Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1551

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
18-016752-26
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 317 SrArt. 13 WWMArt. 55 WWMArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gewapende overval op tankstation met klinische opname als voorwaarde

Op 8 januari 2026 pleegde verdachte een gewapende overval op een tankstation in Leeuwarden waarbij hij onder bedreiging met een nepvuurwapen een medewerkster dwong contant geld af te geven. De rechtbank achtte de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van verklaringen van verdachte, het slachtoffer en een verbalisant.

Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijke deel zijn bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder een meldplicht bij de reclassering, een klinische opname gericht op gedragsverandering en verslavingsproblematiek, een verbod op alcohol en drugs, en een locatieverbod bij het tankstation.

De rechtbank nam bij de strafoplegging de ernst van het delict, de impact op het slachtoffer met pre-existente psychische klachten, en de wenselijkheid van behandeling van de verslavingsproblematiek van verdachte mee. De vordering tot immateriële schadevergoeding van het slachtoffer werd toegewezen, terwijl de vordering van het tankstation werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden op 24 april 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan 10 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en toewijzing van immateriële schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer: 18-016752-26
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 april 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
nu gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 april 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.A. Pots, advocaat te Leeuwarden.
Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 8 januari 2026 te Leeuwarden met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] , medewerker van [tankstation] aan [adres] , heeft gedwongen tot de afgifte van een (contant) geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [tankstation] en/of een derde toebehoorde(n), door een (plastic) tas aan die [slachtoffer] te geven en/of aan te bieden, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] te richten en/of (zichtbaar) aan die [slachtoffer] te tonen en/of die [slachtoffer] (daarbij) de dreigende woorden toe te voegen “geld hierin nu, opschieten”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
2
hij op of omstreeks 8 januari 2026 te Leeuwarden een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een voorwerp (nepvuurwapen van het merk LXY, type 18 Austria 9x19) dat door haar vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen van het merk Glock 18, voorhanden heeft gehad;

