Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1727

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
18-330162-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag en veroordeling poging zware mishandeling met mes in Leeuwarden

Op 14 oktober 2024 heeft verdachte in Leeuwarden aangever met een mes in het oog gestoken. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling, maar spreekt hem vrij van poging tot doodslag en voltooide zware mishandeling.

Het bewijs bestond uit verklaringen van aangever, opgewaardeerde camerabeelden die lieten zien dat verdachte een lang, smal voorwerp vasthield, en een forensisch geneeskundig letselverslag dat het letsel toeschreef aan een mes en niet aan een sleutel. Getuigen zagen geen mes, maar dit werd door de rechtbank niet doorslaggevend geacht. Het bijten in de neus van aangever kon niet worden bewezen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 66 dagen op, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 180 uur. De straf is lager dan geëist vanwege het positieve gedrag van verdachte tijdens schorsing en het risico op verlies van werk en huisvesting. De materiële schade van 35 euro aan aangever wordt toegewezen, immateriële schade niet wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 66 dagen gevangenisstraf waarvan 60 voorwaardelijk en 180 uur taakstraf voor poging tot zware mishandeling met mes.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer: 18-330162-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 mei 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 april 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.A. Pots, advocaat te Leeuwarden.
Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Homans-de Boer.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 oktober 2024 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, een zwaaiende en/of slaande en/of stekende beweging in de richting van het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gemaakt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op zijn neus en/of op/in zijn oog is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 oktober 2024 te Leeuwarden aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten vermindering/verlies van zicht aan een oog en/of ontsierende littekens in het gezicht, althans ernstig oogletsel en/of aangezichtsletsel, heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal
  • met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, een zwaaiende en/of slaande en/of stekende beweging in de richting van het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te maken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op zijn neus en/of op/in zijn oog is geraakt en/of
  • in de neus van die [slachtoffer] te bijten;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 oktober 2024 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal
  • met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, een zwaaiende en/of slaande en/of stekende beweging in de richting van het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gemaakt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op zijn neus en/of op/in zijn oog is geraakt en/of
  • in de neus van die [slachtoffer] heeft gebeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak voor het primair en subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft veroordeling gevorderd voor alle onderdelen van het meer subsidiair ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft het standpunt ingenomen dat het meer subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen, maar plaatst daarbij wel de kanttekening dat er onvoldoende bewijs is voor het steken met een mes. Getuige [getuige 1] en [getuige 2] hebben geen mes bij verdachte gezien. Alleen de deskundigen hebben opgemerkt dat de wond van aangever waarschijnlijk met een mes is veroorzaakt. In het dossier bevinden zich hiervoor verder geen aanknopingspunten. Evenmin kan het bijten in de neus van aangever worden bewezen.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak poging tot doodslag
De rechtbank is met de officier van justitie en raadsman van oordeel dat er geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van aangever. Zij spreekt verdachte daarom vrij van het primair ten laste gelegde.
Vrijspraak zware mishandeling
De rechtbank ziet zich bij het subsidiair ten laste gelegde voor de vraag gesteld of het oogletsel van aangever als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gelden er een aantal gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Deze gezichtspunten zijn: de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van het medisch ingrijpen alsmede het uitzicht op (volledig) herstel. Het is voor de beoordeling van het letsel van belang dat zich bij de processtukken gegevens bevinden die concreet informatie verschaffen over (elk van) de genoemde gezichtspunten.1
In het forensisch geneeskundig letselverslag van 7 januari 2025 is het oogletsel van aangever [slachtoffer] en de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen beschreven. Aangever heeft twee operatieve ingrepen nodig gehad voor het behoud van zijn oogfunctie. In dit letselverslag is eveneens opgemerkt dat aangever op het moment van het opstellen van het letselverslag slecht zicht heeft met beide ogen en dat hij loopt met een begeleider en zonnebril. Hoewel zichtbeperkend oogletsel in bepaalde situaties onder de definitie van zwaar lichamelijk letsel zou kunnen worden geschaard, is hiervoor wel vereist dat nadere vaststellingen kunnen worden gedaan over de mate waarin dit letsel blijvend is. Daarover is echter geen recente informatie beschikbaar. Het slachtoffer was niet ter terechtzitting aanwezig en ook de vordering tot schadevergoeding bevat geen recente informatie over het letsel. De rechtbank kan aan de hand van het genoemde letselverslag noch andere stukken in het dossier vaststellen dat het oogletsel van aangever heeft geleid tot onherstelbaar zichtverlies. Oftewel, het dossier verschaft geen informatie over het gezichtspunt dat ziet op het uitzicht op (volledig) herstel. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel en spreekt verdachte daarom vrij van het subsidiair ten laste gelegde.
