Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2148

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
AWB_24-4412
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 229 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen legesheffing omgevingsvergunning nieuwbouwwoning ongegrond verklaard

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een aanslag leges die door de gemeente Leeuwarden is opgelegd voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuwbouwwoning. De leges betroffen een tarief van 2,6% van de bouwkosten, conform de Legesverordening 2024, waarbij eiser een bedrag van €750.000 aan bouwkosten had opgegeven.

De rechtbank oordeelt dat de leges terecht zijn geheven omdat de diensten van de gemeente rechtstreeks en in overwegende mate het individuele belang van eiser dienen. De verlaging van het tarief in 2024 ten opzichte van 2023 is vastgesteld, maar de bijkomende kosten voor kwaliteitsborging die nu voor rekening van eiser komen, zijn het gevolg van wetswijzigingen en niet van willekeurige of onredelijke belastingheffing.

Eiser kon geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan de tijdens voorlichtingsbijeenkomsten gegeven informatie, omdat deze niet concreet en ondubbelzinnig was toegespitst op zijn situatie. Ook is de motivering van de heffingsambtenaar voldoende geacht. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep tegen de legesheffing voor de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4412

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Leeuwarden

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).

Inleiding

1.
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 3 oktober 2024.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft aan eiser een aanslag in de leges opgelegd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Eiser heeft op het verweerschrift gereageerd in een schriftelijk stuk dat voor de zitting is ingediend en is doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn echtgenote [naam 3] , en de gemachtigden van de heffingsambtenaar.

Feiten

2.
2.1.
De raad van de gemeente Leeuwarden heeft op 13 november 2023 de Legesverordening Leeuwarden 2024 vastgesteld (de Verordening). In het daaraan ten grondslag liggende raadvoorstel met kenmerk [nummer] staat, voor zover van belang, het volgende:

Zoals gemeld in de Paragraaf lokale heffingen treedt per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking. Dit heeft invloed op de Legesverordening en hoofdstuk 5 van de bijbehorende tarieventabel. De nummering van hoofdstuk 5 is gewijzigd. Voor de leges is zoveel mogelijk aangesloten bij de leges die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet in rekening werden gebracht. Een aantal artikelen is nog gereserveerd en bij een aantal is nog geen tarief bepaald. Het is nog niet bekend wat de kosten zullen zijn, waardoor er nog geen legitiem tarief te bepalen is. Een voorbeeld hiervan zijn de milieuleges, waarover met u is afgesproken deze pas vanaf 2025 in rekening te brengen.De leges zijn conform het algemeen uitgangspunt met het inflatiecijfer aangepast. Aanvullend zijn meerdere technische wijzigingen van redactionele aard en tariefsaanpassingen in de lijn van evenredigheid en op grond van wettelijk voorschrift. (…)
2.2.
In artikel 5, onder lid 1 van de Verordening staat dat de leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven opgenomen in de bij de Verordening behorende tarieventabel. Op aanvragen voor een omgevingsvergunning is hoofdstuk 5 van de tarieventabel van toepassing. Volgens paragraaf 5.6.2.1 van de tarieventabel bedraagt het tarief voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit, indien de bouwkosten minder dan € 1.000.000 bedragen, 2,6% van de bouwkosten met een minimum van € 100. [1]
2.3.
Eiser heeft in februari 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een nieuwe vrijstaande woning in Leeuwarden. Eiser heeft bij de bouwkosten een bedrag van € 750.000 ingevuld.
2.4.
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 5 juli 2024 aan eiser leges in rekening gebracht, bestaande uit:
- binnenplanse omgevingsplanactiviteit € 19.500
- welstandsadvies
€ 1.445
Totaal € 20.945

