Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1648

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
18/228224-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 45 SrArt. 287 SrArt. 77c SrArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging moord en veroordeling poging doodslag met scheermes in hals

Op 25 augustus 2025 heeft verdachte op een opvanglocatie in Hoogeveen het slachtoffer met een scheermes in de hals gesneden. De rechtbank beoordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor voorbedachte raad en sprak verdachte vrij van poging moord. Wel werd wettig en overtuigend bewezen verklaard dat verdachte poging tot doodslag pleegde met voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.

De verklaringen van het slachtoffer en getuige 3 werden als betrouwbaar beoordeeld en ondersteunden de bewezenverklaring. Verklaringen van andere getuigen konden niet worden getoetst vanwege hun onvindbaarheid, waardoor deze niet als bewijsmiddel werden gebruikt om schending van artikel 6 EVRM Pro te voorkomen.

Het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen omdat verdachte de agressor was en er geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval. De rechtbank hield rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte vanwege zijn jeugdige leeftijd en problematische achtergrond, maar paste het volwassenenstrafrecht toe.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis. De ernst van het feit, de kwetsbaarheid van het slachtoffer en de omstandigheden van verdachte werden meegewogen in de strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging moord en veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf voor poging tot doodslag met een scheermes in de hals.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/228224-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 mei 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 april 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P. van der Vliet.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 25 augustus 2025 te Hoogeveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,
  • met een scheermes, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp, een stekende/snijdende/zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van de hals van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) die [slachtoffer] heeft gesneden en/of gestoken in de hals/onder de kin, althans in het gezicht en/of op het hoofd en/of
  • ( vervolgens) meerdere malen, althans eenmaal, al dan niet met een scheermes, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp, in de richting van het gezicht van die [slachtoffer] heeft uitgehaald,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 25 augustus 2025 te Hoogeveen, aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer]
  • met een scheermes, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp, in de hals/onder de kin, althans in het gezicht en/of op het hoofd, te snijden en/of te steken en/of
  • in de rug te bijten;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 25 augustus 2025 te Hoogeveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
  • met een scheermes, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp, een stekende/snijdende/zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van de hals van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) die [slachtoffer] heeft gesneden en/of gestoken in de hals/onder de kin, althans in het gezicht en/of op het hoofd en/of
  • ( vervolgens) meerdere malen, althans eenmaal, al dan niet met een scheermes, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp, in de richting van het gezicht van die [slachtoffer] heeft uitgehaald en/of
  • die [slachtoffer] in de rug heeft gebeten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de primair tenlastegelegde poging tot moord. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft zijn kamergenoot [getuige 1] verteld dat hij aangever [slachtoffer] zou neersteken en hij heeft vervolgens doelbewust, vanuit hun kamer, een scheermesje meegenomen in zijn zak en [slachtoffer] opgezocht. Vrijwel direct nadat verdachte
[slachtoffer] heeft aangesproken, heeft verdachte het scheermesje gebruikt door ermee langs de hals van [slachtoffer] te zwaaien. Verdachte heeft na kalm beraad en rustig overleg gehandeld en hij heeft tijd gehad voor bezinning en andere keuzes. Verdachte heeft daarmee met voorbedachten rade gehandeld. De officier van justitie heeft aangevoerd dat blijkens de doelgerichtheid van het handelen van verdachte, in combinatie met zijn uitlatingen jegens zijn kamergenoot, verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer] , getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Dit zou namelijk leiden tot schending van het recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro omdat de verdediging het recht op ondervraging van de aangever en de twee getuigen niet heeft kunnen uitoefenen. Deze verklaringen moeten als
decisiveworden aangemerkt en de raadsman acht het niet kunnen horen van deze getuigen onvoldoende gecompenseerd. Indien de verklaringen van [slachtoffer] , [getuige 1] en [getuige 2] desondanks bruikbaar worden geacht voor het bewijs, dan meent de raadsman dat deze verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn. Dit geldt ook voor de verklaring van getuige [getuige 3] . Verder heeft de raadsman bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor voorbedachte raad, opzet op de dood en zwaar lichamelijk letsel.
Oordeel van de rechtbank
Ondervragingsrecht
De rechtbank heeft op 27 november 2025 het door de verdediging gedane verzoek om [slachtoffer] , [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 1] als getuige te horen bij de rechter-commissaris, toegewezen. Daarbij heeft de rechtbank wel overwogen dat betrokkenen asielzoeker zijn en, dit zo zijnde, de kans bestaat dat zij niet traceerbaar zijn.
