Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1676

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
26-794
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:86 AwbArtikel 3.2 Keur Wetterskip Fryslân
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar verlenging vergunning drijvend zonnepark

Het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân verleende op 19 december 2023 een vergunning voor het aanleggen en exploiteren van een drijvend zonnepark nabij bedrijventerrein Skulenboarch in Eastermar. Op 9 december 2025 wijzigde het bestuur met terugwerkende kracht een voorwaarde van deze vergunning, waarbij de opleverdatum van het zonnepark werd vastgesteld op 19 juli 2027. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze wijziging, maar het bestuur verklaarde dit bezwaar op 5 maart 2026 kennelijk niet-ontvankelijk omdat de brief van 9 december 2025 geen besluit zou zijn.

Verzoekster stelde dat de brief wel een besluit is en dat zij belanghebbende is, onder meer vanwege haar woonplaats nabij het waterlichaam en haar hoedanigheid als maat in een maatschap met gronden in de omgeving. De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief van 9 december 2025 wel degelijk een besluit is omdat het een rechtsgevolg heeft door de wijziging van de vergunningvoorwaarden. Het bezwaar had dus in behandeling moeten worden genomen.

Echter, de voorzieningenrechter stelde ook vast dat verzoekster geen belanghebbende is bij het besluit, omdat zij geen directe of materiële gevolgen ondervindt van de vergunning of de wijziging daarvan. Haar woonplaats ligt op circa 600 meter afstand zonder zicht op het zonnepark en de gronden van de maatschap liggen te ver weg om een onderscheidend belang te hebben. Daarom was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

De voorzieningenrechter vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat direct in de hoofdzaak werd beslist. Het dagelijks bestuur werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van verzoekster.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat verzoekster geen belanghebbende is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 26/794 en LEE 26/795

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit Eastermar, verzoekster,

(gemachtigde: mr. E. Philippi-Gho),
en

het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân, het dagelijks bestuur,