Veroordeling poging zware mishandeling
De rechtbank acht de meer subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past daarvoor de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 24 april 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik herken mijzelf op de opgewaardeerde camerabeelden in het dossier, die zicht geven op het incident dat heeft plaatsgevonden bij de Achmeatoren te Leeuwarden.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 oktober 2024, opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Op 14 oktober 2024 liep ik ter hoogte van de Sophialaan te Leeuwarden om te wachten op [verdachte]
(de rechtbank begrijpt: verdachte). Ik zag dat [verdachte] aan kwam lopen uit de richting van het Zaailand te Leeuwarden. Uiteindelijk bevonden wij ons ter hoogte van de Achmeatoren te Leeuwarden. Op het moment dat ik mijn rugzak op de grond neerzette, zag ik dat [verdachte] op mij af kwam met een donker mes. Ik zag dat [verdachte] het mes in zijn rechterhand vasthield. Ik zag dat dit een erg scherp mes van ongeveer 15-20 centimeter betrof. Ik zag dat hij met zijn rechterarm een zwaaiende beweging maakte richting mijn gezicht. Ondanks dat ik mijn gezicht probeerde te verdedigen, voelde ik dat hij mij raakte met het mes, ter hoogte van mijn linkeroog. Ik voelde op dat moment een hevige pijn aan mijn oog. Ik zag bloed op mijn handen, jas en gezicht. Ik ben meegenomen naar het ziekenhuis in [plaats] . Uit het onderzoek bleek dat ik geraakt ben, net onder mijn linker-wenkbrauw en dat het mes vervolgens is doorgestoken in mijn oogbol.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 oktober 2024, opgenomen op pagina 44 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 15 oktober 2024 zijn de camerabeelden met zicht op de Sophialaan te Leeuwarden veiliggesteld. Tijdens het bekijken van deze camerabeelden leek het net of verdachte [verdachte] mogelijk iets in zijn rechterhand vasthield. Hierop is aan digitaal specialist [naam 1] gevraagd of hij met software de camerabeelden kon verbeteren. Hem is de onderzoeksvraag gesteld: “Heeft verdachte [verdachte] wel of niet iets vast in zijn rechterhand?” Op de opgewaardeerde camerabeelden is zichtbaar geworden dat verdachte [verdachte] iets in zijn rechterhand vasthoudt. Zichtbaar is dat er onder de rechterhand van verdachte [verdachte] een lang en smal voorwerp naar beneden steekt.
4. Een deskundigenrapport afkomstig van GGD Fryslân d.d. 7 januari 2025, opgemaakt door dr. [naam 2] onder supervisie van drs. ing. T. van Mesdag, op de door
drs. ing. T. van Mesdag afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend:
4b. Resultaten
A. Letsels linker oog: steekletsel bovenooglid circa 7mm lang en steekletsel bovenkant oogbol circa 5mm lang. Het is aannemelijk dat deze letsels zijn ontstaan
vanuit 1 handeling gezien de overlappende locatie van beide letsels.
5.
Beantwoording van de vraagstelling.
Wat is de waarschijnlijkheid van de geconstateerde letsels (afzonderlijk en in combinatie) bij weging van de volgende hypothesen?
H1: Het letsel is toegebracht door gebruik van een standaard huissleutel. H2: Het letsel is toegebracht door gebruik van een mes.
De beschreven letsels zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 2 waar is dan wanneer hypothese 1 waar is.
De punt van een sleutel zit tussen scherp en stomp in en kan worden beschouwd als half-scherp. Het is mogelijk om met een half-scherp voorwerp een steekwond toe te
brengen. Letsels door half-scherpe voorwerpen bevatten zowel kenmerken van scherp als stomp letsel.
Voor het doorboren van de huid of een oogbol met een half-scherp voorwerp is meer kracht nodig dan wanneer dit met een puntig, scherprandig voorwerp zoals een mes zou worden gedaan. Een steekletsel veroorzaakt met een sleutel zal daarom meer weefselschade geven door de bijkomende crush-effecten (samendrukking en/of verscheuring van de huid en onderliggende weefsels) zoals die worden gezien bij een scheurwond. De oogbol zou door dit crush-effect volledig open barsten dan wel scheuren.
Het letsel samengevat onder A (oog) vertoont uitsluitend kenmerken die typerend zijn voor scherp letsel en geen kenmerken die typerend zijn voor scheurwonden.
Derhalve is het onwaarschijnlijk dat het letsel samengevat onder A is veroorzaakt door steken met een sleutel.
