Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft drie besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân die handhavingsverzoeken van eiseres afwezen vanwege geur- en geluidoverlast door activiteiten van een maatschap in Hantumhuizen.
Eiseres betwistte de afwijzing en voerde meerdere beroepsgronden aan. De rechtbank oordeelde dat de beroepsgronden met betrekking tot geurhinder niet slaagden, omdat het college aannemelijk had gemaakt dat aan de voorschriften was voldaan en het onderzoek naar geurhinder zorgvuldig was uitgevoerd. De vermeende onzorgvuldigheden en het ontbreken van monstername werden niet gegrond bevonden.
Voor het geluidsoordeel oordeelde de rechtbank anders. Het geluidsonderzoek waarop het college zich baseerde, voldeed niet aan de voorgeschreven Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Hierdoor was het onderzoek onzorgvuldig en mocht het college de besluiten niet op deze basis nemen. De rechtbank vernietigde daarom de besluiten voor zover zij zien op geluid en droeg het college op binnen 12 weken nieuwe besluiten te nemen.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland op 17 april 2026.