Verzoekers hebben op 16 januari 2026 een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De rechtbank Noord-Nederland behandelde het verzoek op 6 mei 2026 en stelde vast dat verzoekers niet langer in staat zijn hun schulden te betalen. Hoewel een deel van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek niet te goeder trouw is ontstaan, is op grond van de hardheidsclausule toch toelating mogelijk.
De schuldenlast van verzoekers bedraagt €68.255,44, met schulden zowel van voor als tijdens het huwelijk. De problematiek werd mede veroorzaakt door wisselende arbeidsrelaties en forse noodzakelijke medische kosten. De rechtbank oordeelt dat verzoekers de oorzaken van hun schulden onder controle hebben gekregen, wat een bestendige gedragsverandering impliceert.
Het minnelijk traject is overgeslagen omdat het in deze uitzonderlijke situatie, met hoge medische kosten en beslaglegging op het inkomen, niet haalbaar was een buitengerechtelijke regeling te treffen. Verzoekers vroegen om een eerdere ingangsdatum van de Wsnp, maar dit verzoek werd afgewezen wegens onvoldoende medische onderbouwing van arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank stelt de Wsnp-termijn vast op 18 maanden vanaf de datum van het vonnis en benoemt een rechter-commissaris en bewindvoerder. Het vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en op 21 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.