AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling medeplichtigheid aan cocaïnehandel en bezit vuurwapen met munitie
De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor medeplichtigheid aan het vervoeren en aanwezig hebben van 650 gram cocaïne op 24 mei 2020 en het bezit van een vuurwapen met munitie op 21 november 2022. Verdachte gaf op verzoek van zijn broer opdracht aan een derde om de cocaïne op te halen en was zich bewust van de drugshandel. Bij zijn aanhouding werd een verborgen vuurwapen en een grote hoeveelheid munitie aangetroffen.
De rechtbank sprak verdachte vrij van medeplegen van het vervoeren van cocaïne, maar achtte medeplichtigheid bewezen vanwege het doorgeven van instructies via versleutelde communicatie. Het bewijs bestond uit ontsleutelde chatberichten, telefoongegevens, en verklaringen. Verdachte bekende het bezit van het vuurwapen en munitie.
De rechtbank hield rekening met een overschrijding van de redelijke termijn van 1,5 jaar en paste een strafkorting toe. Gezien de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte werd een gevangenisstraf van 193 dagen opgelegd, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 120 uur. De tijd in voorarrest werd in mindering gebracht.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 193 dagen gevangenisstraf waarvan 120 dagen voorwaardelijk en 120 uur taakstraf wegens medeplichtigheid aan cocaïnehandel en bezit van vuurwapen met munitie.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-031113-22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het inhoudelijk onderzoek ter terechtzitting van 7 april 2026, 8 april 2026 en 9 april 2026. Op 29 mei 2026 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten. De strafzaak tegen verdachte is eerder behandeld op de zittingen van 22 juni 2023 en 9 juli 2024.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.M. Terpstra, advocaat te Leeuwarden.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Houwink en mr. D. Homans-de Boer.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
(Zaaksdossier 4: Handel/vervoer 650 gram cocaïne)
(zie dossier pag. 3.021 ev.)
(primair:)
hij op of omstreeks 24 mei 2020 in Leeuwarden en/of Harlingen en/of Den Haag en/of in elk geval (op een of meerdere locaties) in Nederland, meerdere malen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk
heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, en/of
aanwezig heeft gehad,
(een blok van) 650 gram, althans een (grote) hoeveelheid of meerdere hoeveelheden, cocaïne, althans (van) een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (zijnde) een of meerdere middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
(subsidiair:)
(de heer) [medeverdachte 1] en/of een of meer anderen op of omstreeks 24 mei 2020 in Leeuwarden en/of Harlingen en/of Den Haag en/of in elk geval (op een of meerdere locaties) in Nederland, meerdere malen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk
heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, en/of
aanwezig hebben/heeft gehad,
(een blok van) 650 gram, althans een (grote) hoeveelheid of meerdere hoeveelheden, cocaïne, althans (van) een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (zijnde) een of meerdere middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
bij en/of tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, op of omstreeks 24 mei 2020 in Harlingen en/of (elders) in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft hij, verdachte:
op verzoek van [medeverdachte 1] een (andere) persoon (met de naam [nickname 1] en/of [nickname 2] ) opdracht en/of instructie(s) gegeven om naar [medeverdachte 1] en/of naar Den Haag te gaan en/of om voornoemde cocaïne aldaar op te halen en/of te verkopen, en/of
een PGP-toestel voor handen gehad, en/of
met [medeverdachte 1] een of meerdere gesprekken gevoerd en/of aan [medeverdachte 1] een of meerdere berichten en/of fotos gestuurd en/of met [medeverdachte 1] een of meerdere gesprekken gevoerd en/of (anderszins) gecommuniceerd over:
· het vervoer en/of de verkoop van voornoemde cocaïne, en/of
· het sturen van en/of het opdracht geven aan een (andere) persoon ( [nickname 1] en/of [nickname 2] ) om naar [medeverdachte 1] te rijden en/of (anderszins) te gaan om voornoemde cocaïne op te halen en/of mee te nemen en/of te verkopen, en/of
· wat hij, verdachte, tegen die (andere) persoon moest zeggen en/of dat die (andere) persoon geen telefoon naar [medeverdachte 1] moest meenemen, en/of
· de opbrengst en/of de winst van de verkoop van voornoemde (hoeveelheid) cocaïne;
2
(Bezit vuurwapen en munitie)
hij op of omstreeks 21 november 2022 in Harlingen, in elk geval (elders) in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1, van de Wet Wapens en Munitie, te weten:
een (zwart) vuurwapen/pistool van het merk en het type Glock, 19, in het kaliber 9x19 (millimeter), en/of
twee, althans een of meerdere, patroonmagazijnen (voor een vuurwapen/pistool) van het merk Glock in het kaliber 9x19 millimeter,
en/of
munitie van categorie III, onder 1, van de Wet Wapens en Munitie, te weten een (groot) aantal patronen bestaande uit:
( een patroonmagazijn met) veertien, althans een of meerdere, (centraalvuur kogel)patronen van het merk Geco met kaliber 9 millimeter Luger en/of type volmantel, en/of
( een patroonmagazijn met) vijftien, althans een of meerdere, (centraalvuurkogel)patronen, bestaande uit:
· veertien (centraalvuur kogel)patronen van het merk Sellier & Bellot (S&B) in het kaliber 9x19 millimeter en van het type volmantel, en/of
· een (centraalvuur kogel)patroon van het merk Dynamit Nobel A-G (DAG) in het kaliber 9x19 millimeter en van het type volmantel, en/of
118, althans een of meerdere, (centraalvuur kogel)patronen van het merk Companhia Brasileira de Cartouches (CBC) in het kaliber 9 millimeter Luger type volmantel, en/of
43, althans een of meerdere, (centraalvuur kogel)patronen van het merk Geco in het kaliber 9 millimeter Luger type volmantel, en/of
acht, althans een of meerdere, (centraalvuur kogel)patronen van het merk Fabrique Nationale Hertstal (FNB) in het kaliber 9 millimeter Para type volmantel, en/of
dertien, althans een of meerdere, (centraalvuur kogel)patronen van het merk Fiocchi (GFL) in het kaliber 9 millimeter Luger type volmantel, en/of
veertien, althans een of meerdere, (centraalvuur kogel)patronen van het merk Norinco in het kaliber 9x19 type volmantel, en/of
vier, althans een of meerdere, (centraalvuur kogel)patronen van het merk Sellier & Bellot (S&B) in het kaliber 9 millimeter Luger type volmantel,
voorhanden heeft gehad.
Beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben veroordeling gevorderd voor feit 1 primair en feit 2. Kort gezegd hebben zij daartoe het volgende aangevoerd.
Feit 1 primair. Daartoe is aangevoerd dat bewezen kan worden dat verdachte de gebruiker is van de aan hem toegeschreven SkyECC- en Encrochat accounts. Uit de ontsleutelde berichten kan vervolgens, gelet op zijn cruciale rol, het medeplegen van afleveren en vervoeren van 650 gram cocaïne worden afgeleid.
Feit 2. Dit feit kan bewezen worden op basis van het aantreffen van vuurwapenonderdelen en munitie in de woning van verdachte en zijn bekennende verklaring.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw primair integrale vrijspraak bepleit, omdat uit de berichten niet volgt dat het verweten strafbare feit is voltooid. Subsidiair is vrijspraak van medeplegen bepleit. Uit de door verdachte verrichte handelingen (het louter doorgeven van berichten) blijkt niet van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De rol van verdachte is hooguit te kwalificeren als medeplichtigheid.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw bepleit dat dit feit bewezen kan worden.
Het oordeel van de rechtbank 1
Inleiding
Het bewijs dat het openbaar ministerie in deze zaak heeft aangeleverd bestaat uit ontsleutelde cryptocommunicatie. Het gaat daarbij om chats die zijn verstuurd via speciale cryptotelefoons die werden aangeboden door de bedrijven Encrochat en Sky Secure Enterprise en Sky Global Holdings (hierna: SkyECC).
De telefoons konden worden gekocht in combinatie met een abonnement waarop een Encrochat- of SkyECC applicatie was geïnstalleerd. Met deze telefoon konden gebruikers versleutelde berichten verzenden en ontvangen.
Toen bekend werd dat er mogelijk strafbare feiten werden gepleegd door de organisatie van SkyECC werd besloten om een samenwerkingsverband op te starten tussen Frankrijk, Nederland en België en een gemeenschappelijk onderzoeksteam op te richten, genaamd Joint Investigation Team (hierna: JIT) met als doel SkyECC te ontmantelen en strafrechtelijk te vervolgen.
Vanuit het JIT zijn verschillende strafrechtelijke opsporingsonderzoeken gestart.
Vanuit onderzoek Werl (gestart op 1 november 2019)is informatie gedeeld met onderzoek Argus (gestart op 11 december 2020). Dat onderzoek richtte zich op de criminele samenwerkingsverbanden van de NN-gebruikers van SkyECC en had onder meer tot doel om aan de hand van de inhoudelijke data de criminele samenwerkingsverbanden, die gebruik maakten van cryptotelefoons van SkyECC in beeld te brengen en te analyseren.
Als onderdeel van het JIT werd ook strafrechtelijk onderzoek 26Lemont gestart (in februari 2020), een onderzoek naar mogelijke strafbare feiten gepleegd door de organisatie van het bedrijf Encrochat. In het kader van dit onderzoek is door Frankrijk (data)informatie verstrekt aan het onderzoek 26Lemont. Deze informatie zag onder meer op de verkrijging van chatverkeer van gebruikers die gebruik maakten van cryptotoestellen van Encrochat. Na toestemming van de rechter-commissaris op 27 maart 2020 is informatie uit 26Lemont toegevoegd aan het lopende onderzoek Vidar.
Op 15 december 2020 is in het onderzoek Argus bepaald dat de in dat onderzoek verkregen ontsleutelde informatie slechts kan worden gebruikt ter opsporing in andere onderzoeken indien daartoe aanvullende toestemming is verleend door de rechter-commissaris. Op voorhand is door de rechter-commissaris toestemming verleend om voor een gelimiteerd aantal categorieën misdrijven en met gebruik van een lijst met zoekwoorden onderzoek te doen aan de binnen het onderzoek Argus verkregen ontsleutelde informatie. De chatgesprekken die naar aanleiding van deze zoekslag uit de ontsleutelde informatie naar voren komen mogen na voornoemde aanvullende toestemming van de rechter-commissaris ter opsporing nader worden onderzocht.
De chats tussen de gebruikers van SkyECC zijn vervolgens geautomatiseerd geanalyseerd en geclassificeerd. Nadat er was gezocht op de categorie cocaïne kwamen er chats naar voren van onder meer drie gebruikers van SkyECC (NN1, NN2 en NN3)2. Het bleek dat zij onderling een georganiseerd verband vormden die zich onder meer bezig hielden met de import en handel van cocaïne.
Om onderzoek te kunnen doen naar dit criminele samenwerkingsverband en de daarin opererende personen is door het onderzoek Argus aan de rechter-commissaris aanvullende toestemming verzocht om de chats van NN1, NN2 en NN3 nader te analyseren. Die toestemming is op 19 mei 2021 verkregen. Na deze goedkeuring is de betreffende subset van de voornoemde SkyECC gebruikers aan het onderzoek Finestre, dat is gestart om nader onderzoek te doen naar internationale handel in verdovende middelen door verdachte en zijn medeverdachten, ter beschikking gesteld.
