Aan betrokkene werd een boete van €189 opgelegd wegens het rijden zonder dimlicht of grootlicht buiten de bebouwde kom op 26 april 2024. Betrokkene stelde dat de koplamp kapot ging tijdens het rijden en reparatie alleen bij de garage mogelijk was. Hij betwistte de overtreding niet, maar voerde aan dat hij geen mogelijkheid had de lamp direct te repareren.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 7 april 2026 werd vastgesteld dat de verbalisant aanvankelijk wilde waarschuwen, maar door een woordenwisseling de boete oplegde. De kantonrechter oordeelde dat dit onredelijk gebruik van discretionaire bevoegdheid was.
De kantonrechter matigde de boete tot nul en bepaalde dat betrokkene de zekerheidstelling terugkrijgt. Het beroep werd gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie vernietigd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.