Beoordeling door de rechtbank

3.
3.1.
De rechtbank beoordeelt of de leges terecht en tot het juiste bedrag van eiser zijn geheven. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Eiser bestrijdt alleen de leges voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit, en niet die voor het welstandsadvies. Eiser heeft zijn beroepsgrond over een mogelijke overschrijding van de zogenoemde opbrengstlimiet op de zitting ingetrokken.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de aanslag leges terecht en niet te hoog heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Kan voor de onderhavige dienstverlening leges worden geheven?
4.
4.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat een toets aan het omgevingsplan eerder het algemeen belang dient dan het individuele belang van degene die de leges moet betalen, zodat de aanslag niet kon worden opgelegd.
4.2.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de toets aan de regels in het omgevingsplan wordt uitgevoerd, omdat eiser een omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor de bouw van een woning en de omgevingsvergunning slechts mag worden afgegeven als de woning past binnen de regels van het omgevingsplan. Het verrichten van deze werkzaamheden geschiedt dus rechtstreeks en in overheersende mate ten behoeve van het individualiseerbare belang van eiser.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet rechten kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Door of vanwege het gemeentebestuur verrichte werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als diensten in de zin van die bepaling indien die werkzaamheden rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. [2]
4.4.
In dit geval bestaan de diensten uit het in behandeling nemen van de aanvraag van eiser, bestaande uit onder meer het uitvoeren van een toets of het bouwwerk mogelijk is op basis van de bouw- en gebruiksregels in het omgevingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank houden deze diensten rechtstreeks en in overwegende mate verband met het individuele belang van eiser. Zonder een verleende omgevingsvergunning mag eiser immers zijn nieuwbouwwoning niet realiseren. Aan het voorgaande doet niet af dat met het toetsen aan het omgevingsplan ook een algemeen belang kan worden gediend. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Leidt de tariefstelling tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing?
5.
5.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat de verlaging van het tarief van 3,27% in 2023 naar 2,6% in 2024 onvoldoende is geweest, aangezien de op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet en Wet Kwaliteitsborgen Bouwwerken (Wkb) met zich meebrengen dat eiser zelf een kwaliteitsborger moet inhuren. Door deze bijkomende kosten betaalt eiser per saldo bijna € 12.000 méér dan wanneer hij de aanvraag voor een omgevingsvergunning in 2023 zou hebben ingediend. De lasten zijn dus excessief toegenomen, terwijl de wetgever juist geen lastenverzwaring voor de burger heeft beoogd. Verder wijst eiser erop dat binnen de verschillende gemeenten wisselend wordt omgegaan met de heffing van leges en dat ook grote verschillen zijn in aanpassing van de tarieven na inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet en de Wkb. Het is niet mogelijk te beoordelen of de gemeente daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van de wijziging in gemeentelijke taken en welke overwegingen hebben geleid tot de tarieven die worden doorberekend aan de burger.
5.2.
Volgens de heffingsambtenaar is het tarief van 2,6% van de bouwkosten in 2024 lager dan het tarief voor ditzelfde product in belastingjaar 2023. Dat eiser naast de leges die hij aan de gemeente verschuldigd is, ook nog kosten bij anderen heeft dan de gemeente voor de bouw van zijn woning, maakt de legesheffing niet onevenredig hoog. De gemeente heeft geen enkele invloed op de kosten die derden bij belanghebbende in rekening brengen. Bij de vaststelling van de tarieven zijn er tarieven ten opzichte van het voorliggende belastingjaar verlaagd, omdat de gemeente wel rekening heeft willen houden met dergelijke kosten van derden.
5.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 229 van Pro de Gemeentewet kunnen leges worden geheven (zie rechtsoverweging 4.3). Met de Verordening heeft de gemeente van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 229 van Pro de Gemeentewet is aan de gemeenten een grote vrijheid verleend bij de vormgeving van de legesheffing. Die bevoegdheid strekt zich ook uit tot de hoogte van de tarieven. De belastingrechter is in beginsel niet bevoegd om over het in de Verordening vastgelegde tarief te oordelen, tenzij deze tariefstelling of tariefstijging in strijd is met een hogere wettelijke regeling, leidt tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van deze bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad, dan wel in strijd is met enig rechtsbeginsel. [3] De rechtbank is van oordeel dat geen van deze uitzonderingen zich hier voordoen.
5.4.
De rechtbank stelt voorop dat het tarief voor de leges in 2024 verlaagd is, waardoor eiser zo’n € 4.000 minder aan leges verschuldigd is dan wanneer hij de aanvraag in het voorafgaande belastingjaar zou hebben ingediend. De door eiser gestelde excessieve lastenverzwaring wordt louter veroorzaakt door de bijkomende kosten voor de kwaliteitsborging, die nu voor rekening van eiser komen. Dat is weer toe te schrijven aan keuzes die de wetgever heeft gemaakt bij het wijzigen van de wetgeving op het gebied van ruimtelijke ordening, waarmee bepaalde taken en kosten zijn verlegd van gemeenten naar de burger. Uit de parlementaire stukken over de nieuwe Omgevingswet en de Wkb kan inderdaad worden opgemaakt dat de regering op macroniveau een kostenneutrale uitwerking voor de burger heeft beoogd. Maar anders dan eiser stelt, volgt naar het oordeel van de rechtbank daar niet uit dat de wetgever de gemeentelijke vrijheid ten aanzien van de tariefstelling aan banden heeft willen leggen. Gemeenten zijn ook niet gebonden aan mededelingen van de toenmalige minister De Jonge dat de bouwleges naar verwachting met 30% zouden dalen. Aan dergelijke uitlatingen kan eiser bovendien geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen als het gaat om (de hoogte van) de door hem verschuldigde leges.
5.5.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat onduidelijk is of de raad van de gemeente Leeuwarden daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van de wijziging in gemeentelijke taken en welke overwegingen hebben geleid tot de tarieven die worden doorberekend aan de burger. Uit het overgelegde raadsvoorstel blijkt dat het gemeentebestuur wel degelijk rekening heeft gehouden met de gevolgen van de invoering van de nieuwe Omgevingswet (zie rechtsoverweging 2.1). Dat het zoveel mogelijk heeft willen aansluiten bij de leges die voor de inwerkingtreding van die wet in rekening werden gebracht, laat dat onverlet. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat de kostendekking van de leges blijkens de door de heffingsambtenaar overgelegde tabel slechts 64,9% bedraagt.
5.6.
Dat de legestarieven afwijken van die welke in andere gemeenten zijn gehanteerd maakt het voorgaande niet anders, ook niet indien - zoals eiser stelt - het bedrag van de totaal verschuldigde leges in die andere gemeenten lager zou zijn. Het gemeentebestuur heeft de bevoegdheid zelf maatstaf en tarief te bepalen en hoeft zich niet te conformeren aan de in andere gemeenten gebezigde maatstaven.
5.7.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat wat eiser aan leges moet betalen, niet onevenredig hoog is.
5.8.
Deze beroepsgrond slaagt om voorgaande redenen niet.
Is er sprake van opgewekt vertrouwen?
6.
6.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat tijdens voorlichtingsbijeenkomsten die zijn georganiseerd door de gemeente Leeuwarden omtrent de nieuwe wetgeving, waar zijn architect bij aanwezig is geweest, is aangegeven dat de leges aanzienlijk naar beneden zouden worden bijgesteld.
6.2.
De heffingsambtenaar betwist dat tijdens de voorlichtingsavonden toezeggingen zijn gedaan over hoogte van de leges. Als er al iets over de leges gezegd is, zal het volgens hem hooguit een algemene opmerking zijn geweest die niet is toegespitst op het concrete geval van eiser.
6.3.
De rechtbank overweegt dat een beroep op het vertrouwensbeginsel naar vaste rechtspraak alleen kan slagen indien er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.
6.4.
Eiser heeft zijn architect als getuige naar de zitting meegenomen, die door de rechter is gehoord. Deze getuige, [getuige] uit [plaats] , heeft samengevat het volgende verklaard:
  • dat hij in juni 2023 door eiser als architect is ingeschakeld;
  • dat hij in november of december 2023 een door de gemeente Leeuwarden georganiseerde voorlichtingsbijeenkomst heeft bijgewoond;
  • dat twee personen werkzaam bij de afdeling bouwzaken van de gemeente daar een presentatie hebben gegeven;
  • dat zij hebben uitgelegd dat de gemeente tot nu toe alles moest toetsen, maar dat er na de wetswijziging sprake zou zijn van een splitsing in de werkzaamheden waardoor de gemeente alleen nog maar het planologische deel zou doen;
  • dat op vragen vanuit de zaal over hoe het met de leges zou komen, door hen is geantwoord: “
  • dat het nieuwbouwproject van eiser daar verder niet besproken is;
  • dat hij samen met eiser, op basis van deze voorlichtingsbijeenkomst, de inschatting heeft gemaakt dat het indienen van een aanvraag na 1 januari 2024 een goede keuze zou zijn.
6.5.
Eiser heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat aan hem een toezegging als bedoeld in rechtsoverweging 6.3 door of namens de heffingsambtenaar is gedaan. Het op de voorlichtingsbijeenkomst gegeven antwoord op de vraag hoe het met de leges zou komen, bevat flink wat slagen om de arm over de verlaging van de leges en wie daar uiteindelijk over gaat. Het antwoord was bovendien niet toegespitst op de nog in te dienen aanvraag van eiser. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet, via zijn architect, er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij qua leges tot de helft goedkoper uit zou zijn bij het indienen van de aanvraag onder het nieuwe stelsel. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Is de uitspraak op bezwaar gebrekkig gemotiveerd?
7.
7.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat in het kader van transparantie richting de burger van de gemeente enige nadere motivering van het nieuw gehanteerde percentage op zijn plaats geweest, bijvoorbeeld door het gevraagde inzicht te geven in het aantal bestede uren voor de dienstverlening. De uitspraak op bezwaar is volgens hem onvoldoende gemotiveerd.
7.2.
Van een motiveringsgebrek is volgens de heffingsambtenaar geen sprake. Bovendien zou het eiser niet kunnen baten om te weten wat de werkelijke inzet is geweest, omdat de gemeente geheel vrij is om een hoger of lager tarief in rekening te brengen dan de werkelijke kosten.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar voldoende heeft gereageerd op de door eiser aangevoerde bezwaargronden. Er rustte op de heffingsambtenaar geen verplichting om daarnaast inzicht te geven in het aantal bestede uren voor de dienstverlening, omdat er geen rechtstreeks verband is vereist tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten anderzijds. Het is bovendien niet aan de heffingsambtenaar om verantwoording af te leggen over keuzes die het gemeentebestuur heeft gemaakt bij het vaststellen van de (verlaagde) tarieven voor 2024.
7.4.
Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de legesaanslag blijft staan. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van R.H. Wolfslag, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 2 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals gewijzigd bij raadsbesluiten van 20 november 2023 en 24 januari 2024.
2.Hoge Raad 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4105.
3.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2013:7497 en Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1174.