Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1675

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
22-3632, 22-3633, 24/5024
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 3:2 AwbArt. 5:1 AwbArt. 5:18 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijk gegrond beroep tegen afwijzing handhavingsverzoeken geur- en geluidsoverlast maatschap

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft drie besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân die handhavingsverzoeken van eiseres afwezen vanwege geur- en geluidoverlast door activiteiten van een maatschap in Hantumhuizen.

Eiseres betwistte de afwijzing en voerde meerdere beroepsgronden aan. De rechtbank oordeelde dat de beroepsgronden met betrekking tot geurhinder niet slaagden, omdat het college aannemelijk had gemaakt dat aan de voorschriften was voldaan en het onderzoek naar geurhinder zorgvuldig was uitgevoerd. De vermeende onzorgvuldigheden en het ontbreken van monstername werden niet gegrond bevonden.

Voor het geluidsoordeel oordeelde de rechtbank anders. Het geluidsonderzoek waarop het college zich baseerde, voldeed niet aan de voorgeschreven Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Hierdoor was het onderzoek onzorgvuldig en mocht het college de besluiten niet op deze basis nemen. De rechtbank vernietigde daarom de besluiten voor zover zij zien op geluid en droeg het college op binnen 12 weken nieuwe besluiten te nemen.

Daarnaast veroordeelde de rechtbank het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland op 17 april 2026.

Uitkomst: Beroep gegrond voor geluid wegens onzorgvuldig onderzoek, besluiten vernietigd en college opgedragen nieuwe besluiten te nemen; beroep geur ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
locatie Groningen
zaaknummers: LEE 22/3632, LEE 22/3633 en LEE 24/5024
uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 17 april 2026 in de zaken tussen
[eiseres], uit Hantumhuizen, eiseres,
(gemachtigde: mr. S. van Gent),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noardeast-Fryslân,
het college,
(gemachtigden: mr. J.A. Ponsen en mr. C.R. Post).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
[belanghebbende], uit Hantumhuizen, de maatschap.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over drie besluiten tot afwijzing van handhavingsverzoeken van eiseres, in verband met activiteiten van de maatschap, gelegen aan de [adres] te Hantumhuizen (het perceel). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar handhavingsverzoeken. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres tegen de afwijzingsbesluiten.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit ten aanzien van geluid is gebaseerd op onzorgvuldig onderzoek. De beroepen over geurhinder zijn ongegrond. Eiser krijgt dus gedeeltelijk gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Op 25 mei 2018 heeft eiseres een handhavingsverzoek ingediend vanwege geur- en geluidoverlast door activiteiten van de maatschap.
LEE 24/5024 (geur)
2.1. Bij besluit van 19 september 2018 (primair besluit I) heeft het college het handhavingsverzoek van eiseres van 25 mei 2018 afgewezen wat betreft het onderdeel geur.
2.2. Bij besluit van 19 maart 2019 heeft het college het bezwaar van eiseres tegen primair besluit I ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.
2.3. Bij uitspraak van 19 oktober 2022 [1] heeft de rechtbank het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 19 maart 2019 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit moet nemen.
2.4. Bij besluit van 22 oktober 2024 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaarschrift tegen primair besluit I opnieuw ongegrond verklaard.
LEE 22/2632 (geluid)
2.5. Bij besluit van 29 juli 2020 (primair besluit II) heeft het college het verzoek om handhaving van eiseres van 25 mei 2018 afgewezen wat betreft het onderdeel geluid.
2.6. Bij besluit van 16 augustus 2022 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen primair besluit II ongegrond verklaard.
LEE 22/2633 (geur en geluid)
2.7. Op 27 juli 2020 heeft eiseres het college opnieuw verzocht om handhavend optreden.
2.8. Bij besluit van 5 oktober 2020 (primair besluit III) heeft het college dit verzoek om handhaving afgewezen.
2.9. Bij besluit van 16 augustus 2022 (bestreden besluit III) heeft het college de bezwaren van eiseres tegen primair besluit III ongegrond verklaard.