Uit het onderzoek Vidar waarin ook gebruik werd gemaakt van cryptotelefoons bleek dat één van de Encrochat gebruikers in dat onderzoek een bijnaam had die vergelijkbaar was met een bijnaam van een van de Sky-IDs in het onderzoek Argus.
Er is onderzocht of dit mogelijk dezelfde gebruiker kon zijn.
Door de zaaksofficier van justitie in onderzoek Vidar is toestemming verleend om de genoemde informatie uit Vidar te gebruiken in het onderzoek Argus. De processen-verbaal uit Vidar zijn daarmee ondersteunend geweest aan de vaststelling van de identiteit van een persoon als gebruiker van een SkyECC account.
In het onderzoek Argus zijn de NN-gebruikers vervolgens geïdentificeerd als [medeverdachte 1] (NN1), [medeverdachte 2] (NN2) en [medeverdachte 3] (NN3). Zij zouden de gebruikers van de SkyECC accounts zijn. Uit nader onderzoek bleek dat een vierde SkyECC gebruiker kon worden geïdentificeerd als [verdachte] .
Later is aan de rechter-commissaris van onderzoek 26Lemont verzocht om ook toestemming te verlenen om de relevante Encrochat data ten aanzien van een zevental Encrochat gebruikers die zijn geïdentificeerd als [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] te mogen verstrekken aan onderzoek Finestre. Na toestemming van de rechter-commissaris op 6 oktober 2021 en na goedkeuring van de zaaksofficieren van justitie in onderzoek 26Lemont is de subset van Encrochat gebruikers gedeeld met het onderzoeksteam van Finestre.
Het voorgaande heeft ertoe geleid dat de verdachten in dit onderzoek, te weten [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) en [verdachte] op 21 november 2022 zijn aangehouden.
Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad is de wijze waarop de ontsleutelde cryptocommunicatie in SkyECC en Encrochat is verkregen, rechtmatig.3
Identificatie
In onderhavige zaak komt het voor de bewijsvoering aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen tele- en cryptocommunicatie. De rechtbank buigt zich daarom allereerst over de vraag wie gebruik maakten van de zich in het dossier genoemde SkyECC en Encrochat accounts, telefoons, telefoonnummers dan wel IMEI gegevens. Deze vaststellingen kunnen voor het vervolg niet worden gemist. Vanwege de onderlinge verwevenheid zijn alle relevante identificaties opgenomen.
*Sky-ID [sky-id 1] en Encrochat username [username 1]
[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij gebruik heeft gemaakt van het Encrochat account [username 1] met wachtwoord [wachtwoord] . De versleutelde telefoon kreeg hij van zijn broer [medeverdachte 1] zodat ze met elkaar konden communiceren.4 Uit onderzoek blijkt dat de telefoon met IMEI [IMEI 1] waarop de username [username 1] actief was, werd beveiligd met het wachtwoord [wachtwoord] of vervoegingen daarvan.5 De oudste dochter van [verdachte] heet [wachtwoord] en is geboren in 2014.6 Tijdens een later verhoor heeft [verdachte] verklaard dat hij door zijn broer [nickname 3] wordt genoemd.7 Uit onderzoek blijkt dat door andere Encrochat gebruikers, waaronder [username 2] (hierna geïdentificeerd als [medeverdachte 1] )de username [username 1] is opgeslagen onder de namen [nickname 3] en [nickname 3] [nickname 4] .8 Ook blijkt dat IMEI [IMEI 1] ( [username 1] ) veelal gebruik maakt van zendmasten in Harlingen.9 [verdachte] staat ingeschreven in [plaatsnaam] .10
Bij de politie heeft [verdachte] verklaard dat hij later nog een andere versleutelde telefoon van zijn broer [medeverdachte 1] heeft gekregen met hetzelfde wachtwoord.11 In een daaropvolgend verhoor bij de politie heeft [verdachte] herhaald dat hij op een gegeven moment van zijn broer [medeverdachte 1] een andere telefoon kreeg die leek op Encrochat, maar waarvan de werking anders was. Hij kreeg deze telefoon, omdat het abonnement van de andere telefoon was afgelopen.12 Uit de beschikbare chats is gebleken dat Encrochat username [username 1] en Sky-ID [sky-id 1] elkaar opvolgen in tijd.13 [verdachte] heeft ook verklaard dat zijn broer [medeverdachte 1] hem uitleg heeft gegeven over het gebruik van deze telefoon.14
Uit berichten tussen [sky-id 1] en [sky-id 2] volgt op 10 februari 2021 dat de broer van [sky-id 1] kort daarvoor is aangehouden door de politie. Bekend is dat de enige broer van [verdachte] [medeverdachte 1] op 9 februari 2021 is aangehouden in het onderzoek Spoed.15 Uit berichten tussen [sky-id 1] en [sky-id 3] volgt op 15 februari 2021 ook dat dat [sky-id 1] net [nickname 5] zijn fijne [username 3] kleertjes heeft gebracht.16 Bij de politie heeft [verdachte] verklaard dat hij een week na de aanhouding van zijn broer op 9 februari 2021 diens kleding heeft gebracht. Zijn broer draagt vaste merkkleding, waaronder [username 3] .17
De politie heeft bovendien aan [verdachte] een aantal chats getoond in de periode tussen 10 februari 2021 en 15 februari 2021 van Sky-ID [sky-id 1] . Deze chats werden door [verdachte] herkend.18 Overigens heeft [verdachte] bij de politie ook verklaard dat hij in de periode waarin hij gebruik maakte van de versleutelde telefoons zich er bewust van was dat deze telefoons werden gebruikt voor het verkeerde circuit.19
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat [verdachte] de gebruiker is van Sky-ID [sky-id 1] en Encrochat username [username 1] . De rechtbank zal alle aangetroffen data en chats van deze accounts daarom toeschrijven aan, en hierna telkens aanduiden als verdachte dan wel [verdachte] .
