Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2026 in de zaak tussen
[naam 1], uit [plaats], verzoeker
[naam 2]uit [plaats] (vergunninghouder).
Rechtbank Noord-Nederland
Verzoeker betwist de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning aan een perceel naast zijn eigendom. Het college had de vergunning verleend, inclusief een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) vanwege afwijking van de bouwhoogte. Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit, dat deels werd herroepen voor de kleur van de dakpannen, maar verder werd het bezwaar ongegrond verklaard.
Verzoeker vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening om de bouw te staken. De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van spoedeisend belang, maar dat het college voldoende had gemotiveerd dat de afwijking van de bouwhoogte (9,9 meter in plaats van 9 meter) niet onevenredig was en dat de woning voldeed aan het beeldkwaliteitsplan, waarbij de bovenste verdieping als zolder werd aangemerkt. Ook was de publicatie van de vergunning uiteindelijk correct en was er geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het college de beleidsruimte had benut en dat de vergunning niet onrechtmatig was verleend. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. De uitspraak bindt niet in een bodemprocedure en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning wordt afgewezen.