Behandeling bij de rechtbank
2.10. Eiseres heeft bij beroepschrift van 7 oktober 2022 - aangevuld met gronden op 15 december 2022 - beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten II en III. Zij heeft met een beroepschrift van 20 december 2024 beroep ingesteld tegen bestreden besluit I.
2.11. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.12. De zaken zijn gevoegd behandeld op een zitting van 16 maart 2026. [2] Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. T. Dekker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigden van het college] . Namens de maatschap zijn [belanghebbende] verschenen.
2.13. Na de sluiting van het onderzoek zijn de zaak over de omgevingsvergunning (LEE 23/3668) en de handhavingszaken gesplitst. In de zaak over de omgevingsvergunning wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. In de Invoeringswet omgevingswet is het overgangsrecht voor (reparatoire) sanctiebesluiten geregeld. Uit het overgangsrecht volgt dat in deze procedure nog het oude recht (waaronder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, hierna: Wabo) van toepassing is, omdat het verzoek om handhaving is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Ow. [3]
Feiten en omstandigheden
4. Eiseres woont op het adres [adres] in Hantumhuizen, op [adres] meter van het perceel van de maatschap.
4.1. Het college heeft op 17 januari 2006 aan de maatschap een vergunning verleend voor het bouwen van een mestvergistingsinstallatie op het perceel.
4.2. Het college heeft bij besluit van 10 februari 2010 aan de maatschap een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer (Wm) verleend voor een melkveehouderij met mestvergister.
4.3. Het college heeft bij besluit van 12 maart 2014 op grond van de Wabo aan de maatschap een omgevingsvergunning onder voorschriften verleend voor het veranderen van de inrichting (milieu) en het bouwen van bouwwerken en voorzieningen voor een co-/mestvergistingsinstallatie.
4.4. Het college heeft bij besluit van 18 april 2019 op grond van de Wabo aan de maatschap een omgevingsvergunning (veranderingsvergunning) onder voorschriften verleend voor het verplaatsen en realiseren van bouwwerken en voorzieningen ten behoeve van de co-/mestvergistingsinstallatie.
4.5. Het college heeft de maatschap bij besluit van 26 juli 2023 op grond van de Wabo een omgevingsvergunning (veranderingsvergunning) onder voorschriften verleend voor het verplaatsen en realiseren van bouwwerken en voorzieningen voor de co-/mestvergistingsinstallatie.
Het geschil
5. Tussen partijen is in geschil of het college terecht de verzoeken om handhaving van eiseres heeft afgewezen. Daarbij gaat het concreet om de vraag of sprake is geweest van overtreding van voorschriften op het gebied van geur en geluid, waartegen het college handhavend had moeten optreden.
5.1. De beroepsgronden van eiseres gaan over geur en geluid, zonder expliciet onderscheid te maken tussen de verschillende bestreden besluiten. De rechtbank zal die gronden hierna bespreken. De overwegingen van de rechtbank zien net als de beroepsgronden op alle bestreden besluiten, tenzij anders aangegeven.
Geen herhaalde aanvraag
5.2. Het college stelt dat het handhavingsverzoek van 27 juli 2020 (dat heeft geleid tot bestreden besluit III) moet worden gezien als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat standpunt volgt de rechtbank niet.
De handhavingsverzoeken van 25 mei 2018 en 27 juli 2020 zien op verschillende omgevingsvergunningen. In 2018 waren de revisievergunning uit 2010 en de veranderingsvergunning uit 2014 van kracht. Ten tijde van het handhavingsverzoek van 27 juli 2020 gold de omgevingsvergunning van 18 april 2019. Daarom is al geen sprake van een herhaalde aanvraag. Daar komt bij dat het college het handhavingsverzoek van 27 juli 2020 volledig en inhoudelijk heeft beoordeeld en in bezwaar volledig heeft heroverwogen.