Bewijsoverweging
Aangever heeft verklaard dat verdachte hem met een mes heeft geraakt in zijn linkeroog. Verdachte heeft het gebruik van een mes steevast ontkend en gesteld dat hij enkel een sleutel(hanger) had waarmee hij heeft gezwaaid alsof het een mes was.
De rechtbank ziet zich, gelet op deze tegengestelde verklaringen, voor de vraag gesteld of verdachte heeft gestoken met een mes. De rechtbank acht voor de beantwoording van deze vraag de camerabeelden en het forensisch geneeskundig letselverslag van belang.
In het dossier bevindt zich een beschrijving van opgewaardeerde camerabeelden waaruit blijkt dat verdachte een lang en smal voorwerp in zijn rechterhand heeft. Daarnaast heeft een forensisch geneeskundige het letsel van aangever beoordeeld aan de hand van een scenariovergelijking. De forensisch geneeskundige komt tot de conclusie dat het scenario waarin het oogletsel is veroorzaakt door een mes zeer veel waarschijnlijker dan het scenario waarin het letsel is veroorzaakt is door een sleutel. Weliswaar hebben getuige [getuige 1] en [getuige 2] geen mes bij verdachte gezien, dit sluit echter niet uit dat verdachte een mes heeft gebruikt.
De rechtbank is van oordeel dat de opgewaardeerde camerabeelden en het letselverslag de verklaring van aangever bevestigen. De verklaring van verdachte waarin hij stelt dat hij geen mes had, maar een sleutelhanger, vindt de rechtbank onaannemelijk, omdat de verklaring van verdachte wordt weerlegd door het letselverslag in samenhang bezien met de opgewaardeerde camerabeelden. Het door verdachte aangedragen scenario over hoe het oogletsel van aangever zou zijn ontstaan, is onwaarschijnlijk.
Bovendien is zon sleutelhanger ook niet aangetroffen: op de foto van de sleutelbos ontbreekt een sleutelhanger.
De rechtbank stelt op basis van de aangifte, het letselverslag en de opgewaardeerde camerabeelden vast dat verdachte aangever één keer heeft gestoken met een mes. Dit is naar het oordeel van de rechtbank te kwalificeren als een poging tot zware mishandeling.
Gedeeltelijke vrijspraak voor bijten in de neus
Aangever heeft eerst verklaard dat hij in zijn neus is gestoken en bij zijn tweede verhoor verklaard dat verdachte hem heeft gebeten in de neus. De forensisch geneeskundige heeft daarentegen het letsel van de neus beschreven als een snijwond. Het dossier bevat tegenstrijdige gegevens over het bijten in de neus.
De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het bijten in de neus niet bewezen kan worden. Zij spreekt verdachte vrij van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 14 oktober 2024 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes een zwaaiende beweging in de richting van het gezicht van die [slachtoffer] heeft gemaakt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] in zijn oog is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
- poging tot zware mishandeling
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie komt voor het meer subsidiair ten laste gelegde tot de volgende strafeis:
-
een gevangenisstraf voor de duur van 126 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van het voorarrest;
- een taakstraf voor de duur van 180 uren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf die in duur gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest. Daarnaast heeft de raadsman gepleit voor een taakstraf van een kortere duur dan de geëiste 180 uren. Dit alles gelet op het tijdsverloop en het goede verloop van het schorsingstoezicht.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting het reclasseringsadvies van 1 mei 2025, het voortgangsverslag van 16 april 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 maart 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit
Verdachte heeft aangever, nadat zij met elkaar in een gevecht verwikkeld waren geraakt, in zijn oog gestoken met een mes. Verdachte heeft met zijn handelswijze veel leed en ongemak bij aangever veroorzaakt. Aangever heeft meerdere medische ingrepen aan zijn verwonde oog moeten ondergaan en heeft een tijd lang met een visuele beperking moeten leven. Daarnaast veroorzaakt een dergelijk incident een onveilig gevoel bij omstanders die hier getuige van zijn. Het steekincident heeft zich afgespeeld op de openbare weg. Aangever heeft als gevolg van dit steekincident aan de kant van de weg gestaan met een bebloed gezicht. Dit is niet alleen vernederend voor aangever, maar ook huiveringwekkend voor omstanders en anderen die hier kennis van krijgen.
