Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1552

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
18-012876-26
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 55 SrArt. 57 SrArt. 287 SrArt. 26 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag met vuurwapen in woonwijk Leeuwarden

Op 13 januari 2026 ontstond in een woonwijk in Leeuwarden een gevecht tussen verdachte en aangever waarbij verdachte meerdere keren op korte afstand met een omgebouwde revolver in de richting van aangever schoot. Verdachte erkende het gebruik van het vuurwapen, maar stelde slechts één keer in de lucht te hebben geschoten. De rechtbank achtte dit niet aannemelijk gezien getuigenverklaringen, camerabeelden en het onderzoek aan het wapen.

De rechtbank concludeerde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van aangever, omdat het schieten op korte afstand in een dynamische situatie een aanmerkelijke kans op de dood oplevert en verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. Het beroep op noodweer werd verworpen omdat het handelen van verdachte als aanvallend werd beoordeeld, mede gelet op camerabeelden waaruit blijkt dat verdachte het vuurwapen al trok voordat de confrontatie begon en tweemaal met geladen wapen op aangever afliep.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van vier jaren op, rekening houdend met de ernst van de feiten, de dynamiek van het incident, het gevaar voor de openbare veiligheid en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht. Verdachte werd tevens veroordeeld voor het bezit van een omgebouwde gasrevolver en munitie in strijd met de Wet wapens en munitie.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag met een omgebouwde revolver.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer: 18-012876-26