Geur
6. Voor het aspect geur verwijst eiseres ten eerste naar de uitspraak van
19 oktober 2022 van de rechtbank over de omgevingsvergunning. Volgens eiseres is het college bij de afwijzing van haar handhavingsverzoeken uitgegaan van een onjuist uitgangspunt over de mestverhouding. Eiseres wijst erop dat in de genoemde uitspraak een verhouding (per jaar) van minimaal 60% eigen mest en maximaal 40% mest van derden is voorgeschreven. Bij de afwijzing van haar handhavingsverzoek is het college uitgegaan van andere percentages.
6.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college stelt dat het voor de te verwachten geurconcentratieniveaus geen verschil maakt of de mest in de co-/mestvergister afkomstig is van de maatschap zelf of van een ander bedrijf. Daarbij verwijst het college naar een memo van Noorman Advies van 19 december 2022. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er wel een geurrelevant onderscheid is tussen mest van het bedrijf van de maatschap en mest van derden. Bovendien hebben het college en de maatschap niet betwist dat minimaal 60% eigen mest is voorgeschreven. Zij stellen dat daaraan ook is voldaan, zodat van een overtreding geen sprake is. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de co-/mestvergister minder dan 60% eigen mest is gebruikt.
6.2. Eiseres wijst erop dat toezichthouders in de controleverslagen van de inspecties op 1 en 3 september 2020 hebben verklaard dat geen overtredingen zijn waargenomen. Dat verbaast eiseres. Volgens eiseres hebben de toezichthouders, toen zij ter plaatse waren, haar verteld dat zij de door haar omschreven geur roken en dat die afkomstig was van de inrichting van de maatschap.
6.3. Deze beroepsgrond slaagt niet. Als toezichthouders al hebben gezegd dat ze geur roken en dat die geur afkomstig was van het bedrijf van de maatschap, is daarmee niet gegeven dat sprake is van een onaanvaardbaar geurhinderniveau of een andere overtreding van voorschriften over geur.
6.4. Verder is eiseres van mening dat onvoldoende onderzoek is gedaan en dat daarmee het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Eiseres voert aan dat toezichthouders op grond van artikel 5:18, eerste lid, van de Awb bevoegd zijn zaken te onderzoeken en daarvan monsters te nemen. Eiseres heeft het vermoeden dat vergunninghouder niet toegestane co-producten gebruikt in de co-/mestvergister. Daarbij acht eiseres van belang dat in augustus 2019 is geconstateerd dat vergunninghouder verboden papierslib in de co-/mestvergister had gebruikt. Door het gebruik van niet toegestane co-producten is niet ondenkbaar dat de geuroverlast wordt verergerd. In plaats van het nemen van monsters is volgens eiseres alleen de administratie gecontroleerd. Volgens eiseres valt het gebruik van niet toegestane co-producten mogelijk niet af te leiden uit de administratie. Gelet daarop is eiseres van mening dat het onderzoek onvolledig en onzorgvuldig is uitgevoerd en om die reden niet aan de besluitvorming ten grondslag had mogen worden gelegd.
6.5. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft aangevoerd dat er in dit geval geen aanleiding was om gebruik te maken van de bevoegdheid om monsters te nemen. Zo’n onderzoek is relatief kostbaar en ingrijpend. Daarvoor moet een concrete aanleiding zijn. Het enkele feit dat in 2019 éénmaal niet toegestane co-producten zijn aangetroffen is daarvoor onvoldoende. Uit een geuronderzoek van Witteveen en Bos van 1 juni 2018 is namelijk gebleken dat geen sprake was van onaanvaardbare geurhinder en in 2018 en in 2020 is uit onderzoek van de administratie gebleken dat geen sprake was van aanvoer van niet-toegestane co-producten. Onder deze omstandigheden is het afzien van monstername niet onzorgvuldig. De rechtbank volgt deze redenering.
6.6. Eiseres stelt dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar aanleiding van haar handhavingsverzoeken. Volgens eiseres heeft het college alleen maar verwezen naar theoretische geurrapporten en geuronderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van de vergunningverlening. In plaats daarvan had het college volgens haar concreet en in de praktijk moeten onderzoeken of bij de woning van eiseres sprake was van onaanvaardbare geurhinder.