(gemachtigde: mr. L. Bos).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Zonnepark Skulenboarch BV,uit Leeuwarden, (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. V.A.C. de Gier).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit om het bezwaar van verzoekster kennelijk niet ontvankelijk te verklaren. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter doet in deze zaak uitspraak in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. Omdat direct uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 19 december 2023 heeft het dagelijks bestuur een vergunning verleend [1] voor het aanleggen en exploiteren van een drijvend zonnepark, het aanleggen van steigers, een vlonder, een dam met duiker, bruggetjes en het graven/vergraven van oppervlaktewater, op/aan de zandwinplas nabij bedrijventerrein Skulenboarch in Eastermar. Tegen deze vergunning is geen bezwaar gemaakt. In de vergunning is als voorwaarde drie opgenomen dat de vergunning vervalt als niet binnen achttien maanden na dagtekening van de vergunning met de werkzaamheden is gestart, of als de werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van twaalf maanden hebben stilgelegen.
2.1.
Op 9 december 2025 heeft het dagelijks bestuur deze voorwaarde gewijzigd. Het dagelijks bestuur heeft met terugwerkende kracht aan de vergunning van 19 december 2023 de voorwaarde verbonden dat het zonnepark in zijn geheel voor 19 juli 2027 moet zijn aangelegd.
2.2.
Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt.
2.3.
Het dagelijks bestuur heeft het bezwaar van verzoekster op 5 maart 2026 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van 9 december 2025 volgens het dagelijks bestuur geen besluit is.
2.4.
Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en haar gemachtigde; namens het dagelijks bestuur, zijn gemachtigde en L. Hofstede en namens vergunninghouder haar gemachtigde en [belanghebbende] .
2.6.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist hij op het beroep van verzoekster. [2]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is de brief van 9 december 2025 een besluit?
3. Verzoekster voert aan dat haar bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens haar is de brief van 9 december 2025 een besluit, was haar bezwaar daartegen ontvankelijk en had zij daarover gehoord moeten worden. Die brief is volgens haar een besluit omdat voorwaarde drie van de oorspronkelijke vergunning van 19 december 2023 is gewijzigd. Aan die wijziging ligt de volgens verzoekster de onjuiste veronderstelling ten grondslag dat de vergunning van 19 december 2023 nog steeds zou gelden. Volgens verzoekster is die vergunning van rechtswege vervallen, omdat niet binnen 18 maanden (dus voor 19 juni 2025) is gestart met de werkzaamheden.
3.1.
Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat de brief van 9 december 2025 geen besluit is. Daarom is het bezwaar van verzoekster tegen die brief terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het dagelijks bestuur is die brief geen besluit, omdat vergunninghouder, anders dan het dagelijks bestuur aanvankelijk veronderstelde, wel vóór 19 juni 2025 activiteiten heeft uitgevoerd op basis van de vergunning van 19 december 2023. Daarom was de verlenging van de vergunning in de brief van 9 december 2025 niet nodig, heeft die brief geen rechtsgevolg en is daarom geen besluit.
3.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van 9 december 2025 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Die brief is namelijk gericht op rechtsgevolg. Het rechtsgevolg is dat voorwaarde drie van de vergunning van 19 december 2023 (werkzaamheden moeten binnen 18 maanden starten en mogen niet langer dan 12 maanden stilliggen) niet langer geldt. In plaats daarvan geldt de voorwaarde uit de brief van 9 december 2025. Die houdt in dat het gehele zonnepark voor 19 juli 2027 gerealiseerd moet zijn. Desgevraagd heeft het dagelijks bestuur ter zitting laten weten dat dat voorschrift niet is herroepen of ingetrokken.
3.3.
Dat betekent dat het dagelijks bestuur het bezwaarschrift van verzoekster tegen het besluit van 9 december 2025 ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het dagelijks bestuur had dat bezwaarschrift in behandeling moeten nemen. Het bestreden besluit van 5 maart 2026 kan daarom niet in stand blijven. De voorzieningenrechter zal hierna ingaan op de vraag waartoe dit moet leiden.
Het belang van verzoekster
4. In het bezwaarschrift heeft verzoekster gesteld dat zij belanghebbende is bij het besluit van 9 december 2025 omdat zij in de directe omgeving van het waterlichaam woont en dit water wordt gebruikt voor recreatie (zwemmen), natuur, visstand en agrarische bedrijfsvoering. Tijdens de zitting is, mede aan de hand van kaartmateriaal, stilgestaan bij het belang van verzoekster bij de vergunning van 19 december 2023 en, in het verlengde daarvan, het besluit van 9 december 2025.
4.1.
Verzoekster woont op ca 600 meter van de zandwinplas en het zonnepark waarop de vergunning van 19 december 2023 ziet. Vanaf haar perceel heeft zij daarop geen zicht. Tussen haar perceel en de zandwinplas liggen wegen, bebouwing en bosschages. Zij ondervindt als bewoner/eigenaar niet rechtstreeks feitelijke gevolgen van de activiteit die de vergunning van 19 december 2023 toestaat. Verzoekster heeft gesteld dat het bouwverkeer naar het zonnepark langs haar woning komt. Dat belang onderscheid haar echter niet van anderen die wonen langs de route van het bouwverkeer. Het belang van verzoekster als bewoner/eigenaar is daarom niet rechtstreeks bij het besluit van 19 december 2023 betrokken.
4.2.
Naar aanleiding van schriftelijke vragen van de voorzieningenrechter heeft verzoekster gesteld dat zij ook belang ontleend aan haar hoedanigheid als maat in de maatschap die zij heeft met haar partner. De maatschap is eigenaar van gronden op (hemelsbreed) ongeveer 1,7 kilometer van een gemaal waarmee water uit de zandwinplas wordt gepompt. Dat water stroomt volgens verzoekster langs het perceel waar de schapen van de maatschap grazen.
4.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt dit verzoekster geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De gevolgen van het feit dat water uit de zandwinplas ca 1,7 kilometer verderop, en vermengd met ander water, langs een perceel van de maatschap stroomt, zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter dermate gering dat verzoekster daarvan geen gevolgen van enige betekenis ondervindt. Bovendien onderscheidt zij zich niet van eigenaren van alle andere percelen waarlangs water uit de zandwinplas stroomt of kan stromen. Tot slot geldt het volgende. Zelfs al zou verzoekster als maat in de maatschap een materieel en onderscheidend belang hebben bij de vergunning van 19 december 2023, dan heeft zij niet in die hoedanigheid of namens de maatschap bezwaar gemaakt, maar uitdrukkelijk in persoon. Verzoekster heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij en haar partner, tevens maat in de maatschap, verschillend denken over het zonnepark en dat haar partner met vergunninghouder overeenkomsten heeft gesloten over het tegen vergoeding leggen en liggen van kabels en leidingen voor het zonnepark in gronden die de partner en/of de maatschap gebruikt. Kennelijk lopen de belangen binnen de maatschap uiteen, reden waarom aannemelijk is dat verzoekster niet heeft beoogd om namens de maatschap bezwaar te maken.
4.4.
Het voorgaande leidt er toe dat verzoekster geen belanghebbende is bij de vergunning van 19 december 2023. Daarom is zij ook geen belanghebbende bij het besluit van 9 december 2025 waarbij de looptijd van die vergunning is verlengd tot 19 juli 2027. Immers, niet valt in te zien waarom verzoekster belanghebbende zou zijn bij de verlenging van een vergunning waarbij zij geen belanghebbende is.
4.5.
Dit betekent dat het dagelijks bestuur het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat zij geen belanghebbende is. In bezwaar kan niet worden toegekomen aan de (andere) vraag die partijen verdeeld houdt, namelijk of de vergunning van 19 december 2023 is vervallen omdat wel of niet vóór 19 juni 2025 met de werkzaamheden is gestart.

Conclusie en gevolgen

5. Gelet op 3.3. is het beroep gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit, maar laat gelet op 4.5 de rechtsgevolgen van dat besluit in stand. Omdat de voorzieningenrechter op het beroep beslist, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is en het bestreden besluit wordt vernietigd, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat het dagelijks bestuur de proceskosten van verzoekster en het griffierecht voor het beroep en de voorlopige voorziening van € 400,- (2 x € 200,-) moet vergoeden. De voorzieningenrechter stelt de proceskosten vast op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, bij wegingsfactor 1, waarde per punt € 934,-).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 5 maart 2026, maar laat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand;
  • veroordeelt het dagelijks bestuur tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster van € 1.868,-;
  • bepaalt dat het dagelijks bestuur het griffierecht van € 400,- aan verzoekster vergoedt;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 3.2 van de Keur van Wetterskip Fryslan
2.Artikel 8:86 van Pro de Awb maakt dit mogelijk.