Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1905

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
C/18/26/1155 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 288 lid 1 sub b FaillissementswetArt. 288 lid 3 FaillissementswetArt. 349a lid 1 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling met geslaagd beroep op hardheidsclausule

Verzoeker heeft op 16 maart 2026 een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Tijdens de zitting op 6 mei 2026 zijn diverse betrokkenen gehoord, waaronder de beschermingsbewindvoerder en schuldhulpverlener. Uit het dossier blijkt dat verzoeker in financiële problemen is gekomen door misbruik van zijn identiteit en bedrijfsactiviteiten, gevolgd door dakloosheid en gezondheidsproblemen.

De rechtbank constateert dat verzoeker niet te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek, wat normaal gesproken tot weigering leidt. Echter, op grond van de hardheidsclausule (artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro) kan de Wsnp toch worden toegewezen indien aannemelijk is dat verzoeker de oorzaken van zijn schulden onder controle heeft gekregen. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is, mede door beëindiging van bedrijfsactiviteiten en onderbewindstelling.

Verder is vastgesteld dat het minnelijk traject niet correct is doorlopen, omdat alleen de grootste schuldeiser een voorstel kreeg, maar gezien de omstandigheden waaronder verzoeker dakloos was, acht de rechtbank dit niet doorslaggevend. De ingangsdatum van de Wsnp wordt vastgesteld op 1 januari 2026, omdat verzoeker vanaf die datum aan afdracht- en inspanningsplicht heeft voldaan. De regeling duurt 18 maanden en eindigt op 1 juli 2027.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de Wsnp wordt toegewezen met ingangsdatum 1 januari 2026 en een looptijd van 18 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie:
Leeuwarden
zaaknummer: C/18/26/1155 R
vonnis van 21 mei 2026
in de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker.

1.PROCESGANG

1.1.
Verzoeker heeft op 16 maart 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp).
1.2.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 6 mei 2026. Daarbij zijn verschenen de heer [naam 1] , werkzaam bij [bedrijf 1] , mevrouw [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] en de heer [beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder van verzoeker en werkzaam bij [beschermingsbewindvoerdersbedrijf] V.O.F. Verzoeker is telefonisch gehoord.

