,50

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 632,50 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.K. Hoogslag en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026
c 420

Voetnoten

1.vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6739
2.vgl. annotatie bij Raad van State 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1266