Aan betrokkene is een boete opgelegd wegens parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats die was gereserveerd voor een ander voertuig, op 6 april 2024 in Groningen. Betrokkene stelde dat de gehandicaptenparkeerplaats was gereserveerd voor een persoon die al geruime tijd was overleden en dat de gemeente het onderbord met het kenteken pas later had verwijderd.
De officier van justitie verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 23 april 2026 werd het beroep behandeld en onmiddellijk uitspraak gedaan.
De kantonrechter oordeelde dat de overtreding vaststaat, maar dat de omstandigheden aanleiding geven tot matiging van de boete. De boete werd met 75% gematigd tot € 131,50 inclusief administratiekosten. Tevens werd betrokkene een proceskostenvergoeding van € 41,88 toegekend voor gemaakte reiskosten.
De kantonrechter vond het van belang dat de gehandicaptenparkeerplaats was gereserveerd voor een overleden persoon en dat de gemeente het onderbord met het kenteken nog enige tijd had laten hangen, waardoor de overtreding niet volledig voor rekening van betrokkene komt. De officier van justitie werd veroordeeld tot betaling van de reiskosten van betrokkene.
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.