Op 9 februari 2021 om 8:15 uur is [medeverdachte 1] in onderzoek Spoed aangehouden als verdachte op grond van de Opiumwet.
Bij deze aanhouding was [medeverdachte 1] bestuurder van een BMW ( [kenteken] ) en medeverdachte [medeverdachte 4] bijrijder. Op de bestuurdersstoel van de BMW werden twee telefoons aangetroffen, waaronder een iPhone 8. Uit onderzoek naar deze telefoon blijkt dat het toestel was voorzien van de applicatie SkyECC. De bijbehorende IMEI is [IMEI 2] . Uit onderzoek komt naar voren dat voornoemd IMEI gekoppeld was aan Sky-ID [sky-id 4] met [username 3] als gebruikersnaam.20
[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat zijn broer [medeverdachte 1] vaak kleding draagt van het merk [username 3] .21 Twee dagen voor deze aanhouding stuurde [sky-id 4] een foto met daarop een gedeelte van een middenconsole van een BMW M klasse automaat. Door verbalisant [verbalisant] is beschreven dat deze foto identiek is aan de onderzoekfotos van de inbeslaggenomen BMW ( [kenteken] ),
welke in dezelfde periode op naam stond van [medeverdachte 1] .22
Voorts blijkt uit de berichten van [sky-id 4] op 3 februari 2021 dat hij is afgevallen en dat hij nog negen kilo moet afvallen voordat hij aan zijn hernias kan worden geopereerd. Bij zijn verhoor in onderzoek Spoed op 9 februari 2021 heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij 5 hernias heeft gehad en momenteel aan het afvallen is, omdat dit moet zodat hij geopereerd kan worden.23 Ook bij zijn verhoor in onderhavig onderzoek heeft [medeverdachte 1] verklaard hernias te hebben gehad.24
Uit de historische verkeersgegevens blijkt voorts dat IMEI [IMEI 2] ( [sky-id 4] ) zowel overdag als in de avond/nacht hoofdzakelijk een zendmast aanstraalt in Harlingen, hemelsbreed op 550 meter afstand van de woning van [medeverdachte 1] .25 Bij de insluiting van [medeverdachte 1] in onderzoek Spoed is onder hem ook een Samsung GT aangetroffen en inbeslaggenomen. Uit onderzoek blijkt deze telefoon IMEI [IMEI 3] te hebben. Dit IMEI is gekoppeld aan telefoonnummer [telefoonnummer] , welke op naam blijkt te staan van de vader van [medeverdachte 1] . Uit een mutatie volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer] sinds 2015 in gebruik is bij [medeverdachte 1] . Uit onderzoek blijkt verder dat IMEI [IMEI 3] (in gebruik bij [medeverdachte 1] ) zowel overdag als in de avond/nacht ook hoofdzakelijk gebruik maakt van een zendmast in Harlingen, hemelsbreed op ongeveer 600 meter afstand van de woning van [medeverdachte 1] . Beide IMEIs blijken verder op meerdere en dezelfde dagen gebruik te hebben gemaakt van zendmasten in dezelfde plaatsen, ver buiten Harlingen op de route in de provincie Noord-Holland.26
Ook Sky-IDs [sky-id 8] , [sky-id 7] en [sky-id 5] stralen veelvuldig zendmasten aan in Harlingen, meer specifiek twee zendmasten in het zuiden en oosten van Harlingen.27 Daarbij komt dat de Sky-IDs veel contacten delen, maar onderling géén contact met elkaar hebben. Met name de overlap tussen [sky-id 5] en [sky-id 6] is opvallend, omdat zij bijna 70% van hun contacten delen. Ook de oudere SKy-IDs delen tussen de 40% en 60% van hun contacten met elkaar. Vier van de vijf Sky-IDs sturen in hun laatste chatbericht bovendien dat ze een nieuwe mail hebben en dat het tegencontact deze moet accepteren of toevoegen. [sky-id 6] stuurt daarbij specifiek dat hij elke drie maanden van Sky-ID wisselt.
Gebleken is dat [sky-id 5] , [sky-id 6] en [sky-id 7] ongeveer drie maanden actief zijn.28
Verder blijkt uit de chats van Sky-IDs [sky-id 8] en [sky-id 7] dat de gebruiker van beide IDs in 2020 heeft gezwommen (met familie). Door verbalisant [verbalisant] is beschreven dat de meegestuurde fotos dusdanige gelijkenissen vertonen met het zwembad in de achtertuin van [verdachte] dat kan worden aangenomen dat het om één en dezelfde locatie gaat.29 Daarbij komt dat [verdachte] bij de politie heeft verklaard dat zijn broer wel eens bij hem in het zwembad zwemt30 en dat hij van zijn broer [medeverdachte 1] een tweede versleutelde telefoon heeft gekregen die leek op Encrochat.31
Verbalisant [verbalisant] heeft ook beschreven dat de fotos die door [sky-id 7] , [sky-id 6] , [sky-id 5] en [sky-id 4] op meerdere dagen en naar verschillende contacten zijn verstuurd dusdanige gelijkenissen vertonen met fotos van de doorzoeking in de woning aan de [adres] , dat gesteld kan worden dat deze op dezelfde locatie zijn genomen, namelijk in de woonkamer en keuken van [medeverdachte 1] .32
Uit berichten van Encrochat op 11 mei 2020 blijkt dat username [username 2] via een tegencontact twee nieuwe encros laat regelen. Eén van de toestellen moet van [username 2] de username [username 4] hebben. Vervolgens stuurt [username 2] op 13 en 14 mei 2020 aan zijn contacten dat hij een nieuwe mail heeft met de naam [username 4] .33
