Beoordeling door de rechtbank
3. In geschil is of de navorderingsaanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.
4. De inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, eisers ontkennend.
Mocht de inspecteur de navorderingsaanslagen opleggen?
5. De rechtbank beoordeelt eerst of de inspecteur bevoegd was tot het opleggen van de navorderingsaanslagen.
6. Eisers stellen dat de inspecteur niet heeft mogen navorderen. Ten eerste wijzen zij er in dat verband op dat de ontbinding van [bedrijf 2] bij de Belastingdienst bekend was en dat eveneens bekend was dat eiser in bezit was van 8 certificaten. Dit betekent dat er geen sprake is van een nieuw feit. Als wel sprake is van een nieuw feit dan zijn zij van mening dat de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan wat navordering in de weg staat. Daartoe voeren zij aan dat er een vermogenssprong van € 200.000 is ontstaan bij vader omdat van 2017 op 2018 de schuld aan [bedrijf 2] uit box 3 is verdwenen (zie 2.6 en 2.7.). De omvang van deze vermogenssprong is volgens eisers zo groot dat daardoor op zichzelf al een (afgeleide) onderzoeksplicht naar de ingediende aangiften is ontstaan voor de inspecteur. De gemachtigde van eisers heeft ter zitting aangegeven dit standpunt niet te kunnen onderbouwen met rechtspraak, maar dit heeft ontleend aan zijn eigen praktijkervaring.
7. De inspecteur heeft de stellingen van eisers gemotiveerd weersproken.
8. De rechtbank stelt voorop dat vaststaat dat de inspecteur heeft nagevorderd met de bevoegdheid die is neergelegd in artikel 16, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en dat daarin is bepaald dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. In een arrest uit 1997 bevestigt de Hoge Raad zijn vaste leer dat voor de vraag of een nieuw feit aanwezig is, slechts relevant is of de bevoegde inspecteur dan wel iemand voor wie hij verantwoordelijk is, met dat feit bekend was of redelijkerwijs kon zijn, en voorts dat een inspecteur niet gehouden is feiten die hij kent, zo spoedig mogelijk door te zenden naar de bevoegde inspecteur.Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren (ambtelijk verzuim). De inspecteur mag bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die eisers in hun aangiften hebben vermeld. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangiften, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangiften opgenomen gegevens juist zijn.Bij zijn beoordeling dient de inspecteur de aangiften te vergelijken met de gegevens die in de dossiers van de belastingplichtigen aanwezig zijn. De hoofdregel is dat de inspecteur bij het opleggen van een primitieve aanslag in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier van het betreffende belastingmiddel. De inspecteur is alleen gehouden om ook andere (digitale) dossiers te raadplegen, wanneer de gegevens uit het betreffende dossier daartoe aanleiding geven.
9. De rechtbank constateert dat de dagtekening van de aanslagen IB/PVV over het jaar 2018 7 november 2019 (eiseres) en 25 juni 2020 (eiser) is. Deze aanslagen zijn door de inspecteur inkomstenbelasting op die data vastgesteld. Daarnaast constateert de rechtbank dat [bedrijf 2] de aangifte vpb, waarin staat vermeld dat [bedrijf 2] met ingang van 1 januari 2018 is ontbonden, heeft ingediend op 3 december 2019. Op 14 april 2020 wordt vervolgens de aangifte vpb geselecteerd en in behandeling genomen door de inspecteur vennootschapsbelasting. Dit is het moment dat de inspecteur
vennootschapsbelastingredelijkerwijs bekend had kunnen zijn met de liquidatie van [bedrijf 2] . De rechtbank stelt vast dat deze datum later is dan de datum waarop de definitieve aanslag IB/PVV 2018 aan eiseres is opgelegd. Dit betekent dat voor de aanslag IB/PVV 2018 van eiseres de inspecteur IB/PVV op geen enkele wijze bekend had kunnen zijn met dit feit, zelfs de inspecteur vennootschapsbelasting was op moment van aanslagoplegging niet bekend met dit feit.
10. De rechtbank komt voor eiser tot eenzelfde conclusie. Zoals hiervoor gezegd wordt op 14 april 2020 de aangifte vpb in behandeling genomen door de inspecteur vennootschapsbelasting. Met de datum 16 juni 2020 wordt door de inspecteur vennootschapsbelasting een vragenbrief gestuurd aan de boekhouder over de door hen ingediende aangifte vpb. In de periode tussen 16 juni 2020 en 3 augustus 2021 wordt er over en weer gecorrespondeerd over de aangifte vpb. Daarin wordt door de boekhouder gesteld dat sprake is geweest van een geruisloze terugkeer (wat in beginsel wordt ingezet om een vervreemdingsvoordeel (en daaruit voortvloeiend belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang) te voorkomen) vanuit de vennootschap. Op het moment dat de inspecteur vennootschapsbelasting concludeert dat deze geruisloze terugkeer niet aan de voorwaarden voldoet, te weten 3 augustus 2021, neemt de inspecteur vrijwel direct contact op met de inspecteur inkomstenbelasting. Pas op het moment dat de inspecteur vennootschapsbelasting de inspecteur inkomstenbelasting heeft gecontacteerd (zie 2.12.) – na het opleggen van
beideaanslagen IB/PVV 2018 – is de inspecteur inkomstenbelasting bekend geraakt met de ontbinding van [bedrijf 2] en het (mogelijk) daarmee gepaard gaand belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2018 niet bekend was met de ontbinding van [bedrijf 2] en het (mogelijk hieruit voortvloeiende) inkomen uit aanmerkelijk belang. In zoverre levert dit dan ook een feit op dat als uitgangspunt kwalificeert als nieuw feit.