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde onder 1 en 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft met betrekking tot de bewezenverklaring zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde onder 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking op heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 april 2026;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 8 januari 2026, opgenomen op pagina 59 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland inzake het onderzoek BALKAN/ NN1R026002 d.d. 16 maart 2026, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] ;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 januari 2026, opgenomen op pagina 113 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 8 januari 2026 te Leeuwarden, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [slachtoffer] , medewerker van [tankstation] aan [adres] , heeft gedwongen tot de afgifte van een contant geldbedrag dat geheel aan [tankstation] en/of een derde toebehoorde, door een tas aan die [slachtoffer] te geven, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] te richten en zichtbaar aan die [slachtoffer] te tonen en die [slachtoffer] daarbij dreigend de woorden toe te voegen “geld hierin nu, opschieten;
2
hij op 8 januari 2026 te Leeuwarden een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nepvuurwapen van het merk LXY, type 18 Austria 9x19 dat door zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen van het merk Glock 18, voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
afpersing;
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden overeenkomstig het reclasseringsadvies, met uitzondering van het locatieverbod.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk bepleit, met aan het voorwaardelijk strafdeel verbonden de bijzondere voorwaarden overeenkomstig het reclasseringsadvies.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies van 27 maart 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 maart 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft op 8 januari 2026 een tankstation in Leeuwarden overvallen. Hij heeft aan de medewerkster van dit tankstation een niet van echt te onderscheiden nepvuurwapen getoond en haar onder bedreiging daarvan gedwongen een tas te vullen met het contante geld uit de kassa. Een dergelijke overval is zeer heftig voor het slachtoffer om mee te maken. Dit kan in zijn algemeenheid bij slachtoffers leiden tot blijvende gevoelens van angst, onrust en onveiligheid. Voor het slachtoffer in deze zaak zijn de gevolgen verstrekkend. Dit slachtoffer had pre-existente psychische klachten waarvan de behandeling voorafgaand aan dit voorval afgerond was. Verdachte heeft met zijn handelswijze ervoor gezorgd dat het slachtoffer het psychische hulpverleningstraject opnieuw in heeft moeten gaan. Een dergelijke overval op een tankstation is bovendien schokkend en beangstigend voor buurtbewoners die hier kennis van krijgen. Hierdoor voelen zij zich minder veilig in hun eigen woon- en leefomgeving.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden
Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij in de afgelopen vijf jaren niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies. De reclassering heeft in haar rapport beschreven dat verdachte beschikt over een koopwoning waarvan de hypotheeklasten tijdens zijn detentie door zijn zus worden voldaan. Verdachte is 25 jaren werkzaam geweest als [functie] . Er is sprake van langdurig en ernstig cocaïnegebruik. Verdachte kon ondanks dat hij beschikte over voldoende inkomsten, zijn gebruik niet meer bekostigen. Hierdoor ontstond een vicieuze cirkel van middelengebruik en financiële problemen. Voornoemde factoren hebben naar het inzicht van de reclassering bijgedragen aan het delictgedrag. Bij verdachte is in het verleden ADHD vastgesteld. Tijdens periodes van middelengebruik is sprake van verminderde gewetensfunctie en beperkte emotieregulatie. Beschermende factoren zijn
gelegen in het steunende netwerk (ouders en zus) en het aanwezige probleeminzicht. Verdachte is gemotiveerd voor gedragsverandering, staat open voor een klinische behandeling en stelt zich meewerkend op. De reclassering ziet, gelet op deze factoren, aanknopingspunten voor de inzet van interventies om gedragsverandering en vermindering van het recidiverisico te bewerkstelligen. De reclassering schat het risico op recidive en het onttrekken aan voorwaarden in als gemiddeld. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met oplegging van bijzondere voorwaarden, waarbij onder meer als voorwaarde geldt een klinische opname.
Verdachte heeft tijdens de terechtzitting spijt betuigd. Hij heeft verklaard dat hij voor zijn ADHD medicatie gebruikt. Hij heeft ook aangegeven dat cocaïne een rustgevend effect op hem heeft en hierdoor verslavend is. Hij heeft zich bereid verklaard tot naleving van de voorwaarden die zijn opgenomen in het reclasseringsadvies.
De strafmaat
De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf acht geslagen op het landelijk gehanteerde oriëntatiepunt voor een “overval met bedreiging van geweld”. Dit oriëntatiepunt geeft als richtsnoer een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren. De officier van justitie heeft een straf geëist die hoger is dan dit oriëntatiepunt en heeft bij zijn strafeis aansluiting gezocht bij een recent gewezen vonnis in een vergelijkbare zaak.1 De rechtbank is echter van oordeel dat het vonnis waar de officier van justitie zich op beroept, wat betreft de ernst, niet vergelijkbaar is met de onderhavige zaak, omdat in het aangehaalde vonnis rekening is gehouden met een strafverzwarende omstandigheid die in deze zaak niet van toepassing is, te weten medeplegen. Er is daarnaast in onderhavige zaak geen sprake van omstandigheden die aanleiding geven om in strafverhogende zin van het genoemde oriëntatiepunt af te wijken. De rechtbank weegt daarnaast in het voordeel van verdachte mee dat hij volledige openheid van zaken heeft gegeven, spijt heeft betuigd en zich schuldbewust heeft opgesteld. Daarbij komt dat de rechtbank het wenselijk acht dat verdachte klinisch wordt opgenomen en dat verdachte zelf ook de noodzaak ziet om hieraan mee te werken. De reclassering adviseert een klinische opname die maximaal een jaar kan duren. Weliswaar is een klinische opname strikt genomen geen straf, niettemin behelst deze in de praktijk wel een vorm van vrijheidsbeneming.
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, de in het oriëntatiepunt gegeven gevangenisstraf als vertrekpunt nemen en bepalen dat een aanzienlijk deel daarvan voorwaardelijk aan verdachte wordt opgelegd. Het doel van het voorwaardelijke strafdeel is tweeledig. In de eerste plaats wordt hiermee beoogd verdachte een waarschuwing mee te geven om te voorkomen dat hij opnieuw strafbare feiten pleegt. In de tweede plaats heeft het voorwaardelijke strafdeel als doel verdachte ertoe te bewegen aan zijn verslavingsproblemen te werken zodat de kans op herhaling daarmee wordt verkleind.
De rechtbank komt, alles afwegende, tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel worden de bijzondere voorwaarden verbonden overeenkomstig het reclasseringsadvies.
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het door de reclassering geadviseerde locatieverbod ter plaatse van het overvallen tankstation achterwege kan blijven. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het slachtoffer heeft aan het bewezen verklaarde psychische klachten overgehouden. Het is daarom zeer onwenselijk dat het slachtoffer verdachte bij het tankstation tegenkomt waar zij voor zover de rechtbank bekend nog werkzaam is, nu dit beangstigend is en de psychische klachten kan verergeren. Ook is het zeer wel mogelijk dat andere medewerkers van het tankstation verdachte zullen herkennen en zich hierdoor onveilig gaan voelen. De rechtbank zal daarom overgaan tot oplegging van het geadviseerde locatieverbod.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Benadeelde partij
Ten aanzien van feit 1
De volgende (rechts)personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[slachtoffer] , tot een bedrag van 3.000 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[bedrijf] B.V. tot een bedrag van 5.578,03 ter vergoeding van materiële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen kan worden met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hij heeft met betrekking tot de vordering van [bedrijf] B.V. het standpunt ingenomen dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat over deze vordering nog te veel onduidelijkheden bestaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet betwist. Hij heeft ten aanzien van de vordering van [bedrijf] B.V. zich op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De rechtbank stelt vast dat de gevorderde immateriële schadepost betrekking heeft op een “aantasting in de persoon” zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. In dit geval gaat het om een gewapende overval op een tankstation waarbij het slachtoffer onder dreiging van een vuurwapen geld uit de kassa aan verdachte moest afstaan. De nadelige gevolgen van deze normschending liggen voor de hand. In een dergelijk geval is niet vereist dat geestelijk letsel, in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, met bewijsstukken wordt aangetoond. Daarnaast past de hoogte van de schadevordering binnen de bandbreedte van wat de Rotterdamse Schaal adviseert voor een afpersing met bedreiging van geweld. De rechtbank zal de vordering in haar geheel toewijzen met vermeerdering van de wettelijke rente vanaf 8 januari 2026 tot en met de dag van algehele voldoening.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De vordering van de benadeelde partij [bedrijf] B.V.
De rechtbank kan aan de hand van de stukken niet vaststellen dat de natuurlijke personen, hetzij [naam 1] , hetzij [naam 2] , die de schadevordering namens deze rechtspersoon hebben ingediend, daartoe bevoegd zijn, nu een schriftelijke volmacht en/of een uittreksel uit het register van de Kamer van
Koophandel waaruit een eventuele vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid, ontbreekt. Daarnaast heeft de rechtbank nog inhoudelijke vraagpunten over de berekening van de gestelde schadeposten, zo is het haar onder meer niet duidelijk of de schade door een verzekeraar is vergoed terwijl op een van de overlegde stukken wel staat vermeld: totaal te claimen bedrag verzekering. De benadeelde partij is niet ter terechtzitting verschenen om de vordering nader toe te lichten en vragen over de vordering te beantwoorden. Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om een oordeel te kunnen vellen over de juridische gegrondheid van deze vordering. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij nogmaals de gelegenheid te bieden om de ontbrekende gegevens te verstrekken, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. Deze vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 10 (tien) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de
proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
3 (drie) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij de reclassering

1. Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen vijf werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) op het adres [adres] .

Opname in een zorginstelling

2. Veroordeelde laat zich tijdens de proeftijd voor een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend op detentie. Veroordeelde laat zich met DV&O vervoeren naar de zorginstelling. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is tenminste gericht op het maken van een delictanalyse, diagnostiek en de verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing. Indien aan de orde, werkt veroordeelde mee aan overbruggingszorg.

Ambulante behandeling

3. Veroordeelde laat zich behandelen door forensische polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend op de klinische opname. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Verbod verdovende middelen en een alcoholverbod

4. Veroordeelde gebruikt gedurende de proeftijd geen alcohol, softdrugs en/of harddrugs. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. De controlemiddelen kunnen zijn een urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Locatieverbod

5. Veroordeelde bevindt zich gedurende de proeftijd niet op het terrein van het [tankstation] dat is gevestigd aan [adres] . De politie ziet toe op handhaving van dit verbod.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of
meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Ten aanzien van feit 1

Benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 3.000 (zegge: drieduizend euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 januari 2026 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.000 (zegge: drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 30 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Benadeelde partij [bedrijf] B.V.

Verklaart de benadeelde partij [bedrijf] B.V. niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding. In zoverre dat deze bij de burgerlijke rechter dient te worden aangebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. H.P. Eckert en
mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2026.
1 Rb. Oost-Brabant 13 oktober 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:6319.