[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat de bijnaam van zijn broer [medeverdachte 1] [nickname 6] is, vanwege een uitspraak van zijn dochter.34 Tijdens de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 1] werd in diens achtertuin een grote plastic [nickname 6] aangetroffen en in zijn keuken werden er meerdere kaarten gericht aan oom [nickname 6] gevonden.35
Verder is gebleken dat de usernames [username 2] en [username 4] elkaar opvolgen in tijd en dat beide usernames gebruik hebben gemaakt van het hetzelfde wachtwoord [wachtwoord] of vervoegingen daarvan. Daarbij komt dat zowel [username 2] als [username 4] door andere gebruikers/contacten onder meer onder de volgende overeenkomstige nicknames zijn opgeslagen: [nickname 4] / [nickname 4] ,
[nickname 7] / [nickname 7] en [nickname 8] .36
Uit het berichtenverkeer blijkt dat [username 2] op 4 april 2020 aan [username 5] (hierna geïdentificeerd als [medeverdachte 2] )stuurt dat hij een stopteken van de politie heeft gekregen en dat ze zijn auto (kofferbak) wilden doorzoeken. Op 6 april 2020 heeft [username 2] het in een chatgesprek met [username 6] weer over voornoemde politiecontrole. [username 2] stuurt dat ze zaterdag [de rechtbank begrijpt 4 april 2020]door jonge klere agentjes aan de kant zijn gezet en dat er grote blauwe plastic zakken in de kofferbak lagen. Uit de politiesystemen blijkt dat er op 4 april 2020 een BMW op naam van [medeverdachte 1] werd gecontroleerd met als inzittenden [medeverdachte 4] (bestuurder) en [medeverdachte 1] (bijrijder). Achter in de kofferbak lagen meerdere lege blauwe vuilniszakken.37
Verder is gebleken dat het IMEI [IMEI 4] gekoppeld aan [username 2] gedurende de periode dat hij actief was op vrijwel elke dag gebruik heeft gemaakt van een zendmast in Harlingen.38
Tot slot blijkt [medeverdachte 1] te beschikken over bankrekening [bankrekeningnummer] .39 Uit onderzoek naar de betaal-, chat-, en zendmastgegevens is gebleken dat er op verschillende dagen in 2020 en 2021 op verschillende locaties buiten Harlingen betalingen zijn gedaan met voormeld rekeningnummer op naam van [medeverdachte 1] terwijl Sky-IDs [sky-id 8] , [sky-id 7] , [sky-id 9] , [sky-id 4] en Encrochat username [username 2] min of meer op hetzelfde moment chatten over locaties en/of gebruik maken van zendmasten die daarbij in de buurt liggen.40
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van Sky-IDs [sky-id 4] , [sky-id 5] , [sky-id 6] , [sky-id 7] en [sky-id 8] en Encrochat usernames [username 2] en [username 4] . De rechtbank zal alle aangetroffen data en chats van deze accounts daarom toeschrijven aan, en hierna telkens aanduiden als [medeverdachte 1] .
Vooraf: duiding terminologie
In navolging van de identificatie van de accounts van Encrochat en SkyECC ziet het bewijs op de inhoud van het ter beschikking gekomen berichtenverkeer.
Voordat op basis van de chatberichten feiten en omstandigheden kunnen worden aangenomen, stelt de rechtbank vast dat in de chatgesprekken die in het dossier zitten, regelmatig afkortingen of versluierd taalgebruik worden gebruikt. Het betreffen afkortingen die kunnen duiden op geldbedragen, verdovende middelen, of de handel of het vervoer daarin.
Voorafgaand aan ieder zaaksdossier heeft de verbalisant in het relaas opgenomen dat van een aantal afkortingen ambtshalve bekend is waarvoor deze worden gebruikt. Deze betekenissen zijn in lijn met hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is geworden vanuit andere Opiumwetzaken. Daar komt bij dat deze betekenissen doorgaans passen bij de context van de gevoerde gesprekken en de samenhang tussen de chatberichten en afbeeldingen die bij sommige chatberichten zijn verstuurd. Aanwijzingen dat in de chatberichten wordt gesproken over andere zaken dan de handel in drugs, zijn er in het geheel niet. Dat neemt niet weg dat de rechtbank per hierna te bespreken bewijsmiddelen steeds zal beoordelen of die meest voor de hand liggende betekenis op basis van de (context van de) chatberichten ook echt kan worden aangenomen.
Verder weegt de rechtbank mee dat niet het volledige berichtenverkeer is ontsleuteld. Dit kan worden opgemaakt uit de inhoud van de chats. Een deel van de chats is eenzijdig ontsleuteld, waardoor de reactie van het tegenaccount niet is opgenomen. De rechtbank is zich ervan bewust dat daarom met de nodige behoedzaamheid dient te worden gekeken naar de chats en dat de inhoud voldoende duidelijk moet zijn om op basis daarvan feiten en omstandigheden vast te stellen.
De rechtbank gaat bij de volgende woorden uit van de volgende betekenissen:
colo als benaming voor cocaïne, vermoedelijk afkomstig uit Colombia;
spullen als benaming voor cocaïne;
orgi als benaming voor een origineel blok pure cocaïne.
Tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde vaststellingen zal de rechtbank hierna telkens per feit beoordelen of sprake is van wettig en overtuigend bewijs.
Bewijsmiddelen
De rechtbank past in aanvulling op het voorgaande de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Op 24 mei 2020 vinden er meerdere gesprekken plaats tussen [username 4] ( [medeverdachte 1] ) en [username 1] ( [verdachte] ).