De rechtbank heeft voorts op 5 februari 2026 het verzoek om (tevens) [getuige 4] als getuige te horen bij de rechter-commissaris, toegewezen.
Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 10 maart 2026 van de rechter-commissaris zijn [slachtoffer] , [getuige 1] en [getuige 2] niet in het kabinet van de rechter-commissaris verschenen om een verklaring af te leggen. De dagvaardingen konden niet aan hen worden uitgereikt en de gerechtelijke brieven zijn dus niet betekend. Gezien deze bevindingen heeft de rechter-commissaris geen andere mogelijkheden gezien om de niet verschenen getuigen alsnog op te roepen. [getuige 3] en [getuige 4] zijn, op 4 maart 2026, wel nader gehoord bij de rechter-commissaris.
Dit betekent dat het ondervragingsrecht dat aan de verdediging toekomt op grond van artikel 6, lid 3, sub d van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), voor zover het [slachtoffer] , [getuige 2] en [getuige 1] betreft, niet kon worden uitgeoefend.
Artikel 6 EVRM Pro
Nu aangever [slachtoffer] en een tweetal getuigen, [getuige 2] en [getuige 1] , die voor verdachte belastende verklaringen hebben afgelegd, niet konden worden bevraagd en hun afgelegde verklaringen ten gevolge daarvan niet kunnen worden getoetst, rijst de vraag of nog wel sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Schending van dat recht is volgens de Hoge Raad zo ernstig dat het noodzakelijk kan zijn om te bepalen dat het bewijs waar die schending op ziet, niet mag worden gebezigd als bewijsmiddel.1
Of in een specifiek geval waarin het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend sprake is van een schending van artikel 6 EVRM Pro en er dus geen sprake is van een eerlijk proces, moet worden beoordeeld aan de hand van een aantal factoren, die zijn opgesomd in een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM).2 Allereerst moet de vraag beantwoord worden of er een legitieme reden is dat het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend. Van belang is vervolgens of de niet getoetste verklaringen de enige of de beslissende bewijsmiddelen zijn voor een bewezenverklaring en, zo ja, of er voldoende compenserende factoren zijn geboden om het gebrek te ondervangen en te zorgen dat het proces in zijn geheel nog eerlijk is.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat er in deze zaak een legitieme reden is dat het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend. Zowel aangever [slachtoffer] als getuigen [getuige 2] en [getuige 1] zijn onvindbaar gebleken. De rechtbank acht het onaannemelijk dat deze personen, die -voor zover uit het dossier blijkt-allen asielzoeker zijn, binnen een aanvaardbare termijn alsnog kunnen worden gehoord.
Getuige [getuige 1]
Naar het oordeel van de rechtbank kan zonder de verklaring van [getuige 1] niet tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde poging moord worden gekomen. De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [getuige 1] de basis vormt voor de verdenking van poging moord tegen de verdachte. [getuige 1] heeft immers verklaard dat hij verdachte een mes heeft zien pakken en horen zeggen
: geef mij een mes, ik wil hem neersteken, ik wil van hem af zijn.De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [getuige 1] - wat betreft de aan de verdachte verweten poging moord - onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen in het dossier. Het gewicht van de verklaring van [getuige 1] is dan ook zodanig, dat deze kan worden aangemerkt als sole or decisive. De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of er compenserende factoren zijn (waaronder ook procedurele waarborgen) die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Het antwoord op die vraag is negatief. Het procesdossier bevat geen informatie om de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] op wezenlijke punten te kunnen toetsen, waardoor er ten aanzien van deze verklaring voor de verdediging geen compenserende factoren zijn.
Dat betekent dat het gebruik van de verklaringen van getuige [getuige 1] zou leiden tot een oneerlijk proces en dus een schending van artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank zal met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen de verklaring van getuige [getuige 1] buiten beschouwing laten en niet als bewijsmiddel bezigen.
Getuige [getuige 2]
heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte met zijn rechter hand iets uit zijn zak haalt, een zwaaibeweging langs [slachtoffer] zijn hals maakt en ertussen is gesprongen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [getuige 2] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen in het dossier en daardoor niet als sole or decisive worden aangemerkt. Aan de vraag of er compenserende factoren zijn (waaronder ook procedurele waarborgen) die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid komt de rechtbank ten aanzien van getuige [getuige 2] daarom niet toe. Gelet op de reeds aanwezige andere bewijsmiddelen zal de rechtbank de verklaring van [getuige 2] niet bezigen als bewijsmiddel.
Aangever [slachtoffer]
Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte kwam aanlopen, vroeg om een aansteker en vervolgens met zijn hand een beweging maakte richting zijn hals, waarna hij meteen een scherpe en stekende pijn ter hoogte van zijn hals voelde. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door diverse andere bewijsmiddelen. Zo heeft verdachte zelf verklaard dat hij aangever met een mes in zijn hals heeft gesneden. Dit volgt ook uit de foto van het letsel van [slachtoffer] en wordt bevestigd door de getuigenverklaring van [getuige 3] . Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat een eventuele veroordeling niet uitsluitend en in overwegende mate op de verklaring van [slachtoffer] zou worden gebaseerd, zodat deze verklaring niet kan worden beschouwd als sole or decisive. Hoewel strikt genomen niet wordt toegekomen aan de vraag of er voldoende compenserende factoren zijn, overweegt de rechtbank dat in de reeds genoemde bewijsmiddelen, in het bijzonder de getuigenverklaring van [getuige 3] bij de politie op 25 en 27 augustus 2026, en de mogelijkheid getuige [getuige 3] op 4 maart 2026 bij de rechter-commissaris te verhoren, voldoende compenserende factoren in het procesdossier aanwezig zijn waaraan de verdediging de verklaring van aangever [slachtoffer] heeft kunnen toetsen.
De rechtbank verwerpt met inachtneming van het voorgaande het verweer van de raadsman en komt tot de conclusie dat de verklaring van aangever [slachtoffer] voor het bewijs kan worden gebezigd.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 3]
Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 3] is van belang of deze gedetailleerd en consistent zijn. Hierbij acht de rechtbank tevens van belang of de verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen. De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 3] gedetailleerd en consistent. Aangever [slachtoffer] heeft kort na het incident aangifte gedaan. Ook getuige [getuige 3] heeft, vlak na het incident, op 25 augustus 2025 en 27 augustus 2025 bij de politie verklaringen afgelegd die op meerdere punten overeenkomt met de verklaring van [slachtoffer] . [getuige 3] heeft daarnaast op 4 maart 2026 onder ede opnieuw een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. De getuigenverklaringen van [getuige 3] bevestigen, zeker op hoofdlijnen, de aangifte.
Voorts wordt de aangifte deels ondersteund door de verklaring van verdachte zelf. Verdachte heeft immers bij de politie erkend dat hij [slachtoffer] met een mes heeft geraakt in zijn hals. De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 3] dan ook betrouwbaar en zal deze als bewijsmiddel gebruiken.
Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1.
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 augustus 2025 (inclusief fotobijlagen), opgenomen op pagina 15 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025229184 d.d. 20 oktober 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] :
Op 25 augustus 2025 bevond ik mij op het terrein van [locatie] te Hoogeveen. Ik zat buiten met [getuige 3] . Ik zag dat [verdachte] kwam aanlopen. Ik hoorde dat hij vroeg om een aansteker. Vervolgens zag ik dat [verdachte] met zijn hand een beweging maakte richting mijn hals. Ik voelde meteen een scherpe, stekende pijn aan de linkerkant van mijn gezicht, ongeveer ter hoogte van mijn hals. Hierna zag ik dat hij meerdere keren uithaalde richting
mijn gezicht. Ik zag dat het voorwerp, dat [verdachte] vasthield, uit zijn hand glipte. Ik zag toen dat het een schermesje betrof. Door het steken met het scheermesje heb ik een wond aan de linkerkant van mijn hals en krassen op beide wangen. De wond in mijn hals is gehecht.
2. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 29 augustus 2025, opgenomen op pagina 32 van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 3] :
Op 25 augustus 2025 bevond ik mij op [locatie] in Hoogeveen. Ik zat met mijn rug tegen de muur. Ik zat daar met [slachtoffer] . Op een gegeven moment zie ik [verdachte] naar ons toe lopen. Ik hoorde [verdachte] aan [slachtoffer] vragen om een aansteker. Met dat [verdachte] dit vraagt zie ik dat hij met zijn rechterhand iets uit zijn zak haalt en een zwaaibeweging langs [slachtoffer] zijn hals zwaait.
3. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 27 augustus 2025, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 3] :
V: Meneer [slachtoffer] is het slachtoffer en u zat met meneer [slachtoffer] buiten?
A: Wij zaten buiten. [verdachte] kwam op ons af lopen. Hij vroeg of ik een aansteker had. Ik zag dat hij een hand in zijn broekzak stopte. [verdachte] ging [slachtoffer] aanvallen.
V: Zijn er nog dingen gezegd?
A: Hij vroeg alleen om de aansteker. Ik vroeg aan hem of hij ook sigaretten had en toen hij de hand in de broekzak deed dacht ik ook dat hij een sigaretje pakte maar het was een ander voorwerp. [slachtoffer] riep, "help mij hij gaat mij slachten!".
V: Heb je gezien dat het voorwerp het gezicht van [slachtoffer] raakte? A: Hij had iets in zijn hand. Hij heeft zijn nek geraakt.
4. ​
​Een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris op de toetsing rechtmatigheid inverzekeringstelling en vordering tot bewaring d.d. 28 augustus 2025, inhoudend de verklaring van verdachte:
Er lag een metalen stuk op de grond wat leek op een scheermes dat met een spijker aan iets bevestigd was geweest. Ik pakte dat. Ik had dat voorwerp in mijn hand en ik wilde hem op zijn hoofd snijden.
Doordat zijn hand mijn hand vasthad en door het duwen en trekken heb ik hem in de hals geraakt.
5. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 september 2025, opgenomen op pagina 109 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025229184 d.d. 20 oktober 2025, inhoudend de verklaring van verdachte:
O: Foto laten zien van letsel slachtoffer
A: Mijn bedoeling was om hem in het gezicht te raken en niet in zijn nek. Ik was aan het maaien met dat mesje. Ik heb hem geraakt.
V: Is dat dit mesje?
O: Tonen foto van het aangetroffen mesje.
A: Dat was inderdaad het mesje wat ik had gepakt.
Bewijsoverwegingen
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Vrijspraak poging tot moord
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is hoe het handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd. De rechtbank is, met de raadsman, van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor het tenlastegelegde bestanddeel voorbedachte raad als bedoeld in artikel
289 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat niet is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.3 Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier geen (bruikbare) bewijsmiddelen daarvoor. De rechtbank zal verdachte van de primair (impliciet primair) tenlastegelegde poging tot moord dan ook vrijspreken.
Opzet op de dood van [slachtoffer]
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of het handelen van verdachte gekwalificeerd kan worden als een poging tot doodslag. Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat verdachte aangever [slachtoffer] met een scheermes in zijn hals/onder zijn kin heeft gesneden. Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer zou komen te overlijden en deze kans ook bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bij de beoordeling van het voorwaardelijk opzet acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang.
Het toebrengen van een snijwond in de halsstreek levert naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op dat één of meerdere vitale bloedvaten worden geraakt en ernstig bloedverlies zal volgen, en het slachtoffer ten gevolge daarvan overlijdt. Ook verdachte moet geacht worden van deze algemene ervaringsregel op de hoogte te zijn. Vooral in een situatie zoals in deze zaak, waarbij verdachte volgens zijn eigen verklaring aan het maaien was met het mesje en naar de rechtbank begrijpt ongerichte steekbewegingen maakte naar het hoofd van aangever, en hij aangevers hals heeft geraakt. Gelet op het vorenstaande heeft verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat hij aangever in een vitaal en kwetsbaar deel van zijn lichaam zou raken en dat het steken de dood van aangever had kunnen veroorzaken. Door op deze wijze te handelen kan het niet anders zijn dan dat verdachte zich van deze aanmerkelijke kans bewust is geweest en dat hij deze ook heeft aanvaard.
De rechtbank acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het doden van aangever en verwerpt het verweer te dien aanzien.
Conclusie
Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, zoals in de bewezenverklaring is opgenomen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij, op 25 augustus 2025 te Hoogeveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven,
- met een scheermes een snijdende/zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van de hals van die [slachtoffer] en die [slachtoffer] heeft gesneden in de hals, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de verdachte
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens verdachte een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. Nadat verdachte aan [getuige 3] een aansteker had gevraagd, werd verdachte onverhoeds aangevallen door [slachtoffer] en [getuige 3] . Tijdens de daarop volgende worsteling is verdachte op de grond beland en zat er iemand op hem die hem wurgde, waardoor verdachte zichtbaar letsel heeft opgelopen. Eerst heeft verdachte geprobeerd met zijn blote handen uit de situatie te ontsnappen, maar dat lukte niet. Toen heeft verdachte iets van de grond gepakt, naar later bleek een scheermesje. Hiermee heeft verdachte aangever [slachtoffer] afgeweerd. Verdachte moest zich tegen de wederrechtelijke aanval van [getuige 3] en [slachtoffer] verdedigen. Primair heeft de raadsman dan ook bepleit dat sprake is van noodweer.
Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, heeft de raadsman subsidiair bepleit dat sprake is van noodweerexces. De aanval op verdachte en de eerdere incidenten met [slachtoffer] , veroorzaakten bij verdachte een hevige gemoedsbeweging. Verdachte reageerde heftiger op de aanval dan een ander zou doen, omdat hij veel is gepest, zowel op school als in de asielzoekerscentra (hierna: AZCs) waar hij verbleef.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer dan wel noodweerexces moet worden verworpen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat een noodweersituatie niet uit het procesdossier naar voren komt. Verdachte was degene die de aanval opende. En aannemelijk is, gelet op het procesdossier, dat het letsel bij verdachte niet bij dit incident maar al eerder die ochtend is ontstaan.
Oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces moet allereerst sprake zijn van een situatie waarin verdachte ogenblikkelijk en wederrechtelijk werd aangevallen.
Naar het oordeel van de rechtbank is een noodweersituatie niet aannemelijk geworden. Weliswaar heeft verdachte verklaard dat hij door [slachtoffer] werd aangevallen en dat [getuige 3] [slachtoffer] hielp, maar die verklaring vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. Het letsel van verdachte bevestigt ook niet zonder meer het scenario dat verdachte heeft geschetst, aangezien dit letsel al kan zijn ontstaan bij het
incident eerder die ochtend, waarbij verdachte, ogenschijnlijk vanuit het niets, aan [slachtoffer] een kopstoot gaf en [slachtoffer] in reactie daarop verdachte aanvloog.
Uit meerdere verklaringen en de beeldopname van het incident later op de ochtend (het tenlastegelegde feit) volgt dat beveiligers en medebewoners het vechtende drietal uit elkaar moesten halen, maar die bewijsmiddelen bevestigen niet de verklaring van verdachte.
Tegenover de verklaring van verdachte staan juist de verklaringen van [getuige 3] en [slachtoffer] dat verdachte de agressor was en [slachtoffer] aanviel terwijl verdachte iets in zijn hand had, en dat [getuige 3] vervolgens probeerde [slachtoffer] te bevrijden. De rechtbank gaat dan ook uit van dat laatste scenario en is van oordeel dat een noodweersituatie niet aan de orde was. Daarom kan noch van noodweer noch van noodweerexces sprake zijn. Het beroep op noodweer en noodweerexces slaagt niet en wordt verworpen. De rechtbank acht zowel verdachte als het feit strafbaar.
Het bewezen verklaarde levert op:
primair (impliciet subsidiair).poging tot doodslag
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de tenlastegelegde poging tot moord wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met een verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, door zijn jonge leeftijd en de mogelijke doorwerking van zijn mentale toestand en traumas.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor oplegging van jeugddetentie in duur gelijk aan het voorarrest dat verdachte al heeft ondergaan, onder toepassing van het jeugdstrafrecht. De factoren die dat noodzakelijk maken zijn de jonge leeftijd van verdachte, traumatische ervaringen, zijn sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand, zijn beperkte vermogen om emoties te reguleren en conflictsituaties te hanteren en zijn impulsiviteit. Hij heeft behoefte aan structuur en begeleiding en kan door professionals worden begeleid en geholpen in zijn ontwikkeling. Er is geen sprake van een verankerde criminele levensstijl. Het handelen van verdachte komt voort uit angst, onmacht en trauma. Uit de door de raadsman overgelegde voortgangsrapportage van de psycholoog verbonden aan de PI waar verdachte verblijft, blijkt dat verdachte kwetsbaar is en beperkt probleemoplossend vermogen heeft.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van Reclassering Nederland van 28 augustus 2025 en 4 december 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 maart 2026, en de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsmisdrijf, waarbij hij de lichamelijke integriteit van het slachtoffer op grove wijze heeft geschonden. Verdachte heeft [slachtoffer] aangevallen met een mes. Het slachtoffer heeft daardoor een wond opgelopen die moest worden gehecht en waarvan blijkens het procesdossier vier maanden later nog een litteken zichtbaar was. Dat de snee ondiep was, is niet aan verdachte te danken. Het had veel ernstiger en zelfs fataal kunnen aflopen, als verdachte met het mes bijvoorbeeld de luchtpijp of een slagader van het slachtoffer had geraakt. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid in de opvanglocatie, waar het vaak al moeilijk is met veel mensen op een klein oppervlak samen te leven door culturele verschillen, een onzekere toekomst en veelvoorkomende traumas.
Persoonlijke omstandigheden
Niet eerder is verdachte bestraft wegens geweld. In die zin is hij een zogenaamde first offender. Uit de rapportage van de reclassering en de voortgangsrapportage van de aan de PI verbonden psycholoog blijkt het volgende. Verdachte is een in Syrië geboren jongeman met een zeer belaste jeugd, waarin hij als peuter zijn vader heeft verloren en oorlogsgeweld heeft meegemaakt en later in Jordanië een problematische relatie had met zijn stiefvader. Op jonge leeftijd is hij zonder familie naar Europa gevlucht.
Hij heeft jarenlang in AZCs verbleven. Telefonisch onderhoudt hij contact met zijn moeder en broertje en zusje, die nog in Jordanië wonen. Verdachte is sociaal-emotioneel beperkt ontwikkeld en mist het probleemoplossend vermogen om conflicten te voorkomen. Hij heeft baat bij structuur, duidelijkheid en begrenzing.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat er geen mogelijkheden zijn om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Daarnaast acht de reclassering eventuele interventies moeilijk tot niet uitvoerbaar door het onduidelijke toekomstperspectief van verdachte en het gebrek aan beheersing van de Nederlandse taal.
Toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank acht het aannemelijk dat de hiervoor beschreven persoonlijke problematiek van verdachte heeft doorgewerkt in het bewezenverklaarde feit en wel zodanig dat hij daardoor verminderd in staat was te handelen in overeenstemming met zijn begrip. Met verminderde toerekeningsvatbaarheid zal de rechtbank bij bepaling van de straf rekening houden.
Adolescentenstrafrecht
Ten tijde van het plegen van het strafbare feit was verdachte 18 jaar oud. Uitgangspunt voor meerderjarigen is de toepassing van het volwassenenstrafrecht. Het Wetboek van Strafrecht geeft de rechter echter de mogelijkheid om rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachten en het jeugdstrafrecht toe te passen (artikel 77c). De reclassering adviseerde hierover aanvankelijk verdachte preventief te detineren in een justitiële jeugdinrichting (JJI) zodat er meer dan in een PI door pedagogisch deskundigen zicht op verdachte en zijn functioneren kon worden verkregen om te bepalen welk regime voor verdachte het meest passend is. Enerzijds loopt zijn sociaal-emotionele ontwikkeling achter en is hij kwetsbaar, maar anderzijds weet hij zich in de PI tussen andere volwassenen te handhaven. In het tweede advies heeft de reclassering na overleg met de Raad voor de Kinderbescherming definitief de toepassing van het reguliere strafrecht geadviseerd. Reden daarvoor is dat er geen sprake is van pedagogische beïnvloeding vanuit een ouder of voogd. Ook is onduidelijk of en in hoeverre verdachte ontvankelijk is voor een pedagogische benadering door professionals. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte in een JJI beter af zou. De hulpvragen van verdachte zijn hoofdzakelijk praktisch van aard, waarvoor hij ook in de PI hulp kan krijgen. Voor psychologische hulp weet hij de juiste weg te bewandelen.
Hoewel er in de hiervoor beschreven persoonlijkheid en situatie van verdachte indicaties zijn voor toepassing van het jeugdstrafrecht, vindt de rechtbank die met de reclassering niet van doorslaggevende betekenis. Niet is gebleken dat verdachte ontvankelijk is voor pedagogische beïnvloeding. De rechtbank zal daarom het volwassenenstrafrecht toepassen.
Strafoplegging
Gelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van langere duur. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en diens jonge leeftijd.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld
in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair, impliciet primair (poging tot moord), is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair, impliciet subsidiair (poging tot doodslag), ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. R. Depping en
mr. J. Faber, rechters, bijgestaan door mr. D. Flanderijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 mei 2026.

1.ECLI:NL:HR:2022:402.

2 EHRM: Al-Khawaja en Tahery t. VK, 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06.