Aan betrokkene werd een boete opgelegd wegens parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats die was gereserveerd voor een ander voertuig. Betrokkene stelde dat zijn auto al geparkeerd stond voordat de gehandicaptenparkeerplaats werd aangelegd. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting op 23 maart 2026 werd vastgesteld dat de gehandicaptenparkeerplaats inderdaad pas was aangelegd nadat betrokkene zijn auto daar had geparkeerd. Hoewel de verkeersovertreding vaststond, achtte de kantonrechter dit feitelijk gegeven aanleiding om de boete te matigen.
De kantonrechter matigde de boete tot nul euro en bepaalde dat betrokkene het teveel betaalde bedrag aan zekerheidstelling terugkrijgt. De beslissing van de officier van justitie werd vernietigd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.