11. Ook is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur niet redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met dat feit. In tegenstelling tot wat eisers beweren was de inspecteur niet gehouden om de aangiften van eisers aan een nader onderzoek te onderwerpen. Dat er geen inkomen uit aanmerkelijk belang was aangegeven en dat er zich van 2017 op 2018 een vermogenssprong in box 3 had voorgedaan in de aangifte van vader door het wegvallen van een schuld met de omschrijving ‘BV’ brengt immers niet automatisch met zich mee dat de gegevens in de aangiften 2018 van eisers onjuist zijn en dat de inspecteur gehouden was nader onderzoek te doen. Er was op basis van deze omstandigheden dus geen (afgeleide) onderzoeksplicht. Als de inspecteur overigens wel op basis van de informatie uit de aangiften IB/PVV gehouden was nader onderzoek te doen, wijst de rechtbank erop dat het raadplegen van het vpb-dossier wellicht ook niet de door eisers veronderstelde aanwezige informatie had verschaft aan de inspecteur. Zeker niet gelet op het standpunt van de boekhouder waarbij allereerst werd beweerd dat sprake was van een
geruislozeterugkeer.
12. De rechtbank komt tot het oordeel dat de inspecteur bevoegd was om de navorderingsaanslagen op te leggen
Is de navorderingsaanslag tot de juiste hoogte vastgesteld?
13. Eisers stellen primair dat de ontbinding van de vennootschap leidt tot een negatief vervreemdingsvoordeel. Omdat er ‘geturboliquideerd’ is, zouden er geen baten meer zijn. Weliswaar staat er een vordering op vader op de balans van [bedrijf 2] , maar uitgaande van de turboliquidatie moet men de conclusie trekken dat deze niet meer aanwezig was ten tijde van de liquidatie. Hiervan uitgaande heeft [bedrijf 2] alleen negatief vermogen wat tot een negatief vervreemdingsvoordeel zou kunnen leiden, aldus eisers. Ter zitting heeft de (bijstand van de) gemachtigde van eisers de mogelijke scenario’s geschetst waardoor de vordering is verdwenen. Namelijk dat de vordering door [bedrijf 2] voorafgaand aan de liquidatie zou zijn kwijtgescholden of als dividend zou zijn uitgekeerd aan vader.
14. De inspecteur heeft de stellingen van eisers gemotiveerd weersproken.
15. De rechtbank overweegt dat het feit dat gebruik is gemaakt van een zogeheten turboliquidatie niet automatisch met zich meebrengt dat er (daadwerkelijk) geen baten zijn geweest ten tijde van de liquidatie. Uit de eerder ingediende aangiften vpb blijkt namelijk dat er een vordering van [bedrijf 2] op vader op de balans staat. Uit het dossier blijkt niet dat deze vordering door [bedrijf 2] is kwijtgescholden of dat er dividend is uitgekeerd aan vader waarmee deze vordering is verrekend. Deze mogelijke gang van zaken, die ter zitting naar voren is gebracht, is niet met stukken onderbouwd. Zoals de (bijstand van de) gemachtigde van eisers ook ter zitting heeft aangegeven, is het ‘gegis’ naar hoe een en ander is afgewikkeld.
16. Subsidiair stellen eisers dat hoewel er meerdere certificaathouders waren, alleen vader genieter is geweest van de vordering of een eventuele uitkering. Dit zou ertoe leiden dat er alleen vader een eventueel belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang heeft genoten en dit voor de andere certificaathouders heeft geleid tot een negatief vervreemdingsvoordeel.
17. Ook het subsidiair standpunt volgt de rechtbank niet. Weliswaar bestond het vermogen van [bedrijf 2] uit een vordering op vader, maar dat brengt niet met zich mee dat alleen
hijgenieter is geweest van een (positief) vervreemdingsvoordeel en daaruit voortvloeiend belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Ook hier weer geldt dat het ter zitting geschetste scenario door de (bijstand van de) gemachtigde van eisers, namelijk dat er mogelijk een aandeelhoudersvergadering heeft plaatsgevonden en dat met 2:216 van het Burgerlijk Wetboek een andere uitkering heeft plaatsgevonden dan naar rato van aandelenbezit, een blote stelling betreft die niet is onderbouwd met stukken. De rechtbank gaat er daarom, met de inspecteur, vanuit dat (liquidatie)uitkeringen hebben plaatsgevonden naar rato van uiteindelijk aandelenbezit en dat is voor eiser 20 %.
18. Niet in geschil is dat de (totale) verkrijgingsprijs van de aandelen € 18.151 was en er is door eisers verder geen inhoudelijk verweer gevoerd met betrekking tot de omvang van het eigen vermogen van [bedrijf 2] . De rechtbank kan de berekening van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang zoals door de inspecteur is vastgesteld (zie 2.16.) daarom volgen.
19. Gelet op al het voorgaande blijven de navorderingsaanslagen in stand.