Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2178

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
LEE 23/851
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen niet-ontvankelijkverklaring pensioenpremies garantietoeslag afgewezen

Eiser, sinds 1981 werkzaam bij een gemeente en gedeeltelijk arbeidsongeschikt, ontvangt vanaf 2003 een garantietoeslag. Hij verzocht het college om bevestiging dat deze toeslag pensioengevend is en om afdracht van pensioenpremies aan het ABP. Het college wees dit verzoek op 15 augustus 2022 af en verklaarde het bezwaar daarop op 23 december 2022 niet-ontvankelijk, omdat het geen bestuursrechtelijk besluit betreft.

Eiser stelde dat het ging om bestuursrechtelijke verplichtingen voortvloeiend uit afspraken uit 1995, maar de rechtbank volgde het college en de Centrale Raad van Beroep dat de kwestie privaatrechtelijk is, mede vanwege de privatisering van het ABP in 1996. Het besluit van het college is daarom geen besluit in de zin van de Awb en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk.

Eiser had bovendien al een civiele procedure bij de kantonrechter lopen over dezelfde kwestie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens privaatrechtelijke aard van de pensioenpremieafdracht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/851

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. F. van de Nadort),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, het college

(gemachtigde: mr. drs. M.P. Korevaar).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de vraag of het college het bezwaar van eiser terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser is het daar niet mee eens en hij voert daarvoor een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college het bezwaar van eiser tegen het besluit van 15 augustus 2022 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond.

Inleiding en procesverloop

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Eiser was sinds 1981 werkzaam bij de gemeente [naam gemeente] , aanvankelijk in de functie van [naam functie] . Op 1 maart 1990 heeft eiser een arbeidsongeval gehad waardoor hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geraakt. Op 3 mei 1995 werd hij gedeeltelijk blijvend arbeidsongeschikt verklaard. Vanaf 1 juli 1995 is eiser herplaatst als ambtenaar in de functie van [naam nieuwe functie] in schaal 6.
1.2.
In een brief van 16 februari 1995 heeft de gemeente een netto salarisgarantie verleend op basis van het salarisperspectief van eiser, inclusief toeslagen. Vanaf maart 2003 is de garantietoeslag van toepassing, die momenteel [bedrag] per maand bedraagt.
1.3.
Op 1 augustus 2022 heeft eiser het college gevraagd om te bevestigen dat de garantietoeslag pensioengevend is en alsnog te besluiten de pensioenpremies (werkgeversbijdrage en werknemersdeel) over de garantietoeslag af te dragen aan het ABP.
1.4.
Met het besluit van 15 augustus 2022 heeft het college dat verzoek afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de netto-inkomensgarantie die bij brief van 16 februari 1995 aan eiser is toegekend niet pensioengevend is en dat daarover geen pensioenpremies afgedragen hoeven te worden. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
1.5. Met het besluit van 23 december 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het besluit van 15 augustus 2022 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens het college zijn kwesties over pensioenaanspraken bij het ABP, ook voor zover het gaat om verplichtingen van de ambtelijke werkgever, privaatrechtelijk, en dus niet bestuursrechtelijk, van aard.
1.6.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 19 mei 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Standpunten van partijen

2. Eiser voert aan dat het gaat om de uitvoering door het college van afspraken die zijn gedaan in februari 1995, waarin het college zich heeft verbonden tot bepaalde handelingen en toezeggingen tegenover eiser. Deze afspraken zijn van bestuursrechtelijke aard en vormen een rechtsbetrekking tussen eiser en het college. Het college is deze verplichtingen tot op heden niet volledig nagekomen, waardoor eiser nadeel heeft geleden. Het besluit van het college om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren miskent dat het geschil betrekking heeft op de uitvoering van bestuursrechtelijke verplichtingen, ongeacht de civielrechtelijke gevolgen die daaruit voortvloeien. Het college had het bezwaar van eiser inhoudelijk moeten behandelen.
3. Het college stelt in het verweerschrift dat de vraag of pensioenpremies afgedragen hadden moeten worden over de garantietoeslag die vanaf 2003 aan eiser is uitbetaald, volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een kwestie van privaatrechtelijke aard is. Het college verwijst hiervoor naar de uitspraak van de CRvB van 20 januari 2022. [2] Dat de garantietoeslag is gebaseerd op een overeenkomst uit 1995 maakt het volgens het college niet anders. Een geschil over een pensioenkwestie, voortvloeiend uit een ambtelijke aanstelling voor 1996, is van privaatrechtelijke aard. Dat is niet anders als het gaat over de uitvoering van een overeenkomst die in 1995 met eiser is overeengekomen. Het bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2022 is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

4. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het volgens het college bij de afdracht van pensioenpremies over de garantietoeslag gaat om een privaatrechtelijke aangelegenheid. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser, die hierna – voor zover hier van belang – zullen worden besproken.
Is er sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb?
5. De rechtbank stelt voorop dat alleen bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat volgt uit artikel 8:1 van Pro de Awb in samenhang met artikel 7:1 van Pro de Awb. Een besluit is op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt gedoeld op een handeling die is gericht op (publiekelijk) rechtsgevolg. Hieruit volgt dat alleen tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt.
5.1.
Het geschil ziet op de periode vanaf maart 2003 tot heden. Van belang hierbij is dat het ABP met ingang van 1 januari 1996 is geprivatiseerd.
5.2.
De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat de vraag of pensioenpremies afgedragen hadden moeten worden over de garantietoeslag die vanaf 2003 aan eiser is uitbetaald, een privaatrechtelijke aangelegenheid is. Dit volgt uit de door het college onder 3 aangehaalde uitspraak van de CRvB van 20 januari 2022. Vanaf maart 2003 is de garantietoeslag van toepassing. Het gaat hier om een situatie van na de privatisering van het ABP op 1 januari 1996. Aldus is het verzoek van eiser om de pensioenpremies over de garantietoeslag af te dragen aan het ABP privaatrechtelijk van aard. Dat eiser stelt dat het gaat om de nakoming van de door het college in 1995 toegezegde afspraken - die bestuursrechtelijk van aard zijn - leidt, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel. De beslissing van het college over de afwijzing van het verzoek van eiser is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Over deze kwestie kan dus uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld. Eiser heeft op 15 maart 2023 over dezelfde kwestie reeds een dagvaardingsprocedure gestart bij de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen.
5.3.
Uit wat in 5.2 is overwogen volgt dat het besluit van 15 augustus 2022, waarin het college het verzoek van eiser om de pensioenpremies over de garantietoeslag af te dragen aan het ABP, niet is aan te merken als een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het college heeft het bezwaar van eiser tegen dit besluit dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet was gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Wat eiser verder inhoudelijk heeft aangevoerd over de weigering de pensioenpremies over de garantietoeslag af te dragen, behoeft gelet daarop niet te worden besproken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.