Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1642

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
18/289114-25 ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 7 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een jonge man die is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en eenvoudig witwassen. De officier van justitie vorderde de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de oplegging van een betalingsverplichting ter hoogte van €228.700.

Tijdens de terechtzitting op 23 april 2026 verscheen de veroordeelde, bijgestaan door zijn advocaat. De verdediging verzocht om matiging van de betalingsverplichting, onder meer door de waarde van inbeslaggenomen goederen in mindering te brengen, en stelde dat de gijzeling op nul dagen moest worden gesteld.

De rechtbank baseerde haar oordeel op de bekennende verklaring van de veroordeelde en een proces-verbaal witwassen. Zij achtte de berekeningswijze van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrouwbaar en wees het draagkrachtverweer af, omdat niet aannemelijk was dat de veroordeelde in de toekomst niet zou kunnen betalen.

De rechtbank wees het verzoek tot mindering van de betalingsverplichting af, omdat het geldbedrag dat de veroordeelde beschikte om de goederen aan te schaffen als wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gezien, ongeacht het feit dat de goederen niet zijn verkocht. De waarde van de inbeslaggenomen goederen zal in de executiefase in mindering worden gebracht. De duur van de gijzeling werd niet op nul dagen gesteld.

Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €228.699,82 en legt een betalingsverplichting op aan de veroordeelde.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/289114-25
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 7 mei 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
hierna: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft op 25 maart 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 228.700,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/289114-25 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 23 april 2026. De veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op 228.699,82, gebaseerd op het proces-verbaal witwassen d.d. 22 januari 2026. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de betalingsverplichting vaststelt op hetzelfde bedrag.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de waarde van de inbeslaggenomen cocaïne, auto en iPhone op de betalingsverplichting in mindering te brengen. De raadsvrouw heeft hierbij verwezen naar een beslissing van de rechtbank Den Haag1, waarin de rechtbank de inkoopwaarde van de inbeslaggenomen verdovende middelen op de betalingsverplichting in mindering heeft gebracht, nu de veroordeelde deze niet heeft kunnen verkopen en daarvan geen financieel profijt heeft gehad. De raadsvrouw heeft verzocht de betalingsverplichting te matigen tot een bedrag van 98.555,-, gelijk aan het bedrag aan contant geld dat onder verdachte in beslag is genomen. Veroordeelde is een jonge man, helemaal aan het begin van zijn maatschappelijke carrière. Hij zal nooit meer zo veel verdienen als met zijn cocaïnehandel en ondervindt nu reeds nadeel van zijn gemaakte fouten.
De raadsvrouw heeft voorts verzocht de duur van de gijzeling te bepalen op 0 dagen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
de bekennende verklaring van veroordeelde afgelegd ter terechtzitting van 23 april 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal witwassen d.d. 22 januari 2026, opgenomen op pagina 322 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025159751 d.d. 28 januari 2026, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] .

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 7 mei 2026 in de zaak met parketnummer 18/289114-25 veroordeeld ter zake overtreding van de Opiumwet en eenvoudig witwassen.
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van door hem gepleegde strafbare feiten of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. Veroordeelde heeft ter terechtzitting immers erkend dat hij in drugs heeft gehandeld en daarmee een illegale bron van inkomsten heeft gehad.
De rechtbank neemt het proces-verbaal witwassen d.d. 22 januari 2026 als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voornoemde
strafbare feiten wordt geschat. De rechtbank acht deze berekeningswijze deugdelijk en betrouwbaar. De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 228.699,82.
Anders dan de raadsvrouw ziet de rechtbank geen aanleiding de inkoopwaarde van de inbeslaggenomen cocaïne, auto en iPhone op de betalingsverplichting in mindering te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het bij het de ontnemingsmaatregel en de op te leggen betalingsverplichting om de constatering dat veroordeelde de beschikking heeft gehad over een geldbedrag om deze goederen aan te schaffen, welk geldbedrag afkomstig was van drugshandel. Dat is wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting dient naar het oordeel van de rechtbank tevens op dat bedrag te zien. Dat veroordeelde de inbeslaggenomen cocaïne als gevolg van zijn aanhouding door de politie niet heeft kunnen verkopen en hij daar achteraf (dus) niets aan heeft verdiend, doet daaraan niet af. In de door de raadsvrouw aangehaalde rechterlijke uitspraak ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
Op de voet van het bepaalde in artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering, komt de draagkracht in beginsel eerst in de executiefase aan de orde. Uitsluitend in die gevallen waarin vooraf al vaststaat dat veroordeelde ook in de toekomst in het geheel niet zal kunnen betalen, kan de rechter gebruik maken van zijn matigingsbevoegdheid. Nu niet aannemelijk is geworden dat ten aanzien van veroordeelde sprake is van een dergelijke situatie, verwerpt de rechtbank het gevoerde draagkrachtverweer. De rechtbank ziet geen redenen de op te leggen betalingsverplichting op een lager bedrag te stellen dan het hiervoor genoemde bedrag aan genoten wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om de gijzeling op 0 dagen te stellen.
De rechtbank gaat ervan uit dat de waarde van de goederen waarop thans conservatoir beslag ligt, waaronder het geldbedrag van 98.555,-, in de executiefase in mindering wordt gebracht op het door veroordeelde te betalen geldbedrag.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op

228.699,82

Legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van
228.699,82.
(zegge: tweehonderdachtentwintigduizend zeshonderdnegenennegentig euro en tweeëntachtig eurocent
)aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op
1095dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. J. Faber, voorzitter, mr. R. Depping en
mr. A. van den Oever, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Nijmeijer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 mei 2026.