2.RECHTSOVERWEGINGEN

2.1.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
2.2.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
2.3.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
2.4.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
2.5.
In verband hiermee wordt het volgende overwogen. De beschermingsbewindvoerder van verzoeker heeft in het verzoekschrift aangegeven dat verzoeker op 2 augustus 2022 is gestart met een koeriersbedrijf genaamd [koeriersbedrijf] B.V. In februari 2023 kreeg verzoeker een vervoersopdracht naar Spanje van een collega koerier. Daarvoor heeft verzoeker een kopie van zijn paspoort afgegeven aan deze collega. De klus naar Spanje bleek achteraf een vervoersopdracht voor het vervoeren van grondstoffen voor drugs. De collega koerier heeft later misbruik gemaakt van zijn identiteitskaart en heeft op naam van het bedrijf aankopen gedaan. Direct nadat verzoeker dit merkte heeft hij het koeriersbedrijf beëindigd op 24 april 2023. Verzoeker was zwaar van de kaart en heeft in de dagen daarna zoveel alcohol gedronken dat hij werd opgenomen in het ziekenhuis. Vanaf die datum is er volgens de beschermingsbewindvoerder geen alcohol meer gebruikt door verzoeker. Vervolgens is verzoeker op 1 mei 2023 samen met een echtpaar gestart met een nieuw bedrijf genaamd [bedrijf 2] . De man van het echtpaar zorgde voor de klussen, de vrouw voor de financiën en administratie en verzoeker voor de uitvoering. De vrouw had beschikking over de bankpas van verzoeker. Aankopen werden gedaan op zijn naam en inkomsten werden direct doorgestort naar de bankrekening van het echtpaar terwijl zijn inkomsten bestonden uit zakgeld van € 250,00 per maand en de huur van een chalet op een camping. Ook werden klussen aangenomen, waarvoor geld werd ontvangen maar deze werden niet uitgevoerd. Augustus 2023 kreeg verzoeker in de gaten dat hij en de klanten van het bedrijf werden opgelicht en heeft hij het bedrijf beëindigd en drie maanden later de bankrekening van het bedrijf opgeheven Vervolgens is verzoeker een tijd dakloos geweest. Vanaf 24 november 2024 heeft verzoeker onderdak gevonden bij Limor. De schuldenlast van verzoeker bedraagt € 210.647,84. Verzoeker heeft een schuld aan de Belastingdienst van € 1.567,00 bestaande uit aanslagen motorrijtuigenbelasting over de jaren 2023 en 2024 en twee WAHV-boetes aan het CJIB voor een totaalbedrag van € 2.838,00 ontstaan in 2023 en 2024. Verder bestaat de schuldenlast hoofdzakelijk uit zakelijke schulden, die voor een groot deel minder dan 3 jaar geleden zijn ontstaan.
De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat Arag als grootste schuldeisers een minnelijk voorstel is gedaan en dat dit verzoek door Arag is afgewezen. [schuldhulpbedrijf] heeft geen aanleiding gezien om namens verzoeker de andere schuldeisers een voorstel te doen. De vordering van [naam 2] op de lijst van € 50.643,50 kan worden verwijderd van de schuldenlijst omdat deze vordering dezelfde is als de vordering van Arag.
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat het de vraag is of de schuldenlijst compleet is omdat verzoeker een tijd dakloos is geweest en last heeft van zijn geheugen. De kans bestaat dat er nog meer schulden boven water komen.
2.6.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker ten aanzien van de schulden aan het CJIB en de Belastingdienst en een groot deel van de overige (zakelijke) schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze zijn ontstaan in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend.
2.7.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw Pro toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
2.8.
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
2.9.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoeker nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoeker heeft alle bedrijfsactiviteiten gestaakt en heeft per 5 maart 2025 geen auto’s meer op naam staan. Verzoeker lijkt kwetsbaar te zijn als het gaat om (financieel) misbruik door anderen. Door de onderbewindstelling per 13 november 2024 en de verklaring van verzoeker ter zitting lijkt dit risico in voldoende mate ondervangen. Hij heeft verklaard dat hij niet zomaar meer in zee zal gaan met derden en dat hij met zijn beschermingsbewindvoerder heeft afgesproken niets buiten medeweten van zijn beschermingsbewindvoerder te doen en eerst toestemming te vragen. Dit maakt dat de rechtbank het verzoek zal toewijzen.
Minnelijk traject
2.10.
Om toegelaten te worden tot de Wsnp moet verzoeker eerst geprobeerd hebben om met zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen (het zogenoemde ‘minnelijk traject’). Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om een minnelijk traject te volgen.
2.11.
De rechtbank is van oordeel dat geen juiste uitvoering is gegeven aan het minnelijk traject door alleen een aanbod te doen aan de grootste schuldeiser en vervolgens te kijken hoe die reageert alvorens verdere stappen te ondernemen. . Daarmee worden de belangen van de overige schuldeisers geschaad. Die krijgen immers op deze wijze geen gelegenheid hun eigen standpunt ten aanzien van het aanbod naar voren te brengen.
De rechtbank ziet echter aanleiding om daar in de onderhavige kwestie geen punt van te maken nu verzoeker een tijd dakloos is geweest waardoor mogelijk niet alle schulden bekend zijn. Onder deze omstandigheid is naar het oordeel van de rechtbank (door een andere reden dan de weigering van de grootste schuldeiser) voldoende aannemelijk dat het niet mogelijk is om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen.
Ingangsdatum Wsnp
2.12.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
2.13.
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek om een eerdere ingangsdatum te bepalen, is dat een schuldenaar zich tijdens het minnelijk traject maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. De eventuele omstandigheid dat de verplichtingen die voortvloeien uit het minnelijke voortraject niet geheel gelijk zijn aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke schuldsaneringsregeling, staat in beginsel niet eraan in de weg de termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling te laten lopen vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan. Wel dient in dat geval te worden aangetoond dat de schuldenaar zich tijdens het minnelijke voortraject voldoende heeft ingespannen ten behoeve van zijn schuldeisers, (r.o. 3.5.3. Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:HR:HR:2024:1913).
2.14.
[schuldhulpbedrijf] heeft namens verzoeker verzocht om de Wsnp in te laten gaan vanaf 1 januari 2026. De rechtbank stelt vast dat verzoeker (al dan niet door middel van beslag) vanaf 1 januari 2026 heeft afgedragen. Daarnaast is de rechtbank gebleken dat na onderzoek in het ziekenhuis is gebleken dat er bij verzoeker tumoren zijn ontdekt en dat er door chemo’s en bestralingen nevenschade is ontstaan. Verzoeker loopt met een rollator en krukken. Verder heeft de gemeente Leeuwarden een vrijstelling van de sollicitatieplicht verstrekt vanaf 1 januari 2026. Het is op basis van deze feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk dat verzoeker vanaf 1 januari 2026 niet in staat was om met werkzaamheden meer geld te verdienen.
2.15.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke schuldsaneringsregeling bepalen op 1 januari 2026 omdat verzoeker van die datum heeft voldaan aan de afdracht- en inspanningsplicht.

3.BESLISSING

De rechtbank:
3.1.
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ;
3.2.
stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf 1 januari 2026, waardoor deze termijn eindigt op 1 juli 2027;
3.3.
benoemt tot rechter-commissaris mr. S. van Gessel,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
3.4.
geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026
in tegenwoordigheid van de griffier.