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

24 april 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 april 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.
Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 13 januari 2026 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, op korte afstand en/of tijdens een slaande beweging met een vuurwapen (revolver) op en/of in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 januari 2026 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, op korte afstand en/of tijdens een slaande beweging met een vuurwapen (revolver) op en/of in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 13 januari 2026 te Leeuwarden een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (omgebouwde gasrevolver) van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 Long Rifle, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en/of munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere kogelpatronen van de merken CCI en/of Fiocchi, kaliber .22 Long Rifle, voorhanden heeft gehad;
Beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde onder 1 primair en 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde het volgende aangevoerd. Verdachte heeft verklaard dat hij één keer in de lucht heeft geschoten. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte gericht heeft geschoten op aangever. Ook kan niet worden bewezen dat het vuurwapen is afgegaan toen verdachte aangever daarmee sloeg. De getuigen hebben hier niet over verklaard. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat het is gegaan zoals aangever heeft verklaard. De verklaring van aangever kan, gelet op het voornoemde, niet worden gebezigd worden voor het bewijs wat betreft de overtuiging.
De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is – ook in onderdelen – slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. De door verdachte ter zitting van 10 april 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik had een vuurwapen bij mij en ik heb dit wapen gebruikt. Ik herken mijzelf op de camerabeelden in het dossier.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 januari 2026, opgenomen op pagina 17 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland van het onderzoek NN1R026019-ALID d.d. 11 maart 2026, inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] :
Pleegdatum: 13 januari 2026
Ik was vandaag rond 12.00 uur thuis toen ik geschreeuw hoorde voor mijn woning aan [adres] . Ik hoorde dat iemand naar mij riep en dat ik beneden moest komen. Ik hoorde direct aan de stem dat dit [verdachte]
(de rechtbank begrijpt: verdachte)was. Toen ik later beneden was, zag ik ook direct dat het [verdachte] was. Toen ik beneden kwam, raakte ik in gevecht met [verdachte] . Door dit gevecht viel hij op de grond. Ik zag toen hij opstond dat hij een kleine zwarte revolver met een bruin handvat trok. Hij schoot een aantal keer in mijn richting. Hij heeft mij niet geraakt. Hij stond 3 of 4 meter bij mij vandaan. Ik hoorde dus een aantal knallen. Na deze knallen rende hij weg. Vijf minuten later kwam hij weer terug. Toen hij terug was, begon hij weer te schreeuwen. Toen trok hij weer dat wapen. Hij stond toen hij deze keer op mij schoot op een afstand van ongeveer 1 meter.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 januari 2026, opgenomen op pagina 71 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik kwam op 13 januari 2026 bij de bewoonster van het [perceel]
(de rechtbank begrijpt: [adres] ), later bleek getuige [getuige 1] . Ik vroeg haar of ze iets had gezien van een vechtpartij op straat tussen 12.00 en 12:30 uur. [getuige 1] zei dat ze 3 mannen zag welke ruzie hadden, het leek dat 2 mannen bij elkaar hoorden en deze hadden ruzie met 1 man. Op een gegeven moment stond er 1 persoon, deze had iets in zijn hand wat leek op een pistool. [getuige 1] zag dat de persoon het mogelijke
wapen recht voor zich uit hield en richtte richting de man met de muts op
(de rechtbank begrijpt: aangever). [getuige 1] zag dat er rook vanaf het wapen of de hand welke deze vast had kwam, het leek of er 2 of 3 keer geschoten zou zijn.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 januari 2026, opgenomen op pagina 81 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van getuige [getuige 2] :
Op 13 januari 2026 bevond ik mij omstreeks 11:45 uur in mijn woning gelegen aan [adres] . Toen hoorde ik een harde en doffe knal van buiten komen. Toen ik mijn jas aandeed, hoorde ik nog tweemaal een doffe knal. Hier zat ongeveer 15 tot 20 seconden tussen.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 januari 2026, opgenomen op pagina 84 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 15 januari 2026 heb ik de camerabeelden onderzocht welke afkomstig zijn van [adres]
. Het beeldmateriaal gaf zowel de datum als tijd weer. Ik zag de datum 2026-01-13 staan.
Tijdsnotitie
Waarneming
12:11: 24
Ik zie dat NNM 1
(de rechtbank begrijpt: verdachte)met zijn rechterhand naar zijn broekriem beweegt. Hij pakt een voorwerp uit zijn broekriem.
12:11:26
[…] Ik zie dat de NNM1 in zijn linkerhand een voorwerp, gelijkend op een vuurwapen heeft.
12:11:29
Ik zie dat NNM1 wegrent en NNM3 hem volgt. Ik zie dat NNM1 met zijn linkerhand het voorwerp gelijkend op een vuurwapen richt naar
NNM3 (de rechtbank begrijpt aangever).
12:12:42
NNM1 loopt weg en NNM2 en NNM3 blijven staan en lopen links weg uit beeld.
12:14:45
Komt NNM1 rechts van het beeld weer aan lopen. Hij […] zit met zijn hand in zijn linker zak, haalt daar een voorwerp uit, gelijkend op een vuurwapen.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2026, opgenomen op pagina 94 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 13 januari 2026 omstreeks 17.50 uur heb ik in de hoedanigheid van speurhondengeleider, met mijn gecertificeerde politiespeurhond, ter plaatse een onderzoek ingesteld naar de aanwezigheid van verse menselijke geursporen en/of geurdragers ter hoogte van perceel [adres] .
Aanleiding voor dit onderzoek was een schietpartij welke eerder op de dag had
plaatsgevonden in [adres] en waarbij de verdachte ter hoogte van perceel [adres] was aangehouden.
Ik zag en hoorde dat mijn hond een melding maakte in het perk met struikgewas voor perceel [adres] . Ik zag dat mijn speurhond bij een vuurwapen stond wat kennelijk voorzien was van verse menselijke lucht. Ik zag dat het een revolver betrof zwart van kleur met een bruin gekleurd handvat. Deze revolver is door de collega's van Forensische Opsporing veiliggesteld.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 30 januari 2026, opgenomen op pagina 1 e.v. van het aanvullend procesdossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op dinsdag 13 januari 2026 te 19:30 uur zijn goederen inbeslaggenomen. Na onderzoek van deze goederen is het volgende naar voren gekomen:
