Het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân verleende op 19 december 2023 een vergunning voor het aanleggen en exploiteren van een drijvend zonnepark nabij bedrijventerrein Skulenboarch in Eastermar. Op 9 december 2025 wijzigde het bestuur met terugwerkende kracht een voorwaarde van deze vergunning, waarbij de opleverdatum van het zonnepark werd vastgesteld op 19 juli 2027. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze wijziging, maar het bestuur verklaarde dit bezwaar op 5 maart 2026 kennelijk niet-ontvankelijk omdat de brief van 9 december 2025 geen besluit zou zijn.
Verzoekster stelde dat de brief wel een besluit is en dat zij belanghebbende is, onder meer vanwege haar woonplaats nabij het waterlichaam en haar hoedanigheid als maat in een maatschap met gronden in de omgeving. De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief van 9 december 2025 wel degelijk een besluit is omdat het een rechtsgevolg heeft door de wijziging van de vergunningvoorwaarden. Het bezwaar had dus in behandeling moeten worden genomen.
Echter, de voorzieningenrechter stelde ook vast dat verzoekster geen belanghebbende is bij het besluit, omdat zij geen directe of materiële gevolgen ondervindt van de vergunning of de wijziging daarvan. Haar woonplaats ligt op circa 600 meter afstand zonder zicht op het zonnepark en de gronden van de maatschap liggen te ver weg om een onderscheidend belang te hebben. Daarom was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.
De voorzieningenrechter vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat direct in de hoofdzaak werd beslist. Het dagelijks bestuur werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van verzoekster.