De persoon en persoonlijke omstandigheden
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies. De reclassering heeft in haar rapport beschreven dat bij verdachte met name factoren bestaan met een beschermende werking. Verdachte zet zich sinds zijn komst naar Nederland in om te integreren. Hij werkt veel en heeft zijn schulden in kaart om deze af te kunnen lossen. Er zijn geen aanwijzingen die duiden op problematisch middelengebruik en/of psychosociale problemen. De reclassering schat in dat verdachte in staat is om zelf hulp te initiëren indien nodig. Een verplicht kader heeft geen toegevoegde waarde. De reclassering schat het risico op recidive en letsel in als laag. Zij adviseert een straf zonder oplegging van bijzondere voorwaarden. Voorts acht de reclassering een oplegging van een gevangenisstraf niet gewenst, omdat een dergelijke straf zal betekenen dat verdachte mogelijk zijn werk en huisvesting verliest. De reclassering ziet geen contra-indicaties voor het opleggen van een taakstraf.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het voortgangsverslag. De reclassering heeft in haar voortgangsverslag opgemerkt dat er geen overtredingen hebben plaatsgevonden binnen het reclasseringstoezicht dat liep tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis Verdachte heeft zich gehouden aan de meldplichtafspraken en stelt zich coöperatief op. Verdachte woont inmiddels samen met
zijn vriendin. De inschatting van de reclassering is dat verdachte intrinsiek gemotiveerd is. De reclassering ziet een positieve ontwikkeling in het leven van verdachte, nu hij stabiliteit op diverse leefgebieden aan het bewerkstelligen is.
Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij op dit moment kabelwerkzaamheden verricht als zelfstandige zonder personeel. Hij kan van zijn inkomsten rondkomen en is bezig met het afbetalen van zijn schulden.
De strafmaat
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijke letsel met behulp van een wapen is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden. In dit geval is sprake van een niet voltooide zware mishandeling zodat dit uitgangspunt met een derde verminderd dient te worden. De rechtbank is echter met de officier van justitie en raadsman van oordeel is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis in dit geval niet passend is. Daarbij heeft de rechtbank gelet op de mogelijke schadelijke gevolgen het mogelijke verlies van werk en huisvesting die een dergelijke straf met zich meebrengt. Bovendien heeft verdachte zich meer dan anderhalf jaar en op een positieve manier aan schorsingsvoorwaarden gehouden. De doelen van bestraffing, te weten afschrikking en gedragsverandering, kunnen in dit geval beter worden bereikt met het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is, gelet op voornoemde oriëntatiepunten, niettemin van oordeel dat de gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf te hoog is.
Bovendien vindt de rechtbank een hoge voorwaardelijke straf niet nodig om verdachte te weerhouden van het opnieuw plegen van strafbare feiten. De rechtbank zal daarom een lagere voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank is van oordeel dat naast de voorwaardelijke gevangenisstraf, ook een taakstraf op zijn plaats is, zodat daarmee aan verdachte een voelbaar signaal wordt afgegeven dat hij onjuist heeft gehandeld. Deze taakstraf dient tegelijkertijd als vergelding van het veroorzaakte leed. De rechtbank is van oordeel dat de geëiste de taakstraf daarvoor passend is.
De rechtbank legt, alles afwegende, aan verdachte op:
- een gevangenisstraf voor de duur van 66 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van
2 jaren met aftrek van het voorarrest;
- een taakstraf voor de duur van 180 uren.

Benadeelde partij

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 35 ter vergoeding van materiële schade en 5.000 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 oktober 2024.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade voor toewijzing vatbaar is. Zij heeft ten aanzien van de gestelde immateriële schade het standpunt ingenomen
dat deze onvoldoende is onderbouwd. Deze schadepost dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij
[slachtoffer] de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte 35 niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 oktober 2024.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken
Immateriële schade
Dit is anders wat betreft de gevorderde immateriële schade. Hoewel de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de gevorderde immateriële schade te kunnen beoordelen. In de onderbouwing van deze schade wordt enkel verwezen naar het letselverslag in het strafdossier en wordt op algemene wijze gesteld dat de benadeelde psychische klachten heeft. De vordering bevat geen informatie over de actuele stand van zaken van het opgelopen letsel. Uit de onderbouwing van de schade volgt niet concreet de mate waarin de benadeelde door het letsel in zijn dagelijkse functioneren is belemmerd en of hij op dit moment nog andere nadelige gevolgen als gevolg van dit letsel heeft ondervonden. De benadeelde partij noch een slachtofferadvocaat is op de terechtzitting verschenen om de vordering nader toe te lichten. Deze gestelde schadepost mist naar het oordeel van de rechtbank feitelijke onderbouwing en is om die reden niet voor toewijzing vatbaar. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen deze informatie alsnog te verschaffen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 66 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 60 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een
proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Een taakstraf voor de duur van 180 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 8 mei 2026.
Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer]toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 35 (zegge: vijfendertig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor de immateriële schade niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 35 (zegge: vijfendertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 35 aan materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. M.E. Joha en
mr. O.F. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 mei 2026.
Mr. W.S. Sikkema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:66, r.o. 2.4.1-2.4.8.