Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1906

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
C/18/26/1153 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 288 lid 1 en lid 3 FaillissementswetArt. 349a lid 1 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling met geslaagd beroep op hardheidsclausule

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) vanwege haar onvermogen om haar schulden te voldoen. De rechtbank constateert dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van een deel van haar schulden, waaronder belasting- en boeteschulden, die zijn ontstaan in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek.

Desondanks wordt het verzoek toegewezen op grond van de hardheidsclausule, omdat verzoekster de oorzaken van haar schuldenproblematiek onder controle heeft gekregen. Zij heeft haar onderneming gestaakt, staat onder beschermingsbewind en is bereid te stoppen met haar werk bij haar ex-partner. Het minnelijk traject is overgeslagen vanwege de onmogelijkheid om alle schulden in beeld te krijgen, mede door een mogelijke terugvordering van een ten onrechte ontvangen uitkering.

De Wsnp wordt vastgesteld voor een termijn van 18 maanden vanaf de datum van het vonnis. De rechtbank benoemt een rechter-commissaris en een bewindvoerder die bevoegdheden krijgen om de schuldenaar te ondersteunen. Er is geen aanleiding voor een eerdere ingangsdatum van de regeling.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegewezen voor 18 maanden met benoeming van bewindvoerder en rechter-commissaris.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie:
Leeuwarden
zaaknummer: C/18/26/1153 R
vonnis van 21 mei 2026
in de zaak van:
[verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoekster

1.PROCESGANG

1.1.
Verzoekster heeft op 27 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
1.2.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 6 mei 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met haar moeder. Verder zijn verschenen de heer [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] en de heer [beschermingsbewindvoerder bij beschermingsbewindvoerdersbedrijf] B.V.

2.RECHTSOVERWEGINGEN

2.1.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.
2.2.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
2.3.
Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden.
2.4.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
2.5.
In verband hiermee wordt het volgende overwogen. Verzoekster heeft een eenmanszaak gehad handelend onder de naam [bedrijf] . Deze onderneming is zij gestart op 20 maart 2018. De onderneming is opgeheven en uitgeschreven uit het uit Handelsregister van de Kamer van Koophandel per 24 februari 2023. De schuldenlast van verzoekster bedraagt € 168.348,32. Een groot deel van de schulden zijn ontstaan uit de onderneming van verzoekster, waaronder forse Belastingschulden voor een totaalbedrag van € 128.816,32 en forse CJIB-schulden, bestaande onder andere uit WAHV-boetes voor een totaalbedrag van € 12.348,32.
2.6.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij op aandringen van haar ex-partner de onderneming is gestart en dat de werkzaamheden voornamelijk werden verricht door haar ex-partner. Volgens verzoekster had hij al een andere onderneming op zijn naam staan en wilde hij graag een eigen uitzendbureau. Zelf had zij geen enkele ervaring of inzicht in het ondernemerschap. De onderneming stond alleen op haar naam. De WAHV-boetes ontstonden door (lease)auto’s op naam van haar onderneming. Verzoekster heeft aangegeven dit nooit weer te laten gebeuren. Verzoekster heeft verder desgevraagd verklaard dat zij inziet dat het gelet op dit verleden niet goed is dat zij momenteel 3 uur per week in loondienst werkzaam is bij dezelfde ex-partner, die een B.V. is gestart onder dezelfde naam als haar eerdere eenmanszaak, en dat zij bereid is om daarmee te stoppen.
2.7.
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat verzoekster na het starten van een procedure van het UWV een forse nabetaling Ziektewetuitkering heeft ontvangen na het starten van een procedure tegen het UWV. Dit zou kunnen leiden tot een schuld bij de gemeente vanwege in dezelfde periode ten onrechte ontvangen uitkering. Verzoekster heeft volgens de heer [beschermingsbewindvoerder] een WIA-uitkering aangevraagd.
2.8.
De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat er geen aanbod is gedaan omdat tijdens de inventarisatiefase van de schulden het niet is gelukt om de schuldenlast goed in beeld te krijgen. Veel schuldeisers hebben niet gereageerd op het verzoek om hun vordering op verzoekster door te geven. Er is gepoogd om een minnelijk traject tot stand te brengen maar bij ex-ondernemers is dat lastig. Ook de ontvangen nabetaling van het UWV zou nog kunnen leiden tot een schuld bij de gemeente bestaande uit een terugvordering wegens ten onrechte ontvangen uitkering, waardoor de schuldenlast ook op dit moment nog niet geheel in beeld is.
2.9.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van een deel van de schulden aan de Belastingdienst en het CJIB niet als te goeder trouw kunnen worden aangemerkt, omdat deze zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar
.
2.10.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw Pro toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
2.11.
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is.
Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
2.12.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoekster nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoekster heeft haar bedrijfsactiviteiten gestaakt. Tezamen met de onderbewindstelling en de toezegging van verzoekster ter zitting dat zij zal stoppen met haar werk in loondienst bij haar ex-partner maakt dat de rechtbank het verzoek daarom zal toewijzen.
Minnelijk traject
2.13.
Om toegelaten te worden tot de Wsnp moet verzoekster eerst geprobeerd hebben om met haar schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen (het zogenoemde ‘minnelijk traject’). Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om een minnelijk traject te volgen.
2.14.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de schuldhulpverlener voor het ontbreken van een minnelijk traject, namelijk dat het lastig is om bij een ex-ondernemer de schulden in beeld te krijgen, onvoldoende is voor het overslaan van het minnelijk traject. Onduidelijk is waarom, ondanks het beschermingsbewind door [beschermingsbewindvoeringsbedrijf] B.V. sinds 4 februari 2025 de schulden niet in beeld zijn.
De rechtbank is echter van oordeel dat er mogelijk als gevolg van een forse nabetaling Ziektewetuitkering nog een schuld bij de gemeente zal ontstaan wegens terugvordering van ten onrechte ontvangen uitkering in het kader van de Participatiewet. Daardoor zijn wellicht nog niet alle schulden in beeld. Onder deze omstandigheid is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat het thans niet mogelijk is om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen.
Ingangsdatum WSNP
2.15.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
2.16.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen nu onderbouwing daarvan ontbreekt.

3.3. BESLISSING

De rechtbank:
3.1.
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats]
wonende te [adres] ;
3.2.
stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;
3.3.
benoemt tot rechter-commissaris mr. C.H. Beuker,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
3.4.
geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en in het openbaar uitgesproken op
21 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.