Om 13:59 uur stuurt [username 4] ( [medeverdachte 1] ) aan [username 1] ( [verdachte] ) dat hij even bezig is, gevolgd door een tweetal fotos. [foto 1: de rechtbank ziet hierop een grote hoeveelheid stapels met 50 euro biljetten. Foto 2: de rechtbank ziet hierop een viertal witte blokken met opdruk.]Geverbaliseerd is dat het vermoedelijk om stempels gaat.41
Om 15:42 uur vraagt [username 4] ( [medeverdachte 1] ) aan [username 1] ( [verdachte] ): “Kan jij wat voor me regele. [nickname 1] moet even wat bij me oppikken kan je hem appen dat ie even komt. Ik ben ver kan je hem naar je toe roepen hij moet even wat bij me ophalen denhaah [de rechtbank begrijpt: Den Haag]0.42
Om 16:53 uur stuurt [username 1] ( [verdachte] ) terug “ [nickname 2] is hier wat moet ik zeggen”. Hierop geeft [username 4] ( [medeverdachte 1] ) aan dat hij een [nickname 2] blok heeft om te verkopen. Vervolgens stuurt [username 1] ( [verdachte] ) terug “Kan wel weg half uurtje waar heen. Hierop geeft [username 4] ( [medeverdachte 1] ) aan dat [nickname 1] / [nickname 2] naar Den Haag moet komen en dat hij zijn smartphone niet mag meenemen. Als [username 1] ( [verdachte] ) namens [nickname 1] / [nickname 2] vraagt wat hij bedoelt met verkopen geeft [username 4] ( [medeverdachte 1] ) aan: “Nou wij verkopen in onze stad. Orgine [nickname 2] spullen.” [username 1] ( [verdachte] ) laat hierna weten dat ze het eerst niet begrepen, maar nu wel. Vervolgens probeert [username 4] ( [medeverdachte 1] ) het nogmaals te verduidelijken: “Nou blok ligt hier kan ik verkopen toch los. 650 gram. Is paar ruggen winst.” Ook vraagt hij of [nickname 1] / [nickname 2] het nu begrijpt. Hierop geeft [username 1] ( [verdachte] ) aan dat [username 4] ( [medeverdachte 1] ) het adres moet sturen waarop laatstgenoemde om 17:01 uur het adres [adres] terugstuurt [de rechtbank begrijpt: [adres] Den Haag]0.43
Om 20:38 uur laat [username 4] ( [medeverdachte 1] ) vervolgens aan [username 1] ( [verdachte] ) weten dat “hij” er is, waarop [username 1] ( [verdachte] ) terugstuurt dat dit mooi op tijd is.44 Uit de gevorderde gegevens van die dag blijkt dat [username 4] ( [medeverdachte 1] ) omstreeks 13:51 uur,
13:52 uur, 19:15 uur, 20:23 uur en 20:24 uur zendmasten aanstraalt in Den Haag.45
Vervolgens biedt [username 4] ( [medeverdachte 1] ) op 24 mei 2020 om 22:00 uur aan [username 7] ons orgie colo MK los aan. Eerder die avond (om 19:31 uur) heeft [username 4] ( [medeverdachte 1] ) aan [username 7] al een foto gestuurd van MK waarin hij aangeeft dat het om tophandel gaat.46
Bewijsoverweging wetenschap cocaïne
Uit de chatberichten leidt de rechtbank af dat in dit zaaksdossier onmiskenbaar over cocaïne wordt gesproken. Er worden immers door [medeverdachte 1] fotos van stempels en grote sommen geld uitgewisseld met verdachte. Ook spreekt [medeverdachte 1] met verdachte over spullen en orgi(ne). De rechtbank heeft al eerder overwogen dat deze terminologie duidt op verschillende benamingen voor cocaïne. Dit tezamen met het feit dat de verkoop van 650 gram een paar ruggen winst zal opleveren, maakt dat de rechtbank vaststelt dat de chatgesprekken van verdachte betrekking hebben op de handel in cocaïne.
Bewijsoverweging voltooid delict
Dat uit de chatberichten niet zou blijken dat er daadwerkelijk cocaïne is vervoerd ten behoeve van de handel vindt zijn weerlegging in het volgende. Uit de chatgesprekken tussen [medeverdachte 1] en verdachte leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] beschikt over een top blok van 650 gram dat los verkocht kan worden en een paar ruggen winst oplevert. [medeverdachte 1] geeft vervolgens verdachte opdracht om een gezamenlijke kennis met de bijnaam [nickname 1] / [nickname 2] bij zich te roepen. Verdachte moet deze persoon met de naam [nickname 1] / [nickname 2] vervolgens naar Den Haag sturen om de 650 gram op te halen zodat zij, [medeverdachte 1] en [nickname 1] / [nickname 2] de “orgine top spullen” vervolgens in hun stad kunnen verkopen. Ruim drieënhalf uur daarna laat [medeverdachte 1] aan verdachte weten dat “hij” er is.
Gelet op de woonplaats Harlingen van verdachte en [medeverdachte 1] , de reisafstand en de tijdlijn gaat de rechtbank er vanuit dat [nickname 1] / [nickname 2] vanuit Harlingen naar het opgegeven adres in Den Haag is gereden en dat hij daar de 650 gram cocaïne heeft opgehaald. Dat [medeverdachte 1] vervolgens nog diezelfde avond 7 ons orgie colo ter verkoop heeft aangeboden aan [username 7] , doet aan het vorenstaande niet af. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen immers dat het de bedoeling was dat [medeverdachte 1] en [nickname 1] / [nickname 2] de “orgine top spullen” in hun stad zouden verkopen en dat verdachte, wetende wat de bedoeling was, ervoor heeft gezorgd dat [nickname 1]
/ [nickname 2] de spullen op ging halen.
Daarmee is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat [medeverdachte 1] tezamen en in vereniging met een ander ( [nickname 1] / [nickname 2] ) 650 gram cocaïne heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Bewijsoverweging medeplegen dan wel medeplichtigheid
Uit hetgeen uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde, is de rechtbank van oordeel dat de rol van verdachte uitsluitend bestond uit het doorgeven van berichten. Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen en overwegingen leidt de rechtbank eveneens af dat verdachte wist dat het berichtenverkeer met zijn broer [medeverdachte 1] betrekking had op de handel in cocaïne.