6.7. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat in dit geval kon worden volstaan met een verwijzing naar de verschillende geurrapporten die zijn opgesteld ten behoeve van de vergunningverlening. De rechtbank stelt daarbij voorop dat bij een vermoeden van geurhinder niet is vereist dat het college bij de woning van eiseres een concreet geuronderzoek uitvoert, maar dat in zo’n geval een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. [4] Dat is in dit geval gebeurd. Het college heeft erop gewezen dat uit de geurrapporten van Witteveen en Bos (2018) en Noorman (2018 en 2023) blijkt dat zich in de omgeving van de inrichting geen onaanvaardbare geurhinder zal voordoen. Bij controlebezoeken op het bedrijf in 2020 is gebleken dat de voorschriften over (technische) maatregelen en voorzieningen ter beperking van geurhinder, worden nageleefd. Tot slot acht de rechtbank van belang dat na de vergunningverlening in 2019 diverse aanvullende maatregelen op het gebied van geur zijn uitgevoerd en dat sprake zal zijn van verbetering van de geursituatie ten opzichte van 2014. Dat blijkt ook uit het second-opinion rapport van 22 juni 2020 van de door eiseres ingeschakelde deskundige Peutz.
6.8. Eiseres voert aan dat in het geurrapport van Noorman van 1 juli 2024 ten onrechte wordt uitgegaan van een geurreinigingsrendement van de luchtwasser van 60%. Dat percentage is volgens haar niet cijfermatig onderbouwd en berust slechts op ervaringen bij vergistingsinstallaties met vergelijkbare luchtwassystemen.
6.9. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het geurrapport van 1 juli 2024 ligt niet ten grondslag aan de bestreden besluiten en is van latere datum. In de bestreden besluiten is verwezen naar geurrapporten van Noorman uit 2018 en 2023. In die rapporten is gerekend met een geurreinigingsrendement van de luchtwasser van 45%. Het percentage van 60% uit het geurrapport van 1 juli 2024 leidt dus niet tot gebreken in de (voorbereiding van de) bestreden besluiten.
6.10. Tot slot stelt eiseres dat in de geurrapporten van Noorman van 2018 en 2023 ten onrechte niet is gekeken naar cumulatie. De geurhinder bij haar woning wordt niet alleen bepaald door de co-/mestvergistingsinstallatie, maar door het geheel van activiteiten van de inrichting van de maatschap, waaronder ook de melkrundveehouderij.
6.11. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat het niet is uitgesloten dat de geur rond de woning van eiseres afkomstig is van verschillende bronnen, waaronder mogelijk ook andere inrichtingen dan die van de maatschap. Onder het vóór 1 januari 2024 geldende recht, dat in deze zaak van toepassing is, [5] gold voor verschillende bronnen, zoals veehouderijen en industriële bronnen (de co-/mestvergister) verschillende geurregelgeving. Eiseres heeft niet gesteld dat de veehouderij van de maatschap niet aan de daarvoor geldende geurregels voldoet. Wat betreft de geur vanwege de co-/mestvergister blijkt uit wat hiervoor is overwogen dat het college voldoende zorgvuldig heeft vastgesteld dat geen sprake is van een onaanvaardbare geurhinderniveau of overtreding van (technische) voorschriften uit de omgevingsvergunning ter voorkoming of beperking van geurhinder. Het college heeft dan ook terecht vastgesteld dat van een overtreding van geurvoorschriften geen sprake was.
Geluid
7. Eiseres heeft een aantal omstandigheden genoemd, waaruit volgens haar blijkt dat sprake is van onzorgvuldig onderzoek en overtreding van geluidvoorschriften. Zo stelt zij dat met het blote oor te horen is dat het geluid bij haar woning harder is dan bij referentiepunt 4 (waar metingen hebben plaatsgevonden). Het geluid is bovendien heel hinderlijk. Tot slot hebben toezichthouders haar tijdens de geluidmeting op 26 juni 2020 verteld dat er een probleem is.