Goednummer : PL0100-2026010901-1902860
Object : Vuurwapen (Revolver)
Merk/type : BBM, Olympic 38
WERKING WAPEN
Met het wapen werden proefschoten afgevuurd. Het wapen functioneert naar behoren. Het inbeslaggenomen voorwerp is een randvuur revolver geschikt om projectielen door een loop af te schieten.
OMGEBOUWDE GASREVOLVER
Oorspronkelijk betreft het hier een gasrevolver waarbij zowel de loop als ook de
uitgangen van de kamers in de trommel voorzien waren van sperren (blokkeringen). Voornoemde sperren zijn allemaal verwijderd middels boren, frezen en/of vijlen. In het grote ontstane gat in de loop is een volledig open metalen buisje geperst die dienstdoet als nieuwe (binnen) loop. Het wapen is hiermee geschikt gemaakt voor het afvuren van kogelpatronen in het kaliber .22 Long Rifle (LR).
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2026, opgenomen op pagina 6 e.v. van het aanvullend procesdossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] :
Object : Munitie (Kogelpatroon)
Aantal/eenheid : 8 stuks
Merk/type : Federal, CCI / Lead Roundnose
De hier beschreven kogelpatronen zijn afkomstig uit de trommel van de BBM revolver met goednummer 1902860. Het wapen was daarmee voor direct gebruik gereed.
Het betreft:
- Vier (4) stuks randvuur kogelpatronen van het merk Federal (F) in het kaliber .22 Long Rifle (LR) type Lead Roundnose (LRN);
- Een (1) stuks randvuurkogelpatroon van het merk CCI in het kaliber .22 Long Rifle (LR) type Lead Roundnose (LRN).
Al deze kogelpatronen zijn geschikt om een projectiel met behulp van een vuurwapen, onder andere de onder dit mutatienummer beschreven BBM revolver, af te schieten.
- Twee (2) stuks afgeschoten kogelpatroon hulzen van het merk CCI in het kaliber .22 Long Rifle (LR);
- Een (1) stuks afgeschoten kogelpatroon huls van het merk Federal (F) in het kaliber .22 Long Rifle (LR).
Bewijsoverweging feit 1
Beoordeling van de feiten
Op 13 januari 2026 ontstond ter hoogte van [adres] een gevecht tussen verdachte en aangever. Aangever heeft verklaard dat verdachte daarbij meermalen en op korte afstand met een vuurwapen op hem heeft geschoten. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij met een vuurwapen heeft geschoten, maar heeft gesteld dat hij slechts één keer en in de lucht heeft geschoten om aangever op afstand te houden. Hij ontkent dat hij meerdere malen en gericht op aangever heeft geschoten.
De rechtbank ziet zich, gelet op deze tegengestelde verklaringen, voor de vraag gesteld of verdachte schoten heeft gelost in de richting van aangever. De rechtbank acht voor de beantwoording van deze vraag de volgende bevindingen en getuigenverklaringen van belang.
Allereerst volgt uit de beschreven camerabeelden en de stills die daarbij zijn gevoegd dat verdachte op enig moment is weggerend en, terwijl hij dat deed, het vuurwapen op het lichaam van aangever heeft gericht. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat één van de ruziënde personen iets in zijn hand had dat op een vuurwapen leek en recht voor zich uit hield, in de richting van iemand die zij omschrijft als een man met een muts op. [getuige 1] zag rook uit het wapen of de hand die het vasthield komen waarbij het leek alsof er twee of drie keer met het wapen is geschoten. De rechtbank gaat ervan uit dat getuige [getuige 1] met de man met de muts, die in de richting van de man met de pet heeft geschoten, doelt op verdachte. Weliswaar droeg aangever een pet en verdachte juist een muts, maar de rechtbank heeft geen enkele aanwijzing dat aangever (ook) met een vuurwapen heeft geschoten. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de getuige dit detail van de heftige gebeurtenis die zij waarnam niet juist heeft onthouden. Het dossier bevat voorts een verklaring van getuige [getuige 2] , hij heeft verklaard dat hij drie harde en doffe knallen heeft gehoord. Tot slot is het vuurwapen dat verdachte bij zich had onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat in het magazijn van de revolver drie lege kogelhulzen zaten.
De rechtbank is van oordeel dat voornoemde bevindingen de verklaring van aangever bevestigen, in zoverre dat verdachte het vuurwapen op hem heeft gericht en daarmee meerdere schoten heeft gelost. De verklaring van verdachte dat hij enkel één keer in de lucht heeft geschoten acht de rechtbank niet aannemelijk, omdat deze wordt weerlegd door de genoemde bevindingen en getuigenverklaringen.
De rechtbank stelt aan de hand van de verklaring van aangever en de andere gebezigde bewijsmiddelen vast dat verdachte meermalen op korte afstand in de richting van aangever heeft geschoten.
Poging doodslag?
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte opzettelijk heeft geprobeerd aangever te doden. De rechtbank dient hierbij vast te stellen dat verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van aangever. Uit de verklaring van verdachte, noch uit andere bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van aangever. Wel is naar het oordeel van de rechtbank sprake van voorwaardelijk opzet op de dood.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier het overlijden van aangever, aanwezig is indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat verdachte de wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Uit de feitenvaststelling volgt dat verdachte meermalen op korte afstand in de richting van aangever heeft geschoten. De rechtbank is van oordeel dat het op korte afstand en in een dynamische situatie, waarbij zowel verdachte als aangever in beweging waren, schieten met een vuurwapen richting het lichaam een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. Bovendien was die kans voorzienbaar voor verdachte. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het onder dergelijke omstandigheden en als ongeoefend schutter meermalen in de richting van een ander schieten een aanmerkelijke kans in het leven roept dat die ander daarbij dodelijk wordt geraakt. Naar het oordeel van de rechtbank dient de gedraging van verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvormen aangemerkt te worden als zozeer gericht op de dood van aangever, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties dat verdachte de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij aangever niet (bewust) heeft aanvaard is de rechtbank niet gebleken.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 13 januari 2026 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, meermalen op korte afstand met een vuurwapen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 13 januari 2026 te Leeuwarden een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwde gasrevolver van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 Long Rifle, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver, en munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere kogelpatronen, kaliber .22 Long Rifle, voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