Anders dan de officieren van justitie, is de rechtbank op grond van het voorgaande van oordeel dat de bijdrage van verdachte van onvoldoende gewicht is om te kunnen spreken van medeplegen van het vervoeren en aanwezig hebben van 650 gram cocaïne. Het louter in opdracht doorgeven van berichten duidt niet op een wezenlijke bijdrage daaraan. Er is niet gebleken dat verdachte andere (wezenlijke) handelingen heeft verricht met betrekking tot het vervoer of bezit van de cocaïne dan wel dat hij een rol zou spelen in de verkoop ervan en van een intellectuele bijdrage is evenmin gebleken. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde.
Gelet op hetgeen hiervoor is besproken, is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzet heeft gehad op zijn handelen als medeplichtige door middels een PGP-toestel op verzoek van zijn broer [medeverdachte 1] aan [nickname 1] / [nickname 2] opdracht en instructies te geven ten aanzien van het ophalen, vervoeren en verkopen van 650 gram cocaïne. Door aldus te handelen is verdachte daarbij opzettelijk behulpzaam geweest.
De rechtbank stelt verder vast dat verdachte ook opzet heeft gehad op het gronddelict, te weten het vervoeren en aanwezig hebben van 650 gram cocaïne. Zoals hiervoor reeds is overwogen blijkt uit de chatberichten immers onmiskenbaar dat over de handel in cocaïne is gesproken. De rechtbank is dus van oordeel dat het handelen van verdachte medeplichtigheid oplevert.
Conclusie
De rechtbank acht, gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen en overwegingen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 24 mei 2020 medeplichtig is geweest aan het (medeplegen van) vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van 650 gram cocaïne.
De rechtbank zal verdachte voor het overige partieel vrijspreken, omdat bewijs daarvoor ontbreekt.
Feit 2 (bezit vuurwapen en munitie)
De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 april 2026;
een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 21 november 202247;
een proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 22 december 202248;
een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 21 november 2022.49
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feit 1 subsidiair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. subsidiair.
[medeverdachte 1] op 24 mei 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk
heeft vervoerd, en
aanwezig heeft gehad,
650 gram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op 24 mei 2020 in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft hij:
op verzoek van [medeverdachte 1] een andere persoon met de naam [nickname 1] of [nickname 2] opdracht en instructies gegeven om naar Den Haag te gaan en om voornoemde cocaïne aldaar op te halen, en
een PGP-toestel voor handen gehad, en
met [medeverdachte 1] gecommuniceerd over:
· het vervoer en de verkoop van voornoemde cocaïne, en
· het sturen van en het opdracht geven aan een andere persoon [nickname 1] of [nickname 2] om voornoemde cocaïne op te halen, en
· wat hij, verdachte, tegen die andere persoon moest zeggen en dat die andere persoon geen telefoon moest meenemen, en
· de winst van de verkoop van voornoemde hoeveelheid cocaïne;
2
hij op 21 november 2022 in Harlingen, een wapen van categorie III, onder 1, van de Wet Wapens en Munitie, te weten:
een zwart vuurwapen van het merk en het type Glock, 19, in het kaliber 9x19 millimeter, en
twee patroonmagazijnen voor een vuurwapen van het merk Glock in het kaliber 9x19 millimeter,
en
munitie van categorie III, onder 1, van de Wet Wapens en Munitie, te weten een (groot) aantal patronen bestaande uit:
een patroonmagazijn met veertien centraalvuur kogelpatronen van het merk Geco met kaliber 9 millimeter Luger en type volmantel, en
een patroonmagazijn met vijftien centraalvuur kogelpatronen, bestaande uit:
· veertien centraalvuur kogelpatronen van het merk Sellier & Bellot (S&B) in het kaliber 9x19 millimeter en van het type volmantel, en
· een centraalvuur kogelpatroon van het merk Dynamit Nobel A-G (DAG) in het kaliber 9x19 millimeter en van het type volmantel, en
118 centraalvuur kogelpatronen van het merk Companhia Brasileira de Cartouches (CBC) in het kaliber 9 millimeter Luger type volmantel, en
43 centraalvuur kogelpatronen van het merk Geco in het kaliber 9 millimeter Luger type volmantel, en
acht centraalvuur kogelpatronen van het merk Fabrique Nationale Hertstal (FNB) in het kaliber 9 millimeter Para type volmantel, en
dertien centraalvuur kogelpatronen van het merk Fiocchi (GFL) in het kaliber 9 millimeter Luger type volmantel, en
veertien centraalvuur kogelpatronen van het merk Norinco in het kaliber 9x19 type volmantel, en
vier centraalvuur kogelpatronen van het merk Sellier & Bellot (S&B) in het kaliber 9 millimeter Luger type volmantel,
voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. subsidiair. ten aanzien van het vervoeren
medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onderPro B van de Opiumwet gegeven verbod
ten aanzien van het aanwezig hebben
medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onderPro C van de Opiumwet gegeven verbod.
2. ten aanzien van het vuurwapen en de patroonmagazijnen
handelen in strijd met artikel 26 lid 1 vanPro de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
ten aanzien van de munitie
handelen in strijd met artikel 26 lid 1 vanPro de Wet wapens en munitie.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
De vordering van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair en feit 2 wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 72 dagen met aftrek van voorarrest en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast hebben de officieren van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren,
subsidiair 120 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest en een lagere voorwaardelijke gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd met een proeftijd van 1 jaar. Verdachte is niet eerder veroordeeld wegens soortgelijke feiten en dient gecompenseerd te worden voor de lange duur waarin verdachte in beperkingen heeft verbleven (17 dagen). Ook dient er rekening gehouden te worden met het tijdsverloop en zijn persoonlijke omstandigheden. Gelet hierop is een taakstraf van 240 uren niet meer passend en geboden.