7.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft aan het bestreden besluit geluidrapporten van de Fryske Utfjieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO) ten grondslag gelegd. In die rapporten wordt verslag gedaan van geluidmetingen in drie nachten (van 30 op 31 juli 2019, van 26 op 27 maart 2020 en van 25 op 26 juni 2020) op referentiepunt 4. Dat referentiepunt ligt het dichtst bij de woning van eiseres. Volgens het college zijn op dit referentiepunt geen overtredingen geconstateerd. Er hebben ook controlemetingen dichtbij de woning van eiseres plaatsgevonden. Daaruit volgt dat het geluidniveau bij de woning lager is dan op referentiepunt 4. Het college betwist dat toezichthouders tegen eiseres zouden hebben gezegd dat er een probleem was. De rechtbank is van oordeel dat de subjectieve beleving van eiseres over het geluidniveau bij haar woning, het karakter van het geluid en wat toezichthouders haar hebben verteld, niet betekent dat het college niet mocht afgaan op de resultaten van de geluidmetingen. Mogelijk ervaart eiseres het geluid anders, maar die persoonlijke ervaring maakt niet dat sprake is van onzorgvuldig onderzoek of overtreding van geluidvoorschriften.
7.2. Eiseres betoogt dat zij last heeft van laag frequent geluid (LFG). De aard van het geluid verandert daardoor, maar wordt zeker niet minder in haar woning. Zij wijst op bevindingen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: het RIVM), dat op 17 november 2021 over LFG publiceerde in het “Onderzoeksprogramma LFG: stand van zaken en aanbevelingen voor vervolgonderzoek”. Verder wijst eiseres erop dat LFG steeds vaker als bron van hinder wordt gemeld en dat de effecten van LFG nog nader worden onderzocht. Eiseres kan alleen maar volmondig beamen dat dit geluid zeer nare gevolgen heeft en veel hinder geeft. Eiseres heeft in bezwaar een rapport overgelegd van de heer Donker van het Noordelijk Akoestisch Adviesbureau B.V. (NAA) van 17 december 2020. Uit dat NAA-rapport blijkt dat het LFG met de gemeten waarden boven de referentiecurve van de Nederlandse Stichting Geluidshinder (de NSG) uitkomt. Hoewel de Vercammen-curve op basis van de vergunning van toepassing is, geeft de NSG-curve een beter beeld gezien de hinder die wordt ervaren van LFG, aldus eiseres.
7.3. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft erop gewezen dat in de omgevingsvergunningen van 2019 en 2023 grenswaarden zijn opgenomen voor LFG. Die grenswaarden zijn gebaseerd op de zogeheten “Vercammen-curve” en gelden voor geluidgevoelige ruimten en verblijfsruimten van derden. Deze grenswaarden worden niet overschreden. Dat blijkt uit de controle-metingen en dat wordt bevestigd in het door eiseres ingebrachte NAA-rapport. De rechtbank oordeelt daarom dat het college er terecht van uit is gegaan dat geen sprake is van een overtreding van de voorschriften over LFG.
7.4. Eiseres stelt dat in strijd met voorschrift 1.5.1 van de omgevingsvergunningen uit 2019 en 2023 niet altijd een geluidabsorberend geluidsscherm is geplaatst. Zij is het niet eens met het college, dat stelt dat het verwijderen van dat geluidsscherm in de vorm van kuilbalen een incidenteel karakter heeft. Onder verwijzing naar overgelegde luchtfoto’s is eiseres van mening dat de kuilbalen vaker worden verwijderd dan een enkele keer. In de visie van eiseres maken die luchtfoto’s duidelijk dat de maatschap het niet zo nauw neemt met vergunningvoorschrift 1.5.1. Het college had handhavend moeten optreden. Volgens eiseres kon het college deze overtreding niet afdoen met de stelling dat er sprake was van een incidentele overtreding.