poging tot doodslag;
de eendaadse samenloop van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Beroep op noodweer
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer. Op de eerste camerabeelden is te zien dat het niet verdachte is die eerst de confrontatie opzoekt. Hij loopt achteruit als hij aangever tegenkomt en in het dossier bevinden zich foto’s van de verwondingen van verdachte. Aangever heeft verdachte aangevallen en verdachte was zichzelf aan het verdedigen. Verdachte mocht zichzelf verdedigen, omdat aangever een klauwhamer in zijn hand had. Deze verdediging was ook proportioneel, omdat verdachte enkel het vuurwapen heeft aangewend om aangever daarmee af te schrikken.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer verworpen dient te worden. Het gedrag van verdachte is namelijk als aanvallend aan te merken.
Het oordeel van de rechtbank
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan een beroep op noodweer niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op de grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als verdediging, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. [1]
De rechtbank leidt uit de verklaring van aangever en de omschrijving van de camerabeelden af dat op twee momenten een gevecht is ontstaan tussen verdachte en aangever. Uit de beschrijving van de camerabeelden volgt dat verdachte om 12:11:24 in beeld komt. Te zien is dat hij een voorwerp uit zijn broekriem haalt, hetgeen later wordt omschreven als een op vuurwapen gelijkend voorwerp. Op dat moment is aangever nog niet in beeld. Verdachte greep dus kennelijk al naar het wapen, toen aangever nog verder van hem verwijderd was. Vervolgens is op de camerabeelden te zien dat er een confrontatie ontstaat tussen aangever, verdachte en een derde. Verdachte heeft daarbij nog steeds het op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand. Volgens de beschrijving van de camerabeelden eindigt deze eerste confrontatie om 12:12 uur; verdachte en aangever lopen dan van elkaar vandaan. Om 12:14 uur komt verdachte weer in beeld als hij weer richting de plek van de eerdere confrontatie loopt. Al lopend haalt hij wederom het vuurwapen tevoorschijn. Om 12:15 uur raken verdachte en aangever opnieuw in gevecht.
Nog daargelaten de vraag of het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel in verhouding staat tot de beoogde verdediging, is op camerabeelden te zien dat verdachte tot tweemaal toe in de richting van aangever is gelopen met een geladen vuurwapen in zijn hand. De rechtbank is gegeven deze omstandigheden van oordeel dat het door verdachte toegepaste geweld als aanvallend dient te worden beschouwd. Zij verwerpt daarom het beroep op noodweer.
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het rapport van de reclassering van 2 april 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 maart 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 13 januari 2026 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. Verdachte heeft in een dynamische setting meermalen in de richting van het lichaam van het slachtoffer geschoten. Dat het slachtoffer het handelen van verdachte niet met de dood heeft moeten bekopen, is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte is te danken. Het schietincident heeft daarnaast midden in een woonwijk op straat plaatsgevonden. Een dergelijk schietincident zal, niet alleen voor de omwonenden, maar ook in het algemeen in de maatschappij gevoelens van angst en onveiligheid teweegbrengen of versterken.
De rechtbank neemt het verdachte daarnaast kwalijk dat hij een geladen vuurwapen bij zich had in de openbare ruimte en dat hij dat vuurwapen ook daadwerkelijk heeft gebruikt. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Het voorhanden hebben van een vuurwapen leidt gemakkelijk tot het gebruik daarvan, met alle gevolgen van dien. Gelet op de toename van het vuurwapenbezit en het hoge gevaarzettende karakter daarvan, dient daartegen streng te worden opgetreden.
Persoon van de verdachte
Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het strafblad blijkt dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten niet eerder onherroepelijk was veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.
De rechtbank heeft daarnaast gelet op het reclasseringsadvies. De reclassering
concludeert dat bij verdachte mogelijk problemen spelen op het gebied van middelengebruik, het psychisch functioneren, het sociaal netwerk en de houding. Het is zorgelijk dat op meerdere leefgebieden problemen worden geconstateerd die verdachte maar deels erkent. Er is een beperkt probleembesef en weinig ontvankelijkheid voor interventies die echt het verschil zouden kunnen maken. Derhalve schat de reclassering ook de kans op onttrekking aan voorwaarden in als hoog; verdachte geeft nu wel aan mee te willen werken aan reclasseringscontact maar heeft geen hulpvraag gericht op of intrinsieke motivatie voor gedragsverandering. Alles overwegend adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Op te leggen straf
Naar het oordeel van de rechtbank is een gevangenisstraf de enige passende straf, omdat de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten door een lichtere straf miskend zouden worden. Bij het bepalen van deze strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank tevens rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden voldoende tot uitdrukking komen in de door de officier van justitie gevorderde straf en ziet geen aanleiding daarvan af te wijken. Daarom wordt een gevangenisstraf van vier jaren opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45, 55, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.P. Eckert, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en
mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2026.

Voetnoten

1.HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316, r.o. 3.3.