Het oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsrapporten, het strafblad, alsmede de vordering van de officieren van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van de feiten
Verdachte is als medeplichtige behulpzaam geweest bij het vervoeren en het aanwezig hebben van 650 gram cocaïne. Hij heeft op verzoek van zijn broer een ander persoon opdracht heeft gegeven om een blok cocaïne op te halen en te vervoeren.
Cocaïne bevat voor de gebruikers daarvan schadelijke stoffen en kan een ernstig gevaar voor de volksgezondheid vormen. Daar komt bij dat de handel in cocaïne wordt gedreven door criminele organisaties en gepaard kan gaan met geweld en andere vormen van criminaliteit. Uit het dossier blijkt dat verdachte wist met welke handel zijn broer bezig was. Hij is hier opzettelijk behulpzaam bij geweest. De rechtbank neemt hem dit kwalijk.
Daarnaast is bij zijn aanhouding in zijn woning in een verborgen ruimte een vuurwapen aangetroffen, patroonmagazijnen en een grote hoeveelheid munitie.
Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie brengt onaanvaardbare risicos voor de maatschappij met zich mee en bij het gebruik daarvan kan dodelijk letsel worden toegebracht. De rechtbank acht het kwalijk dat verdachte dit voorhanden heeft gehad.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Formeel is artikel 63 vanPro het Wetboek van Strafrecht van toepassing, omdat verdachte op 27 oktober 2021 een strafbeschikking heeft gekregen wegens een verkeersovertreding.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het (meest recente) reclasseringsrapport van 14 oktober 2025. Volgens de reclassering is het leefgebied relatie, partner, gezin en familie delictgerelateerd vanwege de betrokkenheid van de broer van verdachte bij de strafbare feiten. Opvallend is dat verdachte niet de indruk wekt geschokt te zijn over het delictgedrag van zijn broer. Verder worden er door de reclassering geen aanwijzingen gezien voor risicos op de overige leefgebieden. Verdachte is in 2012 behandeld voor een cocaïneverslaving en gebruikt sindsdien naar eigen zeggen geen alcohol of drugs meer. Verdachte komt weloverwogen over en wil en kan bij problemen zijn eigen zaken regelen of om hulp vragen. Er is financiële stabiliteit en verdachte beschikt over een steunend netwerk. Als het nodig is kan hij ook een
beroep doen op zijn familie. De preventieve hechtenis lijkt een afschrikwekkend effect te hebben gehad op verdachte, omdat de zorg voor zijn gezin, ouders en het runnen van zijn autobedrijf op de schouders van zijn partner terecht kwam.
Het recidiverisico wordt ingeschat als laag-gemiddeld. Bij een veroordeling wordt geadviseerd om een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
De strafoplegging
De rechtbank gaat uit van een andere bewezenverklaring dan het Openbaar Ministerie, maar ook hiervoor, is gelet op de ernst van de feiten is in beginsel het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank gaat uit van een samenwerkingsverband ten behoeve van drugshandel dat gedurende in ieder geval een aantal maanden actief is geweest en waaraan verdachte op enig moment een bijdrage heeft geleverd. Daarom heeft de rechtbank bij het bepalen van de hoogte daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (verder: LOVS) waarbij rekening is gehouden met een organisatie. Voor het vervoeren van harddrugs (500-1000 gram) in een organisatie wordt uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden. Omdat sprake is van medeplichtigheid moet de op te leggen straf met een derde worden verminderd. Daar komt het
wapen- en munitiebezit bij dat uitgaat van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden.
Als uitgangspunt zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden naar het oordeel van de rechtbank daarom in beginsel passend en geboden zijn.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat tegenover de verdachte een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als zon handeling worden aangemerkt.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank concludeert dat de redelijke termijn in deze zaak is aangevangen bij de inverzekeringstelling van verdachte op 21 november 2022. Dit eindvonnis is gewezen op 29 mei 2026. Het tijdsverloop tussen de aanvang van de redelijke termijn en de uitspraak bedraagt daarmee ongeveer 3 jaren en 6 maanden. Er is dan ook sprake van een termijnoverschrijding op van 1 jaar en 6 maanden. De rechtbank is voorts van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden zijn aan te wijzen die maken dat kan worden geconcludeerd dat het (deels) te wijten is geweest aan verdachte of diens raadsvrouw dat de berechting zolang heeft geduurd.
Als gevolg hiervan zal de rechtbank een strafkorting toepassen van 15%.
Conclusie
Zoals hiervoor weergegeven is de rechtbank in beginsel van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden passend en geboden is. De rechtbank is echter van oordeel, gelet op de forse termijnoverschrijding, dat het niet meer passend is om in dit stadium nog een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waardoor verdachte terug de gevangenis in zal moeten. De rechtbank zal dit dan ook niet doen en het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf beperken tot de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Om de ernst van de feiten te benadrukken zal de rechtbank daarnaast wel een aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen alsmede een taakstraf.
De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 193 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk en met aftrek van de duur van het voorarrest (volgens de berekening van de rechtbank: 73 dagen). De rechtbank zal vanwege het tijdsverloop daaraan een proeftijd koppelen van twee jaren.
Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 48, 49, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
Een gevangenisstraf voor de duur van 193 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf ( een gedeelte, groot 120 dagen), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Een taakstraf voor de duur van 120 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Maring, voorzitter, mr. M.E. Joha en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. L.T.A. Fokkema en mr. M. Linde, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 mei 2026.
1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpaginas, zijn dit paginas uit het dossier van de politie
Eenheid Noord-Nederland, Dienst Regionale Recherche, met het proces-verbaal nummer PL0100-2021179489 (genaamd FINESTRE), bestaande uit 13 ordners doorgenummerd 1 tot en met 3405, met losse aanvullingen. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van voornoemd dossier.
2 Pagina 49 e.v. (ordner 1).
3 HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?