7.5. Deze beroepsgrond slaagt niet. Tijdens de zitting is door de maatschap toegelicht dat het scherm (dat bestaat uit gestapelde kuilbalen) de afgelopen jaren inderdaad ieder jaar (maximaal) enige weken verwijderd is. Dat was nodig in verband met onderhoud aan de warmte-krachtkoppeling WKK 4 die direct achter het scherm staat. Omdat het scherm is bedoeld om het geluid van WKK 4 te verminderen en WKK 4 niet in bedrijf is tijdens het onderhoud, leidt het verwijderen van het geluidsscherm tijdens dat onderhoud niet tot een grotere geluidemissie. Het college heeft deze gang van zaken tijdens de zitting bevestigd en gesteld dat het incidenteel verwijderen van het scherm vanwege onderhoud aan de daarachter gelegen WKK4 niet leidt tot een overtreding van artikel 1.5.1 van de omgevingsvergunningen van 2019 en 2023. De rechtbank kan het college daarin volgen.
7.6. Eiseres stelt dat weersomstandigheden, zoals windrichting, van invloed kunnen zijn geweest op de geluidmetingen. In dit verband voert eiseres aan dat de gegevens zoals die zijn meegenomen door de FUMO iets afwijken van de gegevens van het KNMI. Zij verwijst hierbij naar het NAA-rapport. Dit zou volgens eiseres ook kunnen verklaren waarom bij de eerste meting een lagere waarde is gemeten en waarom deze waarschijnlijk niet representatief is. Ten onrechte is dit gegeven volgens eiseres niet (juist) meegenomen in de rapportage.
7.7. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft erop gewezen dat in de rapporten van de geluidmetingen de concrete weersomstandigheden ter plaatse zijn vermeld. Bij de geluidmetingen is uitgegaan van de feitelijk waargenomen weersomstandigheden. Die kunnen iets afwijken van KNMI-weergaven elders. Dat maakt de metingen en beoordeling van de meetresultaten niet onzorgvuldig. De rechtbank kan het college daarin volgen.
7.8. Eiseres stelt, onder verwijzing naar het NAA-rapport, dat in het samenvattende rapport van de FUMO van 20 juli 2020 ten onrechte is gerekend met een bedrijfsduurcorrectie. In de rapporten van de drie afzonderlijke geluidmetingen staat juist dat er geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast omdat het geluid zich in de gehele nachtperiode kan voordoen. NAA wijst er verder op dat ten onrechte eerst de eerste twee metingen energetisch zijn gemiddeld, waarna de uitkomst daarvan energetisch is gemiddeld met het resultaat van de derde meting. Daarbij acht eiseres van belang dat uit het NAA-rapport blijkt dat de bedrijfsconditie tijdens de eerste meting afwijkend zou kunnen zijn en dat dit niet valt te controleren. NAA heeft geconstateerd dat in het rapport van de FUMO van 20 juli 2020 wordt gesproken over een ‘eerste en tweede deel van de nacht’ zonder dat duidelijk wordt wat dit precies betekent.
7.9. Deze beroepsgrond slaagt. Het meten en berekenen van de geluidniveaus van de inrichting en het beoordelen van de meetresultaten moet op grond van artikel 1.1.1 van de omgevingsvergunningen van 2019 en 2023 plaatsvinden volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, uitgave 1999 (Handleiding). Desgevraagd heeft het college ter zitting niet kunnen toelichten hoe de energetische middeling uit het samenvattende rapport van de FUMO van 20 juli 2020 zich verhoudt tot de Handleiding. Het college heeft ter zitting erkend dat het samenvattende rapport van de FUMO van 20 juli 2020 niet is opgesteld overeenkomstig deze Handleiding. Daarmee staat vast dat het geluidonderzoek dat ten grondslag ligt aan de bestreden besluiten niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Het college had de bestreden besluiten dan ook niet op deze geluidonderzoeken mogen baseren. De rechtbank zal de bestreden besluiten in zoverre vernietigen en het college opdragen een nieuw besluit te nemen dat moet zijn gebaseerd op geluidmetingen en een beoordeling van de resultaten daarvan die voldoen aan de Handleiding.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepsgronden die betrekking hebben op overtreding van geurvoorschriften slagen niet (zie 6.1 en verder). Het beroep in zaak LEE 24/5024 wordt om die reden ongegrond verklaard. Eiseres krijgt daarom het griffierecht in die zaak niet terug en zij krijgt ook geen vergoeding van proceskosten in die zaak.
