Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen, de heffingsambtenaar.
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
indienenvan het beroepschrift zag op de toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Dat rechtvaardigt op zichzelf wel een lagere wegingsfactor dan gemiddeld, maar op dat moment lag er nog wel degelijk een inhoudelijk geschilpunt voor, namelijk de toegepaste wegingsfactor in bezwaar. De beroepsgronden daartegen hadden zowel een inhoudelijke component (waarom geen 1,0 nu de WOZ-waarde in bezwaar is verlaagd?) als een meer principiële component (het hiervoor al genoemde punt van de samenloop met de Whpkv-vermenigvuldigingsfactor). Anders gezegd: het ging weliswaar over een relatief klein geschilpunt, maar dat geschilpunt werd wel inhoudelijk uitgediept. Dat de heffingsambtenaar vrij snel na het indienen van het beroepschrift aan eiser tegemoet is gekomen, maakt niet dat de (enige) proceshandeling waarover het hier gaat, het indienen van een beroepschrift, met terugwerkende kracht een lichter gewicht krijgt. Dat het resterende geschil wellicht een zeer licht karakter heeft, zoals de heffingsambtenaar stelt, is mosterd na de maaltijd.
per zaakvan € 116,75 (€ 934 x 0,5 x 0,25). Dat komt de rechtbank redelijk voor. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat het Bpb probeert een tegemoetkoming in de kosten te geven én dat de wetgever in de Whpkv een bedrag van ongeveer € 50 per uur als uitgangspunt heeft genomen. [2]