De rechtbank Den Haag heeft op 24 maart 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de verdachte, die eerder is veroordeeld voor meerdere strafbare feiten met betrekking tot de handel in verdovende middelen. De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €103.867,96, gebaseerd op de netto gewichten van heroïne en cocaïne die door het NFI zijn vastgesteld en de marktwaarde per gram in 2021.
De officier van justitie had aanvankelijk een hoger bedrag van €122.493,67 gevorderd, maar de rechtbank vond dit niet verenigbaar met het bewijs en de omstandigheden. De rechtbank hield rekening met het feit dat een groot deel van het voordeel al was ontnomen door inbeslagname van de verdovende middelen, waardoor de betalingsverplichting werd vastgesteld op €15.267,50.
De rechtbank verwierp het verzoek van de verdediging om de betalingsverplichting te verlagen vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en de draagkracht van de verdachte, omdat dit al in de strafzaak was meegewogen. De ontnemingsmaatregel heeft een reparatoir karakter en beoogt de vermogenspositie van de verdachte te herstellen tot de situatie vóór het plegen van de strafbare feiten.
De rechtbank legde tevens een gijzeling van maximaal 101 dagen op voor het geval de betalingsverplichting niet wordt nagekomen. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.