8.1. Uit overweging 7.9. volgt dat de bestreden besluiten van 16 augustus 2022 zijn genomen in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb voor zover het college daarin de primaire besluiten, waarin is geweigerd handhavend op te treden op het gebied van geluid, heeft gehandhaafd. De beroepen van eiseres in de zaken LEE 22/2632 en LEE 22/3633 zijn in zoverre gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten II en III voor zover zij zien op geluid vernietigen en het college opdragen in de plaats daarvan een nieuw besluit te nemen.
8.2. Gelet op overweging 8.1. ziet de rechtbank aanleiding om het college op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb in de proceskosten van eiseres te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen deze kosten worden begroot op
€ 1.868 (beroepschrift 1 punt en het verschijnen ter zitting 1 punt; waarde per punt € 934; gewicht van de zaken: gemiddeld) in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarnaast heeft eiseres kosten gemaakt voor het inschakelen van NAA als deskundige. Eiseres heeft een factuur van 18 december 2020 van NAA overgelegd van
€ 1.437,48. Het college heeft geen bezwaar geuit tegen deze factuur. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat het college een bedrag van € 1.437,48 (inclusief btw) voor het inschakelen van een deskundige moet vergoeden. De voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bedragen dus in totaal € 3.305,48.
8.3. Tot slot ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het college het door eiseres in de zaken LEE 22/2632 en LEE 22/3633 betaalde griffierecht van € 368,- aan haar moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep in zaak LEE 24/5024 ongegrond;
- verklaart de beroepen in de zaken LEE 22/2632 en LEE 22/3633 gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 16 augustus 2022, voor zover het college daarin de bezwaren van eiseres over het niet handhavend optreden tegen overtreding van geluidvoorschriften ongegrond heeft verklaard;
- draagt het college op om binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het college tot betaling van € 3.305,48 aan proceskosten aan eiseres;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 368,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, voorzitter, mr. C.S. Schür en
mr. G. Knuttel, leden, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
De griffier De rechter

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Afschrift verzonden op:

Bijlage

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
(…)
e. 1. het oprichten,
2. het veranderen of veranderen van de werking of
3. het in werking hebben
van een inrichting of mijnbouwwerk
(…).
Artikel 2.3
Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op:
a. activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e.
(…)
Activiteitenbesluit milieubeheer
Artikel 2.7a
Indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt.
Het bevoegd gezag kan, indien het redelijk vermoeden bestaat dat niet aan het eerste lid wordt voldaan, besluiten dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. Een geuronderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065.
Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder wordt ten minste rekening gehouden met de volgende aspecten:
a. de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;
b. de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;
c. de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende inrichting;
d. de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking geurhinder;
e. de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting, en
f. de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting.
4. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten een aanvaardbaar hinderniveau kan overschrijden, bij maatwerkvoorschrift:
a. geuremissiewaarden vaststellen;
b. bepalen dat bepaalde geurbelastingen ter plaatse van die objecten niet worden overschreden, of
c. bepalen dat technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht of gedragsregels in de inrichting in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
5. Indien een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het vierde lid wordt vastgesteld, kan het bevoegd gezag besluiten dat door degene die de inrichting drijft een rapport van een onderzoek naar de beschikbaarheid van technische voorzieningen en gedragsregels wordt overgelegd waaruit blijkt dat aan het eerste lid wordt voldaan.
Invoeringswet Omgevingswet
Artikel 4.3
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing:
ls tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,
als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:1
1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
2. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.
3. Overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=51&g=2024-06-03&z=2024-06-03) is van overeenkomstige toepassing.

Voetnoten

1.Rechtbank Noord-Nederland, 19 oktober 2022, LEE 19/1463.
2.Ook gevoegd met zaak LEE 23/3668, over de omgevingsvergunning van 26 juli 2023.
3.Zie artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
4.Dat staat in artikel 2.7a, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
5.